Voorwaarts gericht

1973-11-09
  • Jaargang 17
  • nummer 41
In de kring van redactie en medewerkers van ons blad wordt regelmatig gesproken over de wijze waarop ons orgaan het best dienstbaar kan zijn aan het van de oprichting aan gestelde doel: de Opbouw van het Gereformeerde leven.
De ontwikkeling van het kerkelijk leven heeft met zich mee gebracht dat het merendeel van de lezers behoort tot die vrijgemaakte kerken, die na de beslissingen van de synoden van Amersfoort en Hoogeveen buiten het landelijk kerkverband zijn geraakt en in de beknotting van de kerkelijke gemeenschap die hieruit voortgevloeid is, in ons blad een samenbindend element vinden.
Bij alle erkentelijkheid en dankbaarheid voor het meeleven van de lezers buiten genoemde kerken, zal in het redactioneel beleid voorop hebben te staan een begeleiding van het kerkelijk en christelijk leven van genoemde kerken, te meer nu in de verstrooiing waarin zij ziin geraakt zich een vereenzaming doet gevoelen.

Wanneer bij herhaling de wens wordt uitgesproken dat in voorlichting en informatie het oog wat meer gericht wordt op de toekomst, is ons dit uit het hart gegrepen.
Wanneer ik deze zaak in de rubriek kerkelijk leven ter sprake breng, denk ik daarbij allereerst aan de jeugd die onder ons opgroeit.
Onze jongens en meisjes moeten in eentijd vol geestelijke crisis en verwarring, onder voortdurende beïnvloeding van de geest van onze tijd via scholen, pers en niet te vergeten, de t.v. hun weg zoeken als kinderen van het Verbond in de keus voor hun God en voor het volk van God.
Nu is het slechts mogelijk de blik voorwaarts te richten, wanneer er een zekere overeenstemming is over de richting waarin wij gaan.
Na al de verwikkelingen in het kerkelijk leven die we hebben meegemaakt is het niet verwonderlijk dat die overeenstemming te wensen overlaat.
Het lijkt mij niet mogelijk over een beleid voor morgen na te denken zonder het verleden in rekening te brengen.
Onze gemeenten zijn niet zo maar in de geschiedenis neergeploft en daarom moeten we voorzichtig zijn met vergelijking en met de eerste christen-gemeenten, die maar weinig kerkelijke organisatie kenden in hun verstrooiing.
Het mag even aantrekkelijk lijken om zo vrij in de wei te dartelen, maar we moeten van de nood geen deugd maken en trachten lering op te. doen uit de ervaringen in het jongste verleden, ook uit de fouten die we zelf gemaakt hebben.

Elke week kunnen we lezen dat ons blad bedoelt de opbouw van het gereformeerde leven en daarmede is het punt van vertrek duidelijk aangegeven. Er zijn ons wel eens verwijten gemaakt dat wij ons meer aan afbraak dan aan opbouw van dit leven schuldig maakten en daarom is het een eerste taak van ons blad om aan te tonen dat beschuldigingen van dergelijke aard ten onrechte zijn geschied.
Daarmee is niet gezegd dat we in deze nooit gestruikeld zijn, maar een mens kan fouten maken zonder fout te ziin.
Wanneer we dus naar de toekomst willen zien, zullen we dit moeten doen als kerken die elkaar op genoemd punt: het gereformeerde leven trouw hebben beloofd.
Er is geen lang betoog nodig om aan te geven waar het voor het kerkelijk leven op aan komt, wanneer we ook in de toekomst willen blijven die we zijn.
Onder een gereformeerde kerk verstaan we nog altijd een kerk die de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament houdt voor het énige Woord van God en de volkomen leer der zaligheid en die de op die Schriften gegronde belijdenis in de drie formulieren van enigheid aanvaardt en handhaaft.
Er zou hieraan nog heel wat zijn toe te voegen, met name over het verschil tussen een handhaven van het belijden naar zijn aard en een verstard confessionalisme, maar voor het moment wil ik hiermee volstaan omdat in de onderlinge verhoudingen dit niet het hete hangijzer is.
Zoeken we voor onze kerken een opbouw in gereformeerde zin dan heeft dit ook consequenties voor kerkregering en kerkverband.
Willen we meer aandacht voor de toekomst dan zal er op dit punt klaarheid moeten komen.
Wat de kerkregering betreft zie ik weinig moeiten; in alle gemeenten tref je ambtsdragers aan die samen de kerkeraad vormen.
Het is anders wanneer we spreken over het kerkverband, want er zijn binnen onze kerken zeer te begrijpen aarzelingen op dit punt.
Wanneer kerken binnen vijf en twintig jaar tijds twee maal onder het juk van hiërarchie van synodale vergaderingen zijn doorgegaan met al de ellende van dien is het niet zo vreemd dat de schrik voor synodes diep in de botten zit.
Er zijn onder ons predikanten, vergrijsd in de dienst aan het evangelie, trouw aan de confessie, en toch twee maal in hun leven geschorst of weggeorganiseerd.
Het ligt voor de hand dat na dergelijke, diep in het kerkelijk leven en in mensenlevens ingrijpende ervaringen de gedachte opkomt: dit nooit meer en daarom een radicale ingreep in de regels voor het kerkverband.
Wanneer er dan ook onder ons verschil van inzicht bestaat over de realisering van het kerkelijk samenleven, zou ik allen die ons dit kwalijk nemen willen vragen: "Is er geen reden"?
Daarbij wil ik nog twee dingen opmerken; in de eerste plaats dat er van meet aan binnen de vrijgemaakte kerken verschillende opvattingen waren over de verhouding: plaatselijke kerk-meerdere vergaderingen en vervolgens dat men hier niet moet overdrijven en doen alsof opvattingen als zouden meerdere vergaderingen slechts organisatorische staketsels zijn die het werk van de Heilige Geest in de weg staan, onder ons gemeen-goed zijn, want dit is eenvoudig niet zo.
Waren de buiten generaal synodaal verband geraakte kerken aanstonds overgegaan tot opbouw van een complete kerkelijke organisatie en een eigen theologische hogeschool dan zou dit een consolidatie van de geslagen breuk hebben bevorderd.
Daarom is er niet aanstonds aangedrongen op organisatie; het zou immers kunnen zijn dat wanneer de kruitdamp was opgetrokken en de verliezen waren' geteld een diep verdriet bij de puinhopen tot enige bezinning bij de broeders en zusters van weleer zou kunnen leiden.
Bovendien was in de eerste tijd het gevoelen welhaast algemeen dat er een interim-situatie was ontstaan en de in verstrooiing geraakte kerken zich op één of andere wijze zouden moeten inpassen in wat ik nu maar de gereformeerde gezindte noem, omdat er in ons land wel behoefte is aan herstel van kerkelijke gemeenschap maar allerminst aan nog eens een gereformeerde kerk.
Intussen zijn wij gereformeerd genoeg om te weten dat we van de nood van de verstrooiing geen deugd moeten maken en dat de eenheid die behouden werd ook vorm moet krijgen in een kerkelijk samenleven naar de beginselen van de Dordtse K.O.
Er zijn nu vijf à zes jaar verlopen en op het a.s. convent in Spakenburg komt de zaak opnieuw aan de orde.
In discussie is niet de vraag of we elkaar nodig hebben, want dit staat voor allen vast en een beroep op de broederschap, wanneer er financiële nood is of er gezamenlijk een hulpactie op touw wordt gezet vindt onder ons breed gehoor.
We hebben elkaar echter niet alleen nodig wanneer er financiële moeiten zijn of om samen bepaalde zaken ter hand te nemen.
De eenheid van ons geloof in Christus naar ons belijden moet ook vorm krijgen in het kerkelijk samenleven, waarin we elkaar aanvaarden, elkaar bijstaan en ook op elkaar toezien.
Wanneer ik aldus het pleit voer voor een duidelijke ordening van het kerkelijk samenleven overeenkomstig ons belijden is dit niet een zoeken van organisatie om de organisatie.

Wellicht denkt iemand: geldt dan het argument niet meer dat we in een interim-situatie leven en gaan we nu toch een eigen bolwerk oprichten?
Neen, we zullen m.i. moeten blijven streven naar een invoegen in een breder samengaan, zo mogelijk van allen die bij Gods Woord naar het gereformeerd belijden willen leven.
Laat daarom nergens de indruk postvatten dat een aanvaarden van de regels voor kerkelijk samenleven inhoudt dat wij menen in kleine, knusse kerkjes van gelijkgezinden het ideaal zo ongeveer bereikt te hebben om in dit isolement te volharden.
Maar het feit doet zich voor dat juist uit die gereformeerde gezindte aan ons wordt gevraagd: Hoe staat het bij u met het kerkverband.
We hebben in het Nederlands Dagblad nog altijd een slechte pers, die eventuele onregelmatigheden in onze kerken prompt signaleert.
Dat het geen organisatie om de organisatie wordt kan daaruit blijken dat er nog al wat zaken zijn, die nodig kerkelijk geregeld moeten worden.
Allereerst noem ik de opleiding en begeleiding van de a.s. predikanten, een zaak waarover veel is gepraat, terwijl er weinig van de grond gekomen is, met alle lof voor de mannen-broeders die met deze begeleiding bezig zijn en zich maar moeten redden.
Het moet voor allen een blijde zaak zijn - haast schreef ik een beschamende zaak - dat er in onze kleine kerken-groep meer dan dertig studenten in de theologie zijn.
Het wordt de hoogste tijd dat er een kerkelijke regeling komt voor opleiding, begeleiding, examina enz.
Voor de kerken en de a.s. dienaren van het Woord moet duidelijk zijn welke perspectieven er liggen; daarbij zullen we zuinig moeten zijn op de gaven die er onder ons zijn en er een goed gebruik van moeten maken opdat er niet meer verliezen geleden worden.
Van het vele dat in dit verband te noemen is wijs ik nu alleen nog op de zaken van de liturgie in de erediensten, psalmberijming, gezangen en formulieren, want er moet geen situatie ontstaan waarin ieder doet wat goed is in zijn ogen en elke dominee zijn eigen liturgie heeft.
Er zal bij verscheidenheid een eenheid moeten zijn.
Zo hoop ik dat we weer iets gaan zien en beleven van de zegen van het kerkverband in een samenbinding, die verstrooiing en vereenzaming tegengaat.
Laten we er goed van doordrongen zijn, we hebben elkaar nodig en kunnen niemand missen. Als we even overwegen dat onze kerken met nauwelijks dertigduizend zielen de zorg hebben voor het werk van zes zendelingen; dat één van de kerken, Rijswijk, per jaar bijna f 100.000,- nodig heeft voor evangelisatie en hulp in Spanje; dat er vijftien emeritus predikanten en zeven predikantsweduwen op de S.E.V. zijn aangewezen en dat er nog veel meer is, zal duidelijk zijn dat we alles moeten doen om verdere verstrooiing te voorkomen.
Mocht iemand opmerken dat genoemde hulp niet via kerkelijke vergaderingen tot stand komt, dan weet ik dat zeer wel, maar de gaven voor dit alles moeten worden opgebracht door die kerken, die elkaar trouw hebben beloofd en zich zonder reserves beijveren voor het bouwen en bewaren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief