Boekbespreking

1973-11-09
  • Jaargang 17
  • nummer 41
Schepping of evolutie

Honderd jaar na Darwin is de kwestie schepping of evolutie weer opgelaaid in Amerika waar in 1972 de beroemde National Academy of Science zich met de controverse ging bemoeien. In ons land is de kwestie wat jaren eerder in de kring van gereformeerden naar de voorgrond gekomen door publikaties uit de zestiger jaren van de hand van de bioloog van de Vrije Universiteit prof. dr J. Lever. Vergeleken met vroegere publikaties die dit onderwerp raakten, is Lever in de zestiger jaren een koers gaan varen die heel scherp ligt in de richting van de evolutietheorie als de theorie tot wetenschappelijke verklaring van het ontstaan van de aarde en de mens. Zij het dat hij van zijn kant niet bedoelde evolutie tegenover schepping te zetten. Lever staat de gedachte voor dat de Schepper al het geschapene heeft voortgebracht, maar op de weg of op de wijze van een volledige evolutionaire wording, zo volledig dat het biotische leven, ja ook de hogere levensvormen zouden zijn voortgekomen uit een oercel.
Zoals bekend zijn de evolutionisten verdeeld met betrekking tot verschillende vragen. Een klein aantal behoort tot de zogenaamde "theïstische evolutionisten". Deze willen achter het evolutieproces de hand van God zien. Tot deze groep moeten we Lever rekenen. Het grootste deel van de evolutionisten gelooft dat evolutie een volkomen natuurlijk proces is dat niet noodzakelijkerwijze van buitenaf of door een goddelijke daad behoeft te worden geleid.
Het proces van de wording is begonnen als "vanzelf" en het gaat "vanzelf" verder. Het behoeft geen betoog dat deze konsekwente evolutionisten atheïsten zijn. Een christen moet onwillekeurig denken aan wat Paulus heeft geschreven over mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onderhouden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard.
Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien.
Naar onze mening is een theorie tot wetenschappelijke verklaring van het ontstaan van de aarde en van het heelal een onmogelijke zaak.
Zo'n theorie zal nimmer kans van slagen hebben omdat de Oorsprong zich ontrekt aan wetenschappelijk onderzoek, Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord van God is tot stand gebracht, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare. Niet door wetenschappelijk onderzoek komen we tot het verstaan dat de wereld door het Woord van God is tot stand gebracht.
Evenmin !komen we door wetenschappelijk onderzoek tot het verstaan dat de wereld niet door het Woord van God tot stand gebracht is. Die wetenschapsmensen, die van mening zijn dat op grond van wetenschappelijk onderzoek moet worden vastgesteld, dat God en Zijn Woord niets met ontstaan en wording van wereld en heelal te maken hebben, beweren meer dan zij kunnen waar maken. Zij gaan bij hun wetenschappelijk onderzoek uit van de aan hun wetenschappelijke werken ten grondslag liggende vóórwetenschappelijke vóóronderstelling, dat God niet met de wording van wereld en heelal te maken heeft.
Deze onderstelling ds geen resultaat van wetenschappelijk onderzoek, maar een stelling die aan hun wetenschappelijk werken vóóraf ging en er een uitgangspunt van vormde in plaats van een resultaat achteraf.
Met het oog op deze stand van zaken sprak dr A. Kuyper op het eind van de vorige eeuw over het "evolutie-dogma". Hij deed dat in zijn rede gehouden bij de overdracht van het rectoraat van de Vrije Universiteit op 22 oktober 1898. Onze negentiende eeuw sterft weg onder de ,hypnose van het evolutie-dogma. Dit was de eerste zin van deze rede.
Van de hand van ds J. C. Janse van Velp is een brochure verschenen onder de titel "Tirannie van 'het Evolutionisme". 1) Het eerste hoofdstuk vangt aan met deze eerste zin van de rede van Kuyper uit 1898. Met de term "evolutionisme" wordt het evolutie-dogma bedoeld. Het geloof in het evolutie-proces dat het geloof in het woord der Sdhriften heeft vervangen.
De brochure is een enigszins nader uitgewerkte lezing, die ds Janse in 1969 heeft gehouden voor de jaarvergadering van de Vereniging van Gereformeerde Onderwijzers en Leraren in Nederland.P) De schrijver spreekt in z'n "verantwoording" de wens uit dat de lezing moge aansporen tot een ernstig rekenen met de zakelijke mededelingen van de Schrift inzake schepping, zondeval, zondvloed en verdere oordeelsrampen èn met het komend eindoordeel.
In het eerste hoofdstuk geeft ds Janse duidelijke informatie inzake het standpunt van prof. Lever, de bioloog van de Vrije Universiteit en tevens van het standpunt van dr H. M. Kuitert, hoogleraar in de theologie aan dezelfde universiteit, met betrekking tot deze dingen. De theoloog ging zover dat hij schreef dat de kerk van alle eeuwen zich vergiste toen ze geloofde, dat het in Genesis ging over weergave van gebeurtenissen die werkelijk hebben plaats gehad. blz. 10. Mijns inziens een stelling die de eerste hoofdstukken van Genesis als openbaring volkomen uitgeschakeld heeft. Dat is kras voor een christen. Ik kan mij voorstellen dat christenen kunnen verschillen over de vraag wat het karakter is van de "weergave" van de gebeurtenissen In de eerste hoofdstukken van Genesis. Maar om de stelling voor te staan dat het in Genesis niet gaat over de weergaven van gebeurtenissen die werkelijk hebben plaats gehad, gaat veel verder dan Berkouwers uitspraak ergens, dat de Schrift geen informatie zou geven. Berkouwer bedoelt waarschijnlijk geen vakwetenschappelijke informatie. Janse stelt daartegenover dat de Schrift zakelijke mededelingen geeft inzake schepping, zondeval, zondvloed en verdere oordeelsrampen. Ook inzake het komende eindoordeel.
Het komt me voor dat dit punt het eigenlijke punt is waarom de brochure wil draaien. Het komt mij ook voor dat wij hier bij het punt zijn waar de grenzen liggen tussen wat men dn de vorige eeuw vrijzinnigheid noemde en schriftgelovigheid.
Als men zegt van "Mozes" boeken, dat er geen relatie is tussen de inhoud ervan en de werkelijkheid, dan zegt men het natuurlijk ook van de andere profetische geschriften in het oude testament en van de evangelieën en van de geschriften van de apostelen. Men kan daar niet aan ontkomen. A:ls men zegt van 'bepaalde stukken uit de brief van Paulus aan de Romeinen bijvoorbeeld, dat de apostel dat nu wel zegt, maar - "ik denk daar anders over" - dan heeft men het geloof der christelijke kerk in het geopenbaarde Woord als een vergissing gebrandmerkt en dat niet alleen met betrekking tot Genesis, maar met betrekking tot de hele openbaring. Men moet niet wanen dat men Genesis kan isoleren in dit opzicht van het geheel der Schriften als de openbaring van de levende God.
Het opheffen van de relatie tussen de inhoud van het bijbelwoord en de werkelijkheid is essentiëel breken met het geloof der christelijke kerk dat God zich heeft geopenbaard in het profetische woord dat zeer vast is.
Het evolutie-dogma raakt niet alleen de wording van de zogenaamde "stoffelijke" dingen, het raakt heel de christelijke levensvisie. Ds Janse heeft dit duidelijk gemaakt. Ik ben van mening dat hij daar goed geslaagd is. Men kan op onderdelen van hem van mening verschillen terwijl men wat de zaak aangaat het helemaal met het eens is. Een geschrift dat de moeite waard is om bestudeerd te worden door allen die zich door het evolutie-dogma in het nauw gebracht 'gevoelen. Men behoeft niet z’n toevlucht te nemen tot anti-evolutionistische gedachten als die van katastrofisten. (De laatste van deren is in onze eeuw Velikofski.) De evolutietheorie als wetenschappelijke verklaringstheorie voor de wording van wereld en heelal vertoont vele hiaten. Dit wordt van de zijde van sommige vakwetenschapsmensen op wetenschappelijke gronden duidelijk gesteld.
Ik noem hier alleen de naam van dr G. A. Kerkut, hoogleraar in de fysiologie en de bioclhemie aan de universiteit van Southampton in Engeland. Kerkut heeft in zijn boek "Implications of Evolution" 3) gesteld dat in onze tijd de evolutietheorie de middeleeuwse kosmologie en het middeleeuwse bijgeloof heeft vervangen en dat in onze tijd deze theorie als de erkende waarheid wordt aanvaard. Vroeger, zo zegt hij, werden serieuze studenten in de natuurwetenschappen op een theologisch diëet gezet. In geval van twijfel beriepen zij zich op theologische of kerkelijke autoriteiten. Hij schrijft dat de student van onze dagen geen haar beter is. Hij is nog steeds dezelfde werkezel die de opinies van anderen slikt. In dit opzicht verschilt 'hij geen jota van de student uit vroeger tijden, die zijn dogma's prevelde. De student van onze dagen - aldus Kerkut accepteert de evolutietheorie als een vaststaand feit en ,,bauwt als een papagaai de opvattingen van de huidige aartsbisschop van de evolutie na".
Janse bespreekt in zijn brochure enkele hiaten in de evolutietheorie zoals de kwestie van de mutaties.
Hij geeft in het tweede hoofdstuk een beschrijving van de Opperste Wijsheid naar Spreuken 8 en volgt daarin het betreffende stuk van wijlen A. Janse in "Van de rechtvaardigen", 2e dr. 1962. (Eerste druk 1931). In het derde hoofdstuk stelt hij de vraag aan de orde: wat is er gebeurd? en in het vierde en laatste hoofdstuk de vraag is er wel een opgaande lijn in de voortgang van aarde en mens zoals de evolutieidee stelt?

J. Meester

1) J. C. Janse, Tirannie van bet Evolutionisme. Uitg. stichting reformatorische boeken. In samenwerking met firma Wesdijk en Liebeek te Barendrecht; 1971. Prijs slechts f 3,50.
2) Omstandigheden buiten toedoen van de redaktie gelegen Zijn de oorzaak dat dit geschrift zolang op aankondiging heeft moeten wachten.
Ondergetekende staat daar helemaal buiten!
3) limplications of Evolution, Pergamon Press. International Series of Monographs in Pure and Applied Biologie. Zoology Div. Vol. 4, Oxford, London etc.; repro 1965.
In hoofdstuk 10 concludeert dr Kerkut met betrekking tot de deugdelijkheid van de verschillende konsekwenties van de evolutietheorie dat de waarschijnlijkheid van de meeste onderstellingen nog steeds ontbreekt.
Hij beredeneert dit dan ten aanzien van 7 van deze onderstellingen.

J.M.

Vroeger was "fietsen op zondag" in gereformeerde kring een heet hangijzer.
Om van het autorijden maar te zwijgen. In verband met de "autoloze" zondag, wordt tegenwoordig reklame gemaakt voor fietsen op zondag. De groningse ekonoom prof. Pen verdedigde vorig jaar op een sociologenkongres, dat de sociologen manipulatietechniekjes zouden moeten uitvinden om de mensen uit de auto en op de fiets te krijgen.
De meeste mensen vinden het heel begrijpelijk, dat het autorijden op zondag afgeremd moet worden. Als het maar niet te lang duurt. Maar ja, dat zal wel niet. Na verloop van tijd kunnen wij dus weer rustig onze gang gaan ... Rustig? Nee, dat gaat niet meer!
Het gemotoriseerde verkeer levert een aanzienlijke bijdrage tot de vervuiling van het milieu. Het woord "vervuiling" moeten wij tamelijk ruim nemen. Het gaat niet alleen om de uitlaatgassen, die de natuur bederven en het leven van dieren en mensen bedreigen.
Steeds worden wegen verbreed en nieuwe aangelegd. Zeker in een klein en dichtbevolkt lallid als Nederland wordt het landschap hierdoor ernstig aangetast.

Terecht heeft prof. E. Schuurman onlangs op een congres van de Stichting Milieuzorg gepleit voor een auto-vrije-zondag. Zijn voorstel had niets met de lastige Arabieren te maken, die aan hun oliekraan zitten te sleutelen. Hij wordt geïnspireerd door de bijbelse gedachte, dat niet alleen de mens, maar de hele schepping tijden nodig heeft om “op adem” te komen. Wij zijn in de westerse wereld bezig de natuur uit te buiten. Wij plegen roofbouw. De bijbel ziet de mens als rentmeester, die Gods schepping mag beheren en tot ontwikkeling mag brengen. De mens is tegenover zijn Opdrachtgever verantwoording schuldig. Bederven van de schepping, laat staan vernietigen, is ongeoorloofd.
Het is daarom geen wonder, dat de christelijke partijen in ons land het milieubeheer als één van de belangrijkste problemen van deze tijd zien. Dit is bij de PvdA, PPR en D’66 niet minder het geval.
In de bijbel wordt de natuur regelmatig in bescherming genomen. Bijv. wanneer het volk Israël oorlog voerde mocht het “het geboomte” niet vernietigen (Deut. 20:19). De dieren spelen zelfs zo’n belangrijke rol, dat Ninevé niet verwoest wordt vanwege o.a. het vele vee in de stad (Jona 4:11).
Er is veel te gemakkelijk en oppervlakkig omgesprongen met de gedachte dat de mens “de kroon der schepping” is en dat de planten en de dieren tot zijn beschikking staan. Eerbied voor de natuur en voor alle leven is een voorschrift van God. De bijbel neemt de natuur in bescherming. Juist in deze tijd, moet het tot ons doordringen, dat het milieubeheer één van de belangrijkste taken is. En er zal heel veel voor nodig zijn om dit op de juiste wijze aan te pakken. Ook zonder oliekrisis moet het pleidooi van Schuurman voor een auto-vrije zonder oliekrisis moet het pleidooi gens is dit voorstel nog maar een heel klein begin, maar we moeten toch ergens beginnen.
De redaktie kreeg enkele publikaties toegezonden, die betrekking hebben op de milieuverontreiniging en op de christelijke visie op de schepping en de plaats van de mens in de wereld.

Allereerst dr M. Basilea Schlink, Milieubedreiging . .. leven of dood.
(Uitgave Stichting Vrienden Evangelische Marienschwesterschaft, Slotmansweg 8, Nijverdal) In deze brochure van 72 blz. biedt zij veel informatie over de ernst van het milieubederf: over de vis- en 'vogelsterfte; over verkeersagenten in Tokio, die na vier uur in het verkeer gestaan te hebben, naar het bureau moeten om zuurstof uit flessen te inhaleren; over rivieren als riolen; over vergiftiging door DDT en de daardoor ontstane ziekten (bloed-, beender- en longkanker).
Het bijbelse “bekeert u”, wordt aan het eind van deze brochure uitgewerkt i.v.m. de bestrijding van de milieuverontreiniging. Soms lijkt het alsof bijbelse oproepen in de loop van de tijd steeds meer en klemmender betekenis krijgen. Dat trof mij vooral tijdens het lezen van “Milieuverontreiniging en de dood van de mens” van F.A. Schaeffer. (Uitg. Buijten & Schipperheijn. Amsterdam, 1973. 109 blz. f. 7,90)
Schaeffer hekels een christenheid, dat zijn oorsprong en de Schrift niet meer verstaat. Ook moderne theologieën neemt hij onder de loep, omdat zij de mens doen ontsporen. De schrijver wil zijn lezer leren met welke houding een christen in deze wereld moet staan. Hij schrijft dit alles onder het devies van Romeinen 8: de schepping lijdt door onze schuld en ziet met reikhalzend verlangen uit naar het openbaar worden van de zonen Gods.
Dit boek van Schaeffer over de milieuverontreiniging is eigenlijk een vervolg van een reeds eerder door hem geschreven boek “de dood over de stad” (Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1971.)
Een bezwaar tegen het schrijven van Schaeffer is, dat hij wel eens te gladjes over problemen heen glijdt.
Het voordeel is natuurlijk dat hij een grote lezerskring kan bereiken en daar gaat het hem om.
Schaeffer, de man van L’ABRI, Zwitserland, is iemand die er blijk van geeft zijn tijd te verstaan. Hij schrijft niet over abstrakte beginselen, maar spreekt al schrijvende de mens van de tijd aan; een mens die vaak in diepe geestelijke nood zit en wiens diepste vragen onbeantwoord blijven. Kunstenaars geven daar blijk van. Ook Nevil Shute in haar boek “On the Beach” en Huizenga in zijn “geschonden wereld”. Zij allen schetsen een wereld waarin bommen vallen en dreigen te vallen, de verkeerslichten doen het nog, de reklamelampen flitsen en de motoren draaien nog, maar de geest is geweken. De mens heet immers mens, maar hij is naar zichzelf op zoek en naar zijn plaats in deze wereld. Hij weet niet meer waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat. Het milieu wordt verpest. Waar haalt de moderne mens de geestelijke spankracht vandaan om in het proces van zelfbezinning zichzelf weer te ontdekken en zijn taak te zien in het zo urgente probleem van het milieubeheer.
De grootste verdienste van Schaeffer is m.i. dat hij als christen niet alleen zijn tijd begrijpt, maar dat hij steeds weer in gesprek is en blijft met niet-christenen. Hij spreekt “de man zonder bijbel” aan. Hij heeft wat te zéggen!

H.E.S.W.























Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief