Over het samenleven van kerken (2)

1973-11-09
  • Jaargang 17
  • nummer 41
Voor ik het "Ingezonden" van drs Buwalda ga beantwoorden wil ik er iets van vertellen hoe ik er voor vijf en dertig jaren toe gekomen ben over de gemeenschapsoefening tussen kerken onderling zo te schrijven als ik het sindsdien onveranderd heb gedaan.
Vooral door wat ik van de generale synode van 1936 zag en hoorde was ik tot de vaste overtuiging gekomen dat de Gereformeerde Kerken meer en meer in de greep van een synodale hiërarchie waren gekomen. Deze synode besloot namelijk eigenmachtig - d.w.z. zonder daar door haar lastgeefsters, de kerken, toe gemachtigd te zijn - dat wat zij "meningsverschillen" noemde te gaan behandelen. Die hiërarchie drong vooral de kerken binnen ten gevolge van de "leiding" die professoren aan de synoden gaven.1) Er was nog wel tegenspel in de kerken. Maar dat negeerden deze en volgende synoden. En de massa der kerken volgden, tengevolge van onverschilligheid, volgzaamheid of serviliteit, wat de synoden deden en spraken.
Ik vroeg mij toen af hoe men in een vroegere periode van de geschiedenis der Geref. Kerken over het samenleven der kerken gedacht en in praktijk gebracht had.
Mij stond wel min of meer vaag voor de geest dat men Vóór en in de doleantie in deze totaal wat anders leerde en deed. Maar ik had wat toen geschreven werd nooit zelfstandig bestudeerd. En daarom begon ik met de werken van Rutgers en Kuyper na te gaan op dit punt. Ik doorkroop veel jaargangen van De Heraut en wat ik verder maar te pakken kon krijgen.
Wat ik zo leerde kennen was voor mij voluit een openbaring!
Ik kwam daardoor in aanraking met een totaal ander kerkelijk "klimaat" dan waarin we destijds leefden. Het sprak van zelf dat ik wat ik vond ook publiceerde.
Ik schreef lange reeksen artikelen daarover in De Reformatie.
De reaktie daarop was enerzijds uiterst positief en anderzijds uiterst negatief! Prof. Greijdanus kende uiteraard Rutgers' werken op zijn duimpje, maar dat Kuyper zó helder en zo goed over classes en synoden had geschreven wist hij niet. Hij was er enthousiast over. En Schilderevenzo. Maar prof. H. H. Kuyper niet! Hij schold lieden zoals ik voor "baardeloze knapen"; voor mensen die het werk van "grote theologen" als Kuyper en Bavinck niet kenden; voor onrustverwekkers die de toestand in de kerken nog "erger" maakten dan die "voor Assen" was en die waarheden welke zelfs door "ernstige heidenen" werden verdedigd, loochenden. Ik kreeg nog een extra pak slaag. H. H. Kuyper beschuldigde mij namelijk publiek van citatenspel! Ik heb toen een onderhoud met deze professor aangevraagd.
Daarin verklaarde ik openlijk te zullen herroepen als hij mij kon aantonen dat ik met citaten "gespeeld" had. Maar hij kon dat niet. Het gesprek eindigde in het' woedend uitgesproken, vernietigende vonnis dat Schilder Hitler en ik Goering was. Vermoedelijk bedoelde hij Goebels, maar hij zei: Goering. Prof. Kuyper verzekerde mij dat hij het in kerkrechtelijk opzicht met zijn vader niet eens was. Zijn brochure over de verkiezing tot het ambt had hij zelfs geschreven om de ideeën van zijn vader in deze te bestrijden.
Na de publikaties in De Reformatie schreef ik in den brede over deze kwestie in "In den Chaos", in "Eén herder één kudde", in "Om de Unica Catholica" en in tal van artikelen in "De Reformatie", "Dienst", Opbouw".
Nog twee opmerkingen moge ik maken.
Vooreerst deze dat wat ik zo schreef alles behalve origineel was. Het was alles overgenomen van - ik noem ze naar ancienniteit - Calvijn, Rutgers, Kuyper, Greijdanus. Later ook van Schilder en Deddens.
De tweede opmerking is dat ik thetisch zal schrijven, samenvattende wat ik over de kwestie die tussen Buwalda en mij in geding is, in de loop der iaren heb geschreven.
Ik zal polemiek waarin men zich gemakkelijk tegen elkaar afzet vermijden. En ik zal om der wille van de duidelijkheid wat ik zeggen wil, neerschrijven in korte paragraafjes. Ik hoop namelijk dat velen zullen lezen wat ik ga schrijven. Er is nog heel veel onkunde en misverstand omtrent het samenleven der kerken.

1. De kerk van onze Heer Jezus Christus is in eerster instantie de vergadering van alle ware gelovigen, verspreid en verstrooid over de gehele aarde. Alle gelovigen vormen een éénheid. Want ze hebben één Heer, één geloof, één doop" één God en Vader die is boven allen en door allen en in allen. Het spreekt van zelf dat de éénheid-in-Christus die er tussen hen bestaat wáár dat mogelijk is en zó veel als dat mogelijk is en op alle manieren waarop dat mogelijk is moet worden beleefd.

2. Volgens de Schrift is ook iedere plaatselijke kerk, voluit kerk lichaam van Christus. Zij “bezit" alles wat de kerk tot kerk maakt. Uit wat onder één is genoemd vloeit ook weer als vanzelf voort dat deze plaatselijke kerken - ook wel particuliere kerken genoemd - wáár dat kan en zovéél als dat mogelijk is met elkaar gemeenschap moeten oefenen.
Speciaal ten opzichte van taken die zij niet alleen kunnen uitvoeren b.v. zending, de opleiding tot de dienst des Woords, verzorging van emeriti-predikanten enz.
En voorts dienen zij elkaar met hulp en raad bij te staan wáár dat nodig en mogelijk is.

3. Volgens de Schrift wordt de gemeente geleid, bestuurd, geregeerd - "gediend" door ambtsdragers: herders - en leraars, ouderlingen, diakenen. Deze ambtsdragers zijn uitsluitend en alleen ambtsdragers van een plaatselijke kerk. Ambtsdragers die over meer dan één gemeente "opzicht en tucht" uitoefenen kent de Schrift niet. Laat staan een ambtsdrager die over de "wereldkerk" zou "regeren".

4. De plaatselijke kerken oefenen vooral gemeenschap met elkaar door middel van een vergadering van afgevaardigden van die kerken. Dat kunnen vergaderingen zijn van afgevaardigden van kerken uit een streek, uit een provincie (of een deel daarvan of een combinatie ervan) of uit één land. Deze vergaderingen worden resp. classis, particuliere synode, generale synode genoemd. De namen zijn uiteraard van minder betekenis. In de franse kerken heetten de classes b.v. colloques, samensprekingen.

5. Deze vergaderingen van afgevaardigden van kerken worden "meerdere" vergaderingen genoemd.
Dat geschiedt uitsluitend en alléén omdat daarin afgevaardigden van meer dan één kerk aanwezig zijn. Deze vergaderingen zijn beslist geen "hogere"
vergaderingen. Want ze staan niet boven de kerken maar daaronder!

6. Een plaatselijke kerk heeft geen enkele macht over een zusterkerk.
Ook een groep van kerken heeft geen enkele macht over een plaatselijke kerk. Prof. Greijdanus heeft deze stand van zaken eens zó duidelijk gemaakt: Eén kerk heeft 0 macht over een andere kerk. Dan hebben vijftig kerken 50 X 0 dat is ook 0 macht over een andere.

7. De genoemde meerdere vergaderingen zijn, zoals gezegd, vergaderingen van afgevaardigden van kerken. De kerken zijn de lastgevers van die afgevaardigden, die afgevaardigden zijn de lasthebbers. De kerken zijn de zenders, de leden van de meerdere vergaderingen zijn de gezanten.
De kerken zijn de "heren", de afgevaardigden zijn de "knechten".
Deze afgevaardigden zijn in de kerken die ze afvaardigen meestal wel ambtsdragers. Maar in die meerdere vergaderingen zitten ze niet ALS ambtsdragers maar alleen ALS afgevaardigden "gezanten" van de kerken die ze zonden. Ze hebben als lid van die vergaderingen geen "ambtelijke macht". Daarom kunnen ook nietambtsdragers lid van een meerdere vergadering zijn. Die zijn dat dan ook wel geweest.

8. In zichzelf heeft zo'n meerdere vergadering "geen zier macht". Ze hebben geen andere "macht" dan die welke de daarin door haar afgevaardigden vertegenwoordigde kerken haar willen geven. De "macht" die deze meerdere vergaderingen bezitten is daarom geen oorspronkelijke, eigen, zelfstandige macht zoals een kerkeraad die bezit, maar niet anders dan een begrensde, afgeleide, gedelegeerde, opgedragen "macht". Er ontstaat in de meerdere vergaderingen dus geen nieuw soort bestuursmacht. Van bestuur" over kerken is alléén sprake bij de kerkeraden. Meerdere vergaderingen mogen daarom nooit gebiedende voorschriften, lasten of bevelen opleggen, maar alleen werken door onderling overleg; niet door overstemmen maar door te streven naar over één stemming.

9. Door en in deze meerdere vergaderingen van afgevaardigden van kerken tot stand gekomen gemeenschapsoefening van kerken komt geen nieuwe kerkvorm tot stand. Niet in ideële, niet in representatieve, niet in organisatorische, niet in virtuele zin. Deze meerdere vergaderingen mogen in geen enkel opzicht de zelfstandigheid of vrijheid der kerken aantasten. Integendeel, ze moeten dienen om die vrijheid en zelfstandigheid der kerken te bewaren, te bevorderen en in de goede richting te sturen! Geen enkele nieuwe bestuursmacht mag aan deze vergaderingen worden toegekend.
Het bestuur over de kerken blijft uitsluitend en alleen in handen van de kerkeraden der afzonderlijke gemeenten.
10. Het deelnemen aan deze gemeenschapsoefening der kerken geschiedt op basis der vrijwilligheid. De afzonderlijke kerken kunnen krachtens eigen wil en besluit daartoe toetreden maar ook daaruit uittreden. Geen kerk kan tot deze gemeenschapsoefening worden gedwongen. Als een kerk die gemeenschapsoefening met zusterkerken staakt houdt ze daardoor niet automatisch op zusterkerken te zijn! Dat geschiedt alleen als ze de kenmerken van een ware kerk verliest! De in een meerdere vergadering samenkomende kerken vormen nl. geen federatie met een permanente "raad" of zo iets, maar niet meer dan een verbond van kerken zonder enig gemeenschappelijk bestuur.
Als de meerdere vergaderingen zijn gesloten bestaan er niets anders dan de afzonderlijke, vrije en zelfstandige kerken.

11. Er bestaat tussen de verschillende kerkelijke vergaderingen een rangorde. Een kerkeraad staat daarin beslist bovenaan. Die bezit, zoals eerder reeds werd gezegd, als énige kerkelijke vergadering oorspronkelijke, eigen, zelfstandige macht. Hij bezit de hoogste "macht". Van de kerkeraad daalt de "macht" af naar de classes. En onder aan de rij staan de synoden. Al heet ook een generale synode meeste vergadering!
Voordat prof. H. H. Kuyper er toe overging de hiërarchie in de kerk in te voeren en te verdedigen schreef hij o.a. "Er is boven deze kerkeraad in de kerk geen enkele hogere macht dan van Christus alleen. De classis en de synode staan, om het met Voetius eens zeer scherp uit te drukken niet boven de kerkeraad, maar beneden hem. Het is niet een opklimmende macht, zodat de kerkeraad de minste macht heeft, de classis en de provinciale een hogere macht en de Generale Synode de hoogste macht. Maar juist omgekeerd een afdalende reeks: de hoogste macht berust bij de kerkeraad daalt die macht af op de classis, de provinciale en de generale synode."

12. In meerdere vergaderingen mogen nooit onderwerpen behandeld worden die in de kerkeraad behandeld kunnen worden - ook al zou een kerkeraad dat verzoeken!
Aan de orde mogen alleen die onderwerpen komen die de gemeenschappelijke stichting en opbouwing van alle kerken betreffen, of betrekkina hebben op gemeenschappelijke noden of behoeften.
Ook mogen ze zich bezig houden met geschillen die in kleinere kring niet konden worden opgelost. Maar ook dit mogen ze alleen doen als deze door een kerk op het agenda van een meerdere vergadering worden geplaatst.
Een meerdere vergadering mag geen enkel onderwerp behandelen dat niet door een plaatselijke kerk haar ter behandeling werd gegeven.

1) Een typerend voorbeeld van de - fatale - invloed van de "leiders" beleefde men in Assen. Ik vroeg indertijd eens aan prof. Ridderbos hoe het toch mogelijk was geweest dat de synode van Assen zèlf dr Geelkerken schorste, wat toch in strijd was met wat in de Geref. Kerken steeds was geleerd. Prof. R. zei toen: Tja, ik dacht ook dat een synode dat niet mocht doen, maar H. H. Kuyper zei dat een synode dat wel mocht doen. En toen heb ik gezegd: "Op jouw gezag dan!" - Zo wordt soms kerkgeschiedenis gemaakt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief