Waar gaan we heen? 1)

1973-11-30
  • Jaargang 17
  • nummer 44

1) Toespraak gehouden op de Vrouwencontactdag te Bunschoten-Spakenburg op zaterdag 15 sept. 1973


Het is al weer een aantal jaren geleden dat een nederlands cabaretier de vraag waar we heen gaan, beantwoordde met de gevleugeld geworden woorden: Jelle zal wel zien.
Dat antwoord prees de bekwaamheid van een financieel en economisch deskundige.
En deze vraag waar we heen gaan op economisch, maatschappelijk en financieel gebied wordt steeds vaker gesteld.
U zult begrijpen, dat het niet de bedoeling is dáárop vandaag in te gaan, gesteld al dat ik dat zou kunnen.
Het was ook niet de vraag die namens U gesteld werd. U wilde iets horen over de toekomst die de kinderen van God tegemoet gaan.
Die staat weliswaar ook niet los van wat ik zo even noemde, maar wij spreken over de verwachting door God ons gegeven voor de toekomst. Over de laatste dingen.
De eschata. Dat wat te wachten staat.

• Toekomstverwachting

Velen houden zich bezig met de toekomst. Prognoses worden opgesteld.
Toekomstvisies gelanceerd.
Rapporten verschijnen van geleerde en deskundige mensen.
Planologen vinden we overal. In dergelijke rapporten wordt de te verwachten situatie geschetst voor het jaar 1980 of voor 2000 als we dat beleven mogen. Velen twijfelen daaraan. Veel van die voorspellingen zijn somber. Want men verwacht dat deze aarde door de vervuiling, de verstikking van het leven, niet meer leefbaar zal zijn voor de mens. Water en lucht worden steeds meer verontreinigd.
Voedseltekorten zijn er.
En dergelijke berichten raken ons soms gevoelig. Alleen maar: die schrik duurt meestal niet lang.
Even horen we een vreselijke voorspelling, even beven we voor een catastrophe, die verwacht wordt, maar we moeten weer verder. We gaan weer over tot de orde van de dag. We richten ons met heel ons wezen op vandaag.
Zo leven ook veel christenen.

Ergens las ik daarvan een tekening:

"Over de laatste dingen spreken wij nauwelijks met elkaar.
De toekomstverwachting van de christen is één van de hachelijkste onderwerpen, die men zich tegenwoordig denken kan. Wij zwijgen maar liever over de opstanding der doden, de dag des Heren, het laatste oordeel, hemel en hel. Want wij twijfelen en weten niet meer wat deze woorden betekenen.
Zij staan los van wat ons in ons dagelijks leven bezighoudt, los van het gezinsleven, los van het werk, van onze contacten en de informatie over het wereldgebeuren. Als we er nog over spreken, dan is het als over een totaal andere wereld, waar we nu part noch deel aan hebben, als iets dat ons overkomt nà alles.
We horen wel veel spreken over het jaar 2000. En ook dan hebben we het gevoel: dat ligt nog zo ver weg om ons er nu eigenlijk al veel zorg om te kunnen maken. Iemand moet al heel veel overredingskracht hebben om ons ervan te overtuigen, dat wij dát nog mee zullen maken en dat het reeds nu voor ons belangrijk is ons met het jaar 2000 bezig te houden.
Maar dan is zeker de eindtijd, de dag des Heren, en alles wat christelijke toekomstverwachting heet, iets dat ver weg ligt en ons nauwelijks raakt.
Het komt hoogstens even bij ons boven naar aanleiding van een sterfgeval en dan vergeten we het weer even snel, als het ons overkomen is. Het leven gaat verder. We staan er niet bij stil: wachten maar af.

We zouden willen, dat dit einde der tijden - voor ieder van ons zeer werkelijk - weer inhoud krijgt. Nu houdt het niet meer in dan een vage angst en een vage hoop, waar we mee blijven zitten, vooral in eenzame ogenblikken.
De verschrikkelijke voorstellingen enerzijds en vooral het gebrek aan voorstelling anderzijds zorgen ervoor, dat we er maar niet bij stil staan. De eindverwaching lijkt een gebeuren zonder ons, als alles voorbij is, wat ons nu overkomt.
We ervaren die niet als een werkelijkheid waarmee wij nu te maken hebben. Daarom is het begrijpelijk dat wij er het zwijgen toe doen. Daarom is dat gespeculeer over de toekomst voor ons van geen belang.
We zien er geen verband mee met het leven van nu. Als het iets zou zijn, waar we werkelijk naar uit konden zien zoals naar vrije dagen, naar vakantie, eindexamen, een geboorte, dan zou het ons wel in spanning houden.
Maar toch, als die eindverwachting een onmisbaar en wezenlijk deel van onze geloofsschat uitmaakt, dan moet er iets anders aan de hand zijn."
(Conto 13, 4e jaargang no. 14, 27 nov. 1970.)

Wat is er aan de hand?

We moeten toegeven dat hier een scherpe tekening gegeven wordt.
De toekomst, die van Christus, zegt ons zo weinig. De "laatste dingen" hebben een geringe aandacht in de kerk.
En tóch stáát dat geloofsartikel in de apostolische beliidenis: Ik geloof in Jezus Chrisus. .. zittende ter rechterhand Gods, die zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden. . . Ik geloof de wederopstanding des vleses en een eeuwig leven.
En toch spreekt de Heidelbergse Catechismus in zondag 19: "Dat ik. . . precies dezelfde die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft tot een Rechter uit de hemel verwacht, die al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal maar mij met alle uitverkorenen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid tot Zich zal nemen."
Het sluitstuk van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gevormd door art. 37, dat spreekt over het laatste oordeel en dat eindigt met die hunkerende woorden: "daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen om ten volle te genieten de beloften Gods in Jezus Christus, onze Here."
Daarom kan de vraag gesteld worden: Betekent dat belijden méér dan alleen maar orthodoxie méér dan een vastgelegde leer-inhoud?
Beantwoordt het christelijk leven werkelijk aan de voor de toekomst gegeven beloften? Wordt wel eens in de gezinnen en tijdens visites gesproken over deze toekomst? En als we erover spreken, hebben we het dan eigenlijk niet over verre en vreemde zaken?

• Kritiek op de kerk

In een kort geleden verschenen artikel in Elseviers Weekblad (21 april 1973) werd dit geschreven: "Een interessante illustratie van dit feit vond onlangs plaats toen een jood tegenover een andere jood verklaarde:

"Als ik het goed begrijp, gelooft u dat die Jezus van Nazareth dezelfde is als onze messias."
Antwoord bevestigend.
"Maar dat zou betekenen dat Jezus terugkomt."
Antwoord bevestigend.
"Maar de christenen geloven dat niet! Je hoort ze er nooit over."
Niet alleen en allereerst een interessante illustratie, maar ook een schrijnende.
Je hoort ze er nooit ver.
Daar hebt u dan ook een deel van de kritiek die op de kerk en de gelovigen wordt geuit. Met name door allerlei groenen die buiten de kerk leven, wordt dit gesteld: In de kerk leeft men niet meer uit de beloften die over de grote toekomst spreken.
Men staat niet meer voor het open venster om uit te zien naar de komende Christus.
Want het leven wordt gevuld met al wat "in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte der ogen en een hovaardig leven." (I Joh. 2 : 16).
Waar dat gebeurt, daar is geen plaats, meer voor verwachting, daar ziet men geen reden meer op de wachttoren te klimmen en uit te zien. (Hab. 2 : 1).
Van dit ontbreken van levende hoop wordt de kerk beschuldigd.
Die kerk schijnt gesettled te zijn, vastgepind in de wereld van nu.
Zij is niet meer op weg, ze kent niet meer de gestalte en het heimwee van de pelgrim, er wordt niet meer gevonden dat reikhalzend verlangen waarvan Paulus spreekt in Rom. 8: 18 vv, Velen leven zonder hoop en zonder verwachting, Geabsorbeerd door de welvaart en de drukte van elke dag, De aangehaalde woorden uit de belijdenis van de kerk zijn wel mooi, maar ze zijn geworden tot een dode zaak, een versteende hoop.
Daarom wenden velen zich af van de kerk en belanden bij die groepen waar geestdrijverij en geexalteerde toekomstvisies de geesten bezig houden. Want dáár meent men te vinden de levende hoop, dáár denkt men aan te treffen het leven van de eerste christengemeenten, die 's morgens opstonden met de gedachte: Vandaag zou het wel eens kunnen gebeuren dat Hij komt."

Niet het, maar Hij

Men kan hier niet tegen inbrengen dat er toch wel in onze dagen gesproken wordt over de toe komst, over het jaar 1980, over het jaar 2000 en dat velen het einde van de wereld zien komen.
Met schrik spellen sommigen die jaartallen.
Zulke schrikbeelden zijn er altijd geweest.
Ik herinner me uit mijn kinderjaren een gebeurtenis waarbij de mensen angstig de straat opliepen.
Er was midden op de dag een zonsverduistering en de mensen liepen de huizen uit en vroegen: Zou nu het einde van de wereld komen?
Vergaat vandaag de aarde?
Dat vergaan van de aarde, dat was het schrikbeeld. Dat maakte de mensen van streek en zenuwachtig en bang.
Maar U weet het: zo zegt de bijbel het niet.
Niet: het komt, maar God beloofde: HIJ komt.
Christus komt terug. Christus verschijnt.
Dan zal het grote werk dat op deze aarde begonnen is, tot voltooiing gebracht worden. "De Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook", heeft Christus gezegd. (Joh. 5 : 17).
Op die dag zal Hij klaar zijn. Dan zal heel de wereld aan zijn voeten liggen. Hij zal maken een nieuwe wereld.
Ik dacht dat wij er goed aan zouden doen daarop vandaag onze aandacht te richten en ons niet te verliezen in het brede veld van vragen en problemen die hier aan de orde kunnen komen. Ik denk aan de "tussentoestand", waarover de laatste jaren, met name in het vrijgemaakte leven zo veel gesproken is, aan de opstanding, de eerste en de tweede, aan het duizendjarig rijk, de antichrist, de plaats van Israël, hemel en hel, enz.
Te noemen vallen in verband hiermee tegenwoordige opvattingen over het koninkrijk van God, het verborgen rijk, de horizontalisering van de boodschap van het evangelie, de theologie van de hoop en het optimisme in de goedheid van de mens.

• Gen. 3: 15

We willen ons beperken tot de grote lijn, gegeven in de belofte, door de genadige God uitgesproken in het begin. De wereld en de mensheid en hun geschiedenis worden bepaald door dat woord, eens gesproken op de grens van paradijs en steppe. God sprak dat woord wel ten aanhoren van de mens (alle troost ligt daar immers in), maar ook óver de mens tot de vijand. Hij had de mens verleid.
Hij, de satan, de duivel, de leugenaar, de mensenrnoorder. Hij had de mens losgetrokken van God en vernieling, chaos, onvrede gebracht.
In die machtige belofte uitgesproken bij de puinhopen wordt gezegd: "Ik zal vijandschap zetten tussen U en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal U de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen."
Dàt woord beheerst de geschiedenis.
Ons menselijk leven. Dat is de strijd. Daarover zal het blijven gaan tot de laatste dag.
Wie zal triumferen? Zullen de krachten die God uit de wereld willen bannen, die de mens tot God willen maken, het winnen?
Zal de zege zijn aan de Schepper of aan het schepsel?
Zal de chaos, de ruïne, de vernieling de laatste nacht zijn die dichttrekt over dit bestaan of is er verwachting van leven en licht?
Dáár gaat het om. Daarvoor is de geschiedenis het platvorm. Daarop wordt gevoerd de strijd, waarvan God sprak. En het gaat naar de ontknoping, naar de triumf van God. Daarheen zijn wij op weg. Dat staat ons te wachten.
We gaan naar de dag van Christus, onze Koning.
We zijn niet op weg naar de verstikking van het leven, naar de nacht, naar het donker, maar naar Christus en derhalve naar het licht, naar de dag, naar het leven.
Op die marsroute zijn wij gezet door het Lam, dat overwinnen zal, omdat het overwonnen heeft.

• Het Nieuwe Testament

Heel het N.T. is van die verwachting vol. Daar loopt zo vaak de prediking der apostelen op uit in he.t boek der Handelingen.
(Vgl. Hand. 2: 33; 3: 21; 5: 31 vv; 10 : 42; 17 : 30 v.; 23 : 5 v.; 24 : 25).
Het werk van Paulus wordt daardoor beheerst: Hij wil niet anders verkondigen dan Christus en die gekruisigd. Hij predikt de Overwinnaar, die opstond uit het graf.
Die de dood en de satan en de machten overwon. Die de rebellie, de zonde, de mislukking van de mensen tegenover God verzoende en die (dat is er onlosmakelijk mee verbonden) nu voortwerkt naar de publieke zege voor aller oog. (Fil. 2: 10, 11).
Achter dat werk van Christus zit een Goddelijk moeten. Hij moest lijden. Hij moest opstaan uit de doden, de dood kon Hem niet houden en "Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft ... Hand. 3:21."
Góds hand was er in. Gód werkte voort. De Zoon ook. Hij zit nu aan Gods rechterhand.
Dit zegt het N.T. met grote nadruk: de zege is er al. Het is volbracht.
Wij zijn gekruisigd. Wij zijn met Hem opgestaan. Wij zijn overgezet in het leven, uit de duisternis in het licht.
Dat woord: Het is volbracht!
heeft niet voor niets geklonken over Golgotha. Volbracht.
De overwinning is behaald. Het is er al.
Reeds. Nu!
Maar de zekerheid dat in Christus de dag van het heil is aangebroken, betekent niet het einde. Er is nog verwachting.
De bijbel kent ook: nog niet.
We zijn nog niet van de laatste vijand verlost.
Nog is er de kracht van de duivel, nog zijn er de zonde en de dood en het geweld en de verschrikking in deze wereld.
Nog zijn er de tranen, nog de open graven, nog de vernielde levens, nog is er onrecht, nog wordt geweld gepleegd.
Nog is er honger en dood en perversie.
Maar de duivel is overwonnen.
De wereld is overwonnen. (Joh. 16 : 33).
God heeft beloofd: Die op Golgotha overwon, heeft alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 : 18). Hij komt weer. Dezelfde. Jezus.
HU komt als Verlosser, als Rechter, als Koning, als de Machtige.
Want het werk dat Hij deed, het werk van Golgotha, op Pasen door de Vader gekroond, moet worden geëffectueerd. Uitgewerkt.
En dat gebeurt nu in het laatste der dagen.
Daarheen gaan wij. We gaan Hem tegemoet die wederkomt. (Vergelijk I en II Thess.; I Cor. 15).
Wij hebben geen verwachting ván deze wereld, van dit leven, van een steeds voortgaande ontwikkeling van dit bestaan. Immers, op Golgotha is openbaar gekomen wat de diepste strevingen zijn van wereld en mensen. Daar zijn de machten onttroond. Daar zijn ze, alle die aanspraak hebben willen maken of nog zullen maken op het vertrouwen en de verering van mensen, aan de kaak gesteld: niet waard om op te steunen. Te kijk gesteld zijn ze. Neen, van dèze wereld komt het niet (Col. 2).
Daarom verwachten wij, naar zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. (1 Petrus 3 : 13).
Hij komt weer, de Rechter, die de laatste vijand te niet zal doen. (1 Cor. 15).
Dat zijn de beloften voor de toekomst.
En het is nabij. Het staat voor de deur. Hij komt immers met spoed. Nog maar een korte tijd en het gaat gebeuren. De N.T.
verwachting is een geladen verwachting door de haast waarmee het werk zal worden afgemaakt.
De geschiedenis, niet afgebroken, maar voortgezet op de grens van het paradijs, is de worsteling tussen God en de duivel.
Gods Woord van het begin beheerst elke dag. Die strijd .komt tot een laatste publieke ontknoping.
Het i s al beslist. Want het i s volbracht. Maar dat wordt straks openbaar, publiek voor ieder.
Ze zullen Hem zien. Het ging God om de mensen. Om hun heil. Om hen tot zijn kinderen te maken.
Om hen te zien buigen voor zijn troon.
Daarom moeten mensen kiezen: aan welke kant staan ze, strijden ze, gaan ze?
Wie in Christus gelooft, die is met Hem gestorven en met Hem opgewekt.
Die zal gered worden.
Maar wie Hem verwerpt, zal de Rechter straks zien, die niet alleen zal redden, maar die ook moet veroordelen.

• Vertraging der belofte?

Wanneer dat allemaal precies gebeuren zal, is niet bekend. Men kan uit de woorden van Paulus soms opmaken dat hij meende die dag nog te zullen beleven. Dat is niet gebeurd. Maar dàt doet niets af van de kracht van zijn verwachting: het komt spoedig. Plotseling zal die dag er zijn.
Hij zal komen als een dief in de nacht.
De tijd is kort, gecomprimeerd.
Ingedikte tijd.
Maar het uur is niet te berekenen.
Men heeft dat altijd weer geprobeerd, van de eerste eeuwen af tot nu toe. Men heeft daarbij gemanipuleerd met de bijbel, vooral met het laatste boek daarvan.
Scherpzinnigheid is aan die berekeningen niet te ontzeggen.
Maar het is duidelijk gezegd: die dag en dat uur weet niemand. Alleen de Vader.
We moeten daarover niet speculeren.
Daarvoor is het niet gezegd.
Dat plotselinge komen, dat niet-kennen van de dag en het uur is alleen reden tot waakzaamheid.
We zullen scherp letten op de tekenen der tijden.
Al in de brieven van het N.T.
wordt gezegd dat er mensen waren die spraken van een vertraging der belofte. Dat heeft twijfel opgeroepen of het wel zou gebeuren. Maar Petrus zegt: het is onmogelijk dat de beloften niet vervuld worden.
God heeft het gesproken. Ons geloof is geen pojectie van eigen denken en begeren, maar antwoord op zijn belofte.
De christelijke hoop is een vaste hoop. Wij hebben het anker der hoop vastliggen in de hemel.
(Hebr. 6 : 18, 19).
Daarom behoeven we ook niet te rekenen. God heeft het gezegd.
Het is beloofd.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief