ONZE ENIGE GEZANGEN
1973-11-16
Zullen we nu nog even verder gaan met de melodieën van onze enige gezangen? Het is ons gezamenlijk kerkelijk bezit en het kan goed zijn ons daar op te bezinnen, We waren gekomen tot: - Jaargang 17
- nummer 42
Gezang 7, de bedezang voor de preek. Die bedezang wordt waarschijnlijk nimmer gezongen, Waarom niet? Het gezang mag er zijn: het komt al bij Datheen voor (1566) en stamt vermoedelijk van Jan Utenhove (1560).
Datheen schreef deze melodie in gelijke lange noten; zeer ongewoon voor hem. Hoe Utenhove haar schreef kunnen we zo niet zeggen. Maar naar de klassieke bouw te oordelen (drie regels, welke herhaald worden en afgesloten door zes andere regels - zie bijvoorbeeld naar de wijs van psalm 68) moet dit van huis uit een Straatsburgse, althans een Lutherse melodie zijn. In 1773 hebben onze statenberijmers de melodie ritmisch genoteerd en dit niet zonder reden; die mensen waren anders allang niet meer op ritmiek ingesteld. Toch schreven zij de wijs net als in ons kerkboekje voorkomt. Met dien verstande dat de derde en zesde regel met een halve tel rust en een halve noot beginnen. Geeft u het maar in rood aan, met uw nieuwe potlood.
In 1773 probeerde men regels 2 en 6 elk een valse verhoging te geven; maar Datheen schreef de dorische melodie juist en stoer: re-fa-sol-la.
En daar moest u het maar op houden. Met wat goede wil en oefening kunt u deze bedezang vruchtbaar aan uw kerkelijk repertoire toevoegen.
Hij is vier eeuwen oud maar nog springlevend. De verhogingen in regels 3, 7 en 13 streept u maar manmoedig door; de verlaging in regel 10 is authentiek.
Gezang 8 is de Morgenzang, het lied van ambt en plicht, gezongen op de wijs van psalm 131 (100), uit het jaar 1554. Datheen (1566) kende hem niet, de statenberijmers (1773) wel. Het gebruik wil dat de eerste regel met een valse verhoging sluit, als stond er do-si-do. Houdt uw rode potlood nog even weg. In het algemeen wordt de sluiting do-si-do aanvaard, wanneer die do ook inderdaad de grondtoon van de melodie is, alzo de laatste toon van de psalm. Dat is hier niet het geval. U moogt hier dus nu rood doorstrepen. Maar u hoeft niet, want u zult er veel weerstanden mee oproepen. Deze la kan zich namelijk met recht tot een pseudo-sluiting opwerpen.
Gezang 9, de Avondzang, staat op een der oudste christelijke melodieën.
Grijp haastig uw potlood en streep de afgrijselijke verhogingen in regels 1, 2 en 4 door, indien ze in uw boekje staan gedrukt. Deze melodie is namelijk aeolisch en niet a-mineur als u begrijpt wat wij bedoelen. Want de oude toonladders (en zo is aeolisch) kennen slechts 7 stamtonen - en geen verhogingen. Het is weer een wijs met korte noten, telkens tussen twee lange noten gevat, als gezang 2 en 5.
Datheen kende het gezang niet - de statenberijmers (1773) wel.
Het verbindt ons met de christenheid uit de vroegste eeuwen - en is een aangrijpend lied. Laten wij het in hoge ere houden.
Met gezang 10 komen we aan de reeks nieuwe gezangen van 1933 met synodale keur. De melodie is van M. Teschner, 1600 ongeveer. Ze heeft een uitgesproken vierkwarts-maat en in elke 4/4 maat gaan 4 tellen, niet meer en niet minder. U zingt de lettergrepen dus het beste met deze indeling:
Hoe / zal ik U ont / van-gen, hoe / wilt Gij zijn ont / moet - (rust) o / 's werelds hoogst ver / lan-gen, des / sterv'lings zaligst / goed - (rust) dat / ons Uw Geest ver / lich-te, houdt / Zelfs de fakkel/bij - (rust) die / Heer ons onder / rich-te, wat / U behaaglijk / zij
Met de schuine streep is de maat aangegeven, met de - streep is een extra tel bedoeld.
Wanneer u organist bent en u speelt dit gezang strak in de maat, dan is er even een kleine aarzeling voor de gemeente u vertrouwt. Maar men voelt vandaag het strenge metrum wonder goed aan en zal u snel volgen. Vooral wanneer u het slotaccoord van regel 1 scherp afstoot en meteen doorgaat met regel 2; op een ander accoord natuurlijk. Het mateloos gekwezel uit 1933 is daarmee grondig afgelopen. Elke gemeente kan dit gezang zonder probleem zingen, als haar organist maar in de maat kan spelen.
Gezang 11, het Ere zij God. Wie dit lied ooit tot kerkzang heeft verklaard wenste onbekend te blijven. De deputaten van 1933 hebhen het bestaan, de synode van Middelburg heeft het geslikt en wij zitten met deze muzikale draak in ons repertoire. Er is maar één manier. om dit lied verantwoord uit te voeren - en dat is in wisselzang. Anders zouden de vele herhalingen niet te pruimen zijn, de melodie ook al niet interessant zijnde.
Een voorstel:
(kinderen): Ere zij God
(kinderen en vrouwen): Ere zij God
(kinderen): in den hoge
(kinderen en vrouwen): in den hoge
(allen): in den ho-ge.
(kinderen): vrede opaarde
(kinderen en vrouwen): vrede op aarde
(allen): in de mensen een welbehagen.
En zo voort. Probeer het maar op het aanstaande kerstfeest. Het wordt een wisselzang, een samenspel, iets van een reizang.
Gezang 12, de melodie uit ongeveer 1600 is van Hassler. Een lied tot het crucifix - een raadsel hoe dit in ons kerkboek kon komen. Moet het toch gezongen worden, dan kunnen we dat het best in een rustige vierkwartsmaat doen, opdat er orde zij. In een 4/4 maat gaan niet meer en niet minder dan 4 tellen. Dit lijkt geheel overbodig opgemerkt - maar geeft u ze de kost, die hier niet op letten! Als volgt dus: o / Hoofd, bedekt met / won-den, be / laan met smart en / hoon - (rust) o / hoofd, ten spot om / won-den met / ene doornen / kroon - (rust). En zo voort.
U vergeet de oude notatie in gelijke lange noten en een zwevende pauze. U weet vandaag wat ritme is en wat maat is. En alleen op een streng ritmische ondergrond kunnen we een ordelijke samenzang opbouwen. Want ons tempo ligt vandaag te hoog voor individualisme.
Schrijft u er even 4/4 boven?
U moest voor de aardigheid eens naar gezang 183 uit het nieuwe Liedboek voor de Kerken zien: een wisseling van 6/4 en 3/2 en 4/4 maten. Misschien wel oorspronkelijk - maar vandaag niet te gebruiken.
Voor gezang 13 geldt hetzelfde als voor 12.
Gezang 14 gebruikt de wijs van psalm 42. Er is niets op te zeggen, mits we de herstelde ritmische notatie gebruiken, compleet met een syncope (= een accentverschuiving) in alle regels. Bij de psalmwijzen - let u er maar op- kennen we vrijwel nooit een metrum (dat is een vaste maat) maar het ritme vinden we altijd en overal.
Gezang 15, In het kruis. Waar deze melodie vandaan komt zouden we vandaag niet meer kunnen zeggen. De deputaten van 1933 noteerden haar in gelijke lange noten. Vandaag is het lied (bij Jongbloed bijv.) in hele en halve noten geschreven. Maar daarom nog niet metrisch zingbaar. Wilt u het evenwichtig zingen, dat moet u drie regels zonder rust aan elkaar rijgen:
In het / kruis zal 'k eeuwig / roemen /
en geen / wet zal mij ver / doemen /
Christus / droeg de vloek voor / mij (rust)
Zo hebt u een ordelijke tweekwarts maat. Doet u dat niet, dan moet u na elke regel 2 tellen rust nemen - want 5/4 maten zijn te ingewikkeld voor samenzang. Het best echter kan dit lied ongezongen blijven. Dan blijft de gemeente gezond.
De wijs van gezang 16, God enkel licht, is van P. D. Huet. Ze komt voor in een franse bundel uit 1803. Jawel, de Waalse kerken- hadden eerder dan de Hervormde Kerk een gezangenbundel, wist u dat? De melodie is rdtmisch te zingen als:
God - enkel / licht - (rust) /
Voor- wiens ge / zicht - (rust) /
Niets - zuiver wordt be / von-den (rust) /
en u hebt een wisseling tussen 2/4 en 3/4 maat. Wel uit te voeren.
En overeenkomstig het origineel. Maar stel u even voor, dat zulk een subtiele wijs in eenheidsnoten wem gezongen, zoals een synode ons eenmaal oplegde
Gezang 17, U heilig Godslam, wordt gezongen op de wijs van psalm 54. Daar is wel wat opte zeggen en dat doen we dan ook maar. Dat een lied naar aanleiding van Openbaring 5 als kerkzang wordt gebruikt is wel goed. Dat een klassieke psalmwijs, voorheen totaal onbekend, hierdoor "zingbaar" bleek te zijn, is prachtig. Vooral nu dit gezang is ontworsteld aan de slavernij van synodale eenheidsnoten en teruggebracht in zijn veerkrachtig ritme, hebben we een kerklied met karakter gekregen. Terwijl bovendien psalm 54 aan ons schamele kerkrepertoire werd toegevoegd.
Wat echter karakterloos is - dat is de coda "Ja amen ja" en wat daar verder volgt, De klemtoon van halléluja is onnederlands. Het toevoegen van een staartje aan een monumentale psalmwijs is stijlloos, Dat staartje (coda betekent staart) staat bovendien in een andere toonsoort dan psalm 54 (van hypoionisch stapten de deputaten vrijmoedig in het majeur over), hetgeen een verdergaande kwalificatie dan stijlloos vergt. En als bovendien na "Ja, amen ja" ook nog een rust wordt ingelast (zoals sommige zangers en speellieden zich veroorloven) dan is het staartje een krulstaartje geworden. Het best kunt u uw mond sluiten na de regel "al onze kronen aan uw voet",
Gezang 18, Halleluja, lof zij het Lam, heeft weer een franse melodie.
Uit de bundel Cantiques pour Ie culte public, 1803. De Middelburgse deputaten schreven haar in gelijke lange noten - maar voegden in de 3e en 6e regel een dubbele voorlaatste noot in. Aangezien deze wijs een typisch tweedelig metrum bezit, is er geen ruimte voor een rust. Waren die voorlaatste noten in regels 3 en 6 niet verdubbeld, dan bleef er in het midden een rust over om de laatste helft te halen.
Nu bereikt men ademloos het einde.
In uw kerkboekje (Jongbloed bijv.) vindt u een ritmische notatie, volk omen eigenmachtig gekozen maar wel bruikbaar. Wanneer u rusten toevoegt krijgt u de wisseling tussen 3/4 en 4/4 maat:
Halle / luja, lof zij het / Lam (rust) Die /
onze zonden / op zich nam (rust)
Wiens bloed ons heeft ge / heiligd (rust)
Die dood geweest is / en Hij leeft (rust)
Die 't volk dat Hij ont / zondigd heeft (rust) /
in eeuwigheid be / veiligt.
Dat is geen marsmaat - maar wel ordelijk zingbaar. Tenslotte heeft ons Wilhelmus ook de wisseling van 3/4 en 4/4 maat. Maar de tekst is al een kruis. Het onzijdig Lam wordt in het vervolg met Hij en Die aangeduid. Dat komt omdat de oorspronkelijke dichter (Rinckart) en vertaler (A. v. d. Berg) het lied als "Halleluja, lof zij de Heer" hadden gebracht. Maar de Middelburgse deputaten moesten een paaslied hebben. En het verleidelijke boekje van dr J. G. Geelkerken (jaja, van 1922) had hen aan de tekst van da Costa geholpen. Veel weten is veel vergeten. Vergeet u gezang 18 voortaan ook maar. De tekst noch de melodie zijn het onthouden waard. De oorspronkelijke Franse wijs is namelijk onherkenbaar verminkt. Hier beloopt de melodie elf tonen - tegen maximaal acht in een psalmwijs. Maar in de franse melodie worden de laatste 4 hoge tonen een octaaf lager gezongen.