"KANKERPAVILJOEN"

1973-11-09
  • Jaargang 17
  • nummer 41
Het is niet geheel toevallig dat ik de bespreking van Solzjenitsyn's werk "Kankerpaviljoen" de lezers van "Opbouw" toevertrouw.
In de eerste plaats is de problematiek die in dit boek aan de orde komt - ongeneeslijke ziekten, het lijden, de dood, ethiek en rechtvaardige maatschappijstructuren - hoogst actueel en indringend, omdat de moderne westerse mens voorzover hij zich uitsluitend oriënteert op de huidige stand van wetenschap en technologie, deze vragen niet bevredigend kan beantwoorden. In de tweede plaats is het van belang op te merken dat de vraag naar de zin van het bestaan ook in een communistisch geregeerd land blijkbaar niet langer onderdrukt kan worden.
Wanneer men alleen al het vraagstuk van de dood nader beschouwt, blijkt uit het merendeel van recente publicaties - of het nu gaat om modern-theologische, psychiatrische, ethisch-pedagogische of literairaesthetische visies - dat de dood niet meer is dan h ej eindpunt van een biologisch leven en geen doorgangsstadium naar het eeuwige leven zoals de christelijke geloofstraditie het altijd heeft geleerd.
Dit onontkoombaar lot dient men dan moedig te dragen - waarom eigenlijk, vraag je je af. De katholieke ethicus Sporken zegt dat men zijn eigen dood moet leren sterven - alsof het hier ging om een heldhaftige daad die men in zijn eentje te verrichten heeft ...
Nu men zich allerwegen verstrikt heeft in de netten van het uitzichtloze pragmatistische en materialistische denken, is het bemoedigend, in zekere zin zelfs overrompelend om vanuit de communistische wereld een stem te horen die dwars door de marxistische ideologie heenprikt en vragen stelt die daar lange tijd niet meer gesteld zijn, en hier niet langer beantwoord worden! Het is opmerkelijk dat er binnen de communistische wereld een groeiende beweging gaande is van politieke dissidenten die geflankeerd wordt door hier en daar optredende vormen van messianisme.
Ik wil daar nu niet verder op ingaan, maar het lijkt me zinvol om de overtuiging val! een dezer "dissidenten"
nader te onderzoeken en te peilen of hier sprake is van een geestelijke verwantschap. Het is niet onmogelijk dat door kennisname van andermans levenservaring ons eigen leven wordt verrijkt, juist omdat de marxistische maatschappij structuur van binnenuit wordt gekritiseerd. Misschien is de stelling van Prof. C. Veenhof nml. dat de Sovjet-maatschappij niet is los te koppelen van haar ideologie, eens waar geweest: op mij komt het vandaag over als het intrappen van een open deur. In zijn. algemeenheid is het zo ongenuanceerd, dat het onwaar wordt.

Een dieperliggend motief is echter de persoon Solzjenitsyn zelf geweest.
Wie zijn "open brief" (gepubliceerd in "De Waagschaal", 29 april jl. en "Elseviers Weekblad", 6 mei jl.) kent, zal geneigd zijn "Kankerpaviljoen" te gaan lezen als het werk van een gelovig christen. Zonder dat ik het persoonlijk geloofsleven van Solzjenitsyn ter discussie stel, geloof ik toch dat dit een misvatting zou zijn.
We hebben nu enige jaren de discussie rond de figuur Richard Wurmbrand gevolgd, een discussie die een sterk polariserend karakter droeg nml. enerzijds onverhuld pro-amerikanisme, anderzijds fel anti-communisme.
Wanneer J. Kamphuis de "theologie" van Wurmbrand's boodschap - wat onhandig geformuleerd met: de leer van Richard Wurmbrand - aan een schriftuurlijk onderzoek onderwerpt, laait de discussie fel op. Hoe dieper men graaft, hoe emotioneler het debat en hoe onverzoenlijker de tegenstelling! Het vraagstuk van een legitieme vorm van christelijk belijden in communistische landen is in deze steriele polarisatiesfeer onmogelijk op zinvolle wijze te stellen. En van deze situatie dreigt ook Solzjenitsyn het slachtoffer te worden.
Ik denk bv. aan het nogal reactionaire artikel over Solzjenitsyn van ds J. Meester in de "Kerkbode"
van 8 juli 1972. Wat is het geval?
Solzjenitsyn is door het schrijven van zijn "open brief" aan de communistische marionetten-patriarch Pimen bij uitstek iemand geworden die met gezag kan oordelen over de toestand van de Kertk in de Sovjet-Unie.
Eindelijk dus tóch iemand die de zaken niet zo rooskleurig voorstelt als dr A. H. van den Heuvel, voorlichtingsdirekteur van de Wereldraad van Kerken.
Afgezien van het zwart-wit schema dat hier wordt opgehangen, vind ik het tendentieus en nogal gevaarlijk om iemand als Solzjenitsyn in dit, door de polarisatie verwrongen denkpatroon te dwingen.
Met de bespreking van "Kankerpaviljoen" wil ik een paar dingen proberen duidelijk te maken:
1. Solzjenitsyn wil de socialistische beginselen weliswaar van binnenuit hervormen, maar ziet het socialisme als zodanig toch als een historische noodzaak waarachter men niet meer terug kan.
2. Solzjenitsyn koestert geen enkele verwachting aangaande de heilbrengende kracht van het christelijk geloof. Het Christendom is hoogstens een traditionalistisch overblijfsel uit de periode voor de Russische revolutie zonder verdere inhoud.
3. Het liefdebeginsel "van waaruit mensen leven", dat zowel in persoonlijke relaties als in maatschappelijke verhoudingen fungeert, kan met de beste wil van de wereld niet christelijk, maar wel ethisch humanistisch genoemd worden.
Het is misschien zinvol om vanuit dit gegeven met andere ogen Solzjenitsyn's "open brief" te bezien.
Wanneer men geneigd zou zijn om Solzjenitsyn (evenals Wurmbrand) te zien als de spreekbuis bij uitstek voor het standje "zegenrijk christelijk geloof contra verderfelijk communisme", dan stel ik daar tegenover dat het feit dat Solzjenitsyn wel of niet in een persoonlijk God en in het zoenoffer van Jezus Chistus gelooft mij niets zegt: het gaat er namelijk om wat hij daarvan in zijn literair werk als boodschap aan ons uitdraagt.
Laat ik daarom met de bespreking van het werk zelf beginnen.
Vanuit christelijk standpunt zou men in dit werk van Solzjenitsyn drie kernmomenten kunnen onderscheiden waarover het een en ander gezegd wordt, zij het dat er lang niet altijd een duidelijk antwoord uit gedestilleerd kan worden. Centraal staan m.i. echter de volgende punten:

1. leven en dood
2. het lijden
3. de rechtvaardigheid


Leven en dood

Over de dood als zodanig laat de schrijver geen misverstand ontstaan: de dood is het eindpunt van het leven. De dood is steeds de grimmige achtergrond van het 'leven' dat zich afspeelt in het kankerpaviljoen. Het over en weer argumenteren in de ziekenzaal schijnt Kostoglotov toe als een 'rondbaggeren in een moeras' - het is niets vergeleken bij de op hen loerende dood. (11. 117) Alle mensen die in het kankerpaviljoen worden behandeld zijn op zijn minst de moeilijkst geneesbare gevallen. Sommigen overlijden hier, maar de meesten stuurt men voortijdig naar huis wanneer geen uitzicht op genezing meer bestaat, omdat het zo beter uitkomt voor de statistieken.
Het socialisme heeft geen antwoord op het probleem van de dood. Men wringt zich in allerlei partij ideologische bochten om vooral eervol en vaderlandlievend te blijven tot in de dood, maar de knagende angst die steeds op de achtergrond aanwezig is kan niet ontkend worden. De dood is niet alleen onvermijdelijk, maar ook zinloos, want van de mens zelf blijft niets bestaan.
Shulubin heeft een antwoord op het sterven gevonden: 'Soms voel ik heel duidelijk, dat wat in me zit niet alles is. Er is nog iets, iets subliems en volkomen onverwoestbaars, een of ander nietig fragmentje van de universele geest'. (I1. 183) Ook Kostoglotov zoekt naar contact met iets anders, iets zuivers en onwrikbaars, maar weet niet waar dit te vinden is. (I1. 117) In zekere zin zijn dit uitzonderlijke gedachten, want, zelfs de oude en vriendelijke arts Oreshchenkov schuift het probleem van de dood zonder meer van zich af wanneer hij zegt: 'Ik ben besloten, nooit ziek te worden voor ik sterf. Ik geef gewoon de geest, zoals ze dat noemen'. (11. 133) In het kankerpaviljoen wordt het spreken over de dood vooral gemeden door de artsen die de opdracht hebben gekregen om het beestje niet bij de naam te noemen, maar de patiënten met nietszeggende algemeenheden in het gareel te houden. Wanneer een der leidende arstsen, Donstova, zelf ziek wordt en een tumor vermoedt, stort dit optimistische bouwwerk geheel ineen op het moment dat zij beseft dat zij geopereerd moet worden en de leiding uit handen moet geven, kortom niet langer onmisbaar is in het ziekenhuis.
Op het moment dat ze het bestaan van de ziekte had erkend, was ze erdoor vertrapt als een kikker onder een voet. Zich aanpassen aan de ziekte leek eerst onverdraaglijk. Haar wereld was gekapseisd, haar hele bestaan uit zijn voegen gerukt. Dood was ze nog niet, maar haar man, haar zoon en dochter had ze al moeten opgeven. .. in een enkele dag moest ze alles opgeven en lijden, als een bleekgroene schim, die lange tijd niet zou weten, of ze onherroepelijk moest sterven, of zou terugkeren tot het leven.' (II. 151) Ook de andere artsen zijn enigszins geschokt door deze overgang.
Oreshchenkov had van de resolute en onverzettelijke Dontsova in een dergelijke beproeving meer kracht verwacht. Het feit dat zij ineenstort bevestigt zijn mening dat de moderne mens hulpeloos staat tegenover de dood, omdat hij geen enkel wapen heeft deze tegemoet te treden. (II. 153) Kostoglotov is in twaalf dagen tijd door bestraling veranderd van een toestand waarin hij psychologisch de dood reeds had overschreden, maar fysiek nog vegeteerde, in een toestand waarin zijn hartstochten weer tot leven zijn gekomen. Hij wil nu alles van zijn behandeling weten en wat zijn vooruitzichten zijn, omdat hij de beslissing of hij verder behandeld moet worden in eigen hand wil houden. ('Zijn gezicht was dat van een man die door alle denkbare lijden was heengegaan. Achter hem lag nu de diepe ellende, maar vóór hem ook geen enkel uitzicht op iets beters.' (I. 43) Voor zijn verdere genezing moet hij een hormoon therapie ondergaan die weliswaar zijn libido intact zal laten, maar zijn sexueIe potentie zal ondermijnen.
De medische poging om het leven van Kostoglotov te redden gaat dus gepaard met de blijvende schade die hij door de behandeling zal oplopen. Is een dergelijke medische behandeling ethisch nog verantwoord? (I. 244-245) Het verpleegstertje Zoya beseft de 'onmenselijke' consequenties van deze hormooninjecties en dient ze ook niet toe, niet in de eerste plaats omdat zij er een hogere medische ethiek op na houdt, maar omdat zij in Kostoglotov een mogelijke toekomstige echtgenoot ziet, die beschikt over standvastigheid en ruggegraat die zij nog bij geen enkele andere man heeft aangetroffen.
De arts Vera Kornilyevna Gangart (Vega) ziet in Kostoglotov aanvankelijk een proefpersoon die haar dissertatie waardevolle gegevens kan verschaffen.
Terwille daarvan drukt zij een barbaarse behandeling (II. 160) door en omzeilt zij steeds de lastige vragen van Kostoglotov die van moment tot moment wil weten wat er met hem gebeurt.
Het is hun liefdevolle vriendschap die het verloop van de medische behandeling volledig transcendeert en in een ander daglicht zet.
Het is Kostoglotov zelf die zich bewust door Vera, en door niemand anders, verder wil laten behandelen. (II. 96) Zo schijnt het antwoord wat Solzjenitsyn geeft op het probleem van de dood niet een tegen beter weten in volgehouden medische behandeling te zijn, maar de liefdevolle genegenheid die tussen mensen (in dit geval de relatie dokter-patiënt) kan ontstaan en een uitgeblust leven nieuwe levensmoed en energie kan geven.
Het is de menselijke genegenheid die het levenseinde, zelfs wanneer de dood in het verschiet ligt, zinvol maakt.

In het hoofdstuk 'Waaruit mensen leven' (I. 101-112) komt de losbol Yefrem tot bezinning wanneer hij om een einde te maken aan zijn grove taal en geweeklaag door Kostoglotov gedwongen wordt enkele verhalen van Tolstoj te lezen.
Yefrem komt tot het besef dat hijzelf de schuld is aan alle problemen in zijn leven en dat hij vrouwen ten onrechte als minderwaardige wezens, die je wel gebruikte maar vervolgens in de steek liet, heeft behandeld. (I. 109) Hij stelt de ziekenzaal dan de vraag 'waaruit mensen leven' en krijgt een scala van antwoorden, die hem overigens geen van alle bevredigen: lucht, water, voedsel, loon, vakmanschap, vaderland, ideologische principes, de belangen van de gemeenschap. Yefrem heeft echter geleerd dat de mens leeft vanuit de liefde voor de medemens. Deze wijsheid zal hem niet meer loslaten.
Een ander aspect van de liefde belicht Solzjenitsyn in het jonge meisje Asya die tot de naïeve Dyoma zegt: 'Liefde is van ons, voor altijd. En liefde is vandaag.
Luister toch niet naar het geleuter van de mensen of dit zal gebeuren of dat. Liefde is het enige.' (I. 136) Diezelfde Äsya ziet haar droom van de onwankelbare liefde ineenstorten wanneer zij hoort dat haar ene borst geamputeerd moet worden. Niemand zal haar nu nog als vrouw begeren. In een wanhoopsgebaar biedt zij Dyoma als enige, en laatste, haar borst aan om deze te kussen. Op deze wijze kan, in de herinnering eraan althans, haar schone lichaam blijven bestaan. (11. 102) Uit de brieven die Kostoglotov aan het einde van zijn medische behandeling schrijft aan Zoya en de arts Vera, blijkt welke levensvatbaarheid Solzjenitsyn de liefde toekent. Door Zoya heeft Kostoglotov iets van het ware leven geproefd, maar zijn impulsen waren toch tezeer van seksuele aard dan dat ze van blijvende waarde konden zijn. Kostoglotov neemt afscheid van Vera omdat de innige band van genegenheid gefrustreerd zou zijn door lichamelijk gemis.
Het ene zowel als het andere horen bij elkaar, aandrift en genegenheid zowel als lichamelijke bevestiging ervan. Het feit dat Kostoglotov geen compromis sluit, wat hij naar menselijke maatstaven gerekend zeker had gedaan, laat zien hoe hoog en van hoeveel waarde Solzjenitsyn de liefde acht. Maar daarin ligt juist ook het schrijnende tekort. De hoge eisen die aan menselijke relaies worden gesteld blijken onrealiseerbare idealen te zijn waar mensen niet aan kunnen voldoen.
We zien dan ook dat Kostoglotov zich met een dosis scepsis bewapent en alle omstandigheden van het leven tegen elkaar afweegt en de uitdaging tenslotte niet aandurft.
Het risico is te groot.
In Christus weten wij echter ook dat een dergelijke spanning niet op ons individuele, noch op ons huwelijksleven drukt, maar dat de menselijke relatie zijn vervulling vindt in Christus, hetgeen een onnatuurlijke spanning ervan afneemt en waarachtig vrijmaakt.
De menselijke relatie moet zich niet tegenover Christus waarmaken, maar is in Christus waargemaakt.
Dat behoeven wij niet meer zelf te doen, maar dit mogen wij als een genade dankbaar aannemen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief