Persschouw
1973-11-09
Kerk en Israël Er is onder de Christenen in ons land grote onzekerheid ten aanzien van de houding die zij ten opzichte van het Joodse volk, naar uitwijzen van het Evangelie, behoren aan te nemen. Ik wees daar verleden week reeds op. En in de kranten van de laatste dagen is dat nog weer duidelijker geworden. Ik wil daarom hier een paar uitspraken daarover opnemen die ons wellicht in deze verder kunnen helpen.- Jaargang 17
- nummer 41
Het eerste is uit het Friesch Dagblad.
Er stond boven "Verlegenheid".
Hier volgt het.
Verleden week heeft een inzender uit Zeist in een ingezonden stuk in ons blad zijn grote verwondering te kennen gegeven over de z.i. zonderlinge preek, die hij over het belaagde Israël had moeten aanhoren. Het méést zonderlinge van die preek was de erkenning, dat deze bedienaar van het Goddelijk Woord naar eigen erkentenis eigenlijk helemaal niets over Israël te zeggen had. Iets dat hout snijdt wel te verstaan in een préék. Dit geval staat niet op zich zelf. Toen de oproep van "de kerken" werd gepubliceerd, om giften te zenden voor de hulp aan Israëlische en Arabische slachtoffers, voegde een van de kerkelijke leiders daaraan toe, dat het voor de kerk onbelangrijk is, wie de schuldige is. Wie de aanvaller is. Wie het recht aan zijn zijde heeft. De kerk helpt overal, waar nood is, en daarmee uit.
Wij hebben ons verwonderd over deze opmerkelijke "neutraliteit" van de zijde van kerkelijke leiders. De 'gemeenten schuiven wij daarbij niets in de schoenen. Een van de leiders, ds Van Dijk van Amersfoort, erkende zèlf, dat de gemeenten nogal sterk bij Israël "betrokken zijn". En dat is zo. Wij herinneren maar weer aan het bijkans gevleugelde woord van de heer Aantjes: ons hàrt is bij Israël.
Wij hebben dit weekeinde nagedacht over de vraag, hoe het komt, dat "de kerken", dat wil zeggen degenen, die voor de boodschappen, verklaringen, statements enz. zorgen, die zij op naam van de kerken schrijven, toch tot deze opmerkelijke eenzijdigheid zijn gekomen. Terwijl zij anders héél gauw en héél beslist zijn met hun mening. Over alles, wat in Zuid-Amerika, in Noord-Amerika, in Afrika en in Australië ,gebeurt. Toen John Kennedy, die zij intussen ná zijn dood min of meer hebben gecanoniseerd, Rusland voor de keus stelde: oorlog óf ophouden met het nestelen in Cuba voor de deur van Amerika, toen wisten de leiders van de Wereldraad de volgende morgen onmiddellijk, dat de kerk tegen Kennedy moest protesteren.
En zo zijn er meer krasse voorbeelden te noemen.
Maar toen Israël in een strijd op leven en dood was gewikkeld, toen wisten dezelfde weleerwaarde heren het opeens niet meer.
Hoe kwam dat zo?
Wij menen het antwoord heel goed te weten.
In al die andere oordeelvellingen ging het om politieke uitspraken, alléén maar politieke uitspraken, gebaseerd op een stevig of ook wel wrak bouwsel van politieke informatie en opvattingen.
Maar als iemand "namens de kerken" over Israël en zijn strijd om het land der vaderen wil oordelen, dan kan hij niet om de Bijbel heen.
En dus raakt hij in verlegenheid. En weet niet meer, wat hij zeggen moet. Hij kan nog wel zeggen, dat hij het niet mooi vindt, dat de Arabieren juist op de Grote Verzoendag aanvielen. En ook wel, dat Israël nu eindelijk eens een veilige vrede zou moeten hebben. Maar dat leest de gemeente ook wel in De Telegraaf of Het Parool of in andere kranten uit Amsterdam. Daar is een boodschap van de kerken in dit geval niet voor nodig. De gemeente zou wel graag willen horen, hoe het gehele verschijnsel en het vraagstuk Israël moet worden gezien bij het licht van de Heilige Schrift. Zij zou wel eens een goede "verkondiging" willen horen op de basis van een drietal zeer ter zake doende hoofdstukken uit de brief van Paulus aan de Romeinen. In enkele gemeenten is dat inderdaad gebeurd, in een preek. En wij hebben respect voor een prediker, die dat opbrengt.
Maar wij begrijpen best, dat zulks voor hen, die door de kerken speciaal zijn afgezonderd, om periodiek iets te zeggen over alles, wat er tussen Kaap Hoorn en de Beringstraat gebeurt, voor zulk een studie niet de aangewezen autoriteiten zijn.
En omdat zij nu eenmaal, hoe lastig dat ook moge zijn, bij het spreken over Israël niet om de Bijbel heen kunnen, zijn zij voor ditmaal, maar ook alléén voor ditmaal, maar ondergedoken in de neutraliteit.
Nu laat ik volgen een paar uitspraken van de bekende theoloog en zendingsman Prof. dr H. Kraemer.
Ze werden geschreven in de bezettingstijd. Onder het oog van de duitsers. Toen de Jodenvervolging begon. Hij deed het met het risico van het leven, op zijn minst van het concentratiekamp. Hier is het eerste:
"Nu het Joden-vraagstuk een brandend-actueel vraagstuk in het leven van vele volken is, gebeurt er iets zeer opmerkenswaardigs, Het plaatst ineens ieder mens en iedere samenhangende mensengroep vlak voor de fundamenteelste vraag die gesteld kan worden. Als een pistool op de borst richt zich tot ieder mens en tot iedere mensengroep, die haar eenheid in een zeker geestelijk beginsel vindt, de vraag naar het gehalte en de inhoud van zijn geestelijke geloofsbrieven.
Wanneer op drastische wijze de plaats en het recht der Joden temidden der volken aan de orde wordt gesteld, blijkt - let op dit merkwaardige! - ieder onmiddellijk en onontkoombaar aangestaard te worden door de vraag naar wat hij zelf in diepste instantie geestelijk is en wenst te zijn. Zeker, ook het sociologische probleem, dat de Joden door hun inwonen bij andere volken belichamen, komt hier aan de orde, maar ieder van ons komt toch vóór alles te staan voor de vraag naar de zin en het doel van zijn leven en met hét leven, de vraag naar zijn diepste levensfundament en zijn hoogste doelwit. Men kan nog het beste zeggen - want daarom wentelen al die vragen ieder staat ineens voor de allesbeheersende levensvraag: wie is God?
Wie is Uw God? ..
Wanneer dit gevraagd-worden naar gehalte en inhoud van de geestelijke geloofsbrieven iedereen geldt, dan geldt dit zeer gebiedend de Christen en de Christelijke Kerk.
Wij volstaan met hier vast te stellen dat, wanneer het Joodse volk uiterlijk en innerlijk deerlijk wordt aangevochten, de Christelijke Kerk en de individuele Christen voor dit volk hebben te staan in woord en daad. De Kerken hebben, door haar woord hierin met onmiskenbare duidelijkheid te spreken, aan haar leden de enige weg gewezen, die voor de Christen begaanbaar is.
Geen Kerk en geen Christen mag dit echter doen zonder dat zij zich tevens weet te liggen onder de last van een tweevoudige schuld. Ten eerste de zware schuld dat de Christelijke Kerk zelve meer dan eens in het verleden lijden en diepe nood over het Joodse volk heeft gebracht.
Ten tweede, de niet minder zware schuld, dat de Christelijke Kerk in het verleden en heden menigmaal totaal blind is geweest voor het raadsel van het Joodse volk, voor het goddelijk mysterie dat achter en in het bestaan van dit volk ligt. Wij Christenen van de huidige dag staan allen schuldig aan dit laatste. De gebeurtenissen, die wij thans beleven, zijn een oproep Gods om van blind ziende te worden."
Hierna gaf Kraemer een aangrijpende, magistrale uiteenzetting van Rom. IX-XI. Die beëindigde hij met deze woorden: "Romeinen 9-11 zeggen ons twee dingen. Het eerste is: God, de levende God, die geen offerande, maar gerechtigheid eist, is de enige Heer, de enige Machthebber der geschiedenis.
Hij en Zijn Woord kunnen ons alleen leren welke de normen.
van ons denken en handelen moeten zijn. Het tweede luidt: God, de Heer der geschiedenis, ook van onze hedendaagse geschiedenis, heeft Zijn bedoeling met het volk der Joden, dat trots venharding en verwerping Zijn uitverkoren volk blijft en onmisbaar is in de ontknoping van Zijn heilseconomie der toekomst.
Als een telken Gods verkeert dat volk onder ons in al zijn raadselachtigheid.
Als een teken, Gods hebben wij Christen het te eerbiedigen en ermee om te gaan.”