De zoon van Abraham
1973-12-07
Matth.1:1- Jaargang 17
- nummer 45
. . . Jezus Christus, ... de zoon van Abraham, - zo heet Jezus in de eerste zin van het Nieuwe Testament. Wanneer onze Heiland bij deze naam genoemd wordt, schuift het historisch perspectief zodanig ineen, dat we de vele tussenschakels tussen Hem en vader Abraham even mogen vergeten en Zijn naam voor een ogenblik in de plaats van die van Izak mogen zetten. Dit nodigt ons uit, in het oude Genesis-verhaal (hfst. 21 : 1-7) Izak's geboortegeschiedenis nog eens over te lezen.
We merken dan, dat ze trekken van het kerstverhaal draagt.
Genesis 21 begint met een opmerkelijke zin. De HERE bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de HERE deed aan Sara, zoals Hij gesproken had. We hebben in deze zin een bijbelse stijlfiguur voor ons, die wij regelmatig tegenkomen in de dichterlijke boeken, maar die in de verhalende gedeelten een grote zeldzaamheid is.
Ik bedoel de uit twee delen samengestelde zin, waarin één gedachte op tweeërlei wijze onder woorden is gebracht. Om een willekeurig voorbeeld uit het Spreukenboek te noemen: 'Bewaar, mijn zoon, het gebod van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet' (6: 20). Deze dichterlijke, rustig in- en uitademende zin markeert een feestelijke pauze 111 de Genesis-geschiedenis, die overigens gekenmerkt wordt door een sterke, voorwaartse drang .
Het is alsof de woorden hier een kring maken en een rondedans uitvoeren ter gelegenheid van het heugelijke feit van de lang verwachte geboorte van de zoon van Abraham.
Maar waarom wordt nu in deze dubbele zin twee keer Sara genoemd?
Wat een pracht-gelegenheid, hier beide ouders te vermelden!
Als volgt: 'De HERE bezocht Abraham zoals Hij gezegd had en de HERE deed aan Sara, zoals Hij gesproken had'. Vader en moeder over de beide stukken van de zin verdeeld, als bij de Spreuken. Maar dat gebeurt hier niet. Op deze wijze valt op Sara onevenredig veel licht. En van hier uit vallen opeens meer dingen op. 'En Sara werd zwanger .. .' - gaat 't in vers 2 verder.
Een tamelijk stereotype zin in het verhaal van Genesis. Maar waarom ontbreekt het even stereotype: 'en Abraham had gemeenschap met zijn vrouw'? Zoals het er nu staat, is de ontvangenis en de geboorte van het kind een zaak tussen de HERE en Sara geweest.
En waarom wordt in dit kleine stukje tekst tot vier keer toe van Abraham in de derde naamval gesproken: áán Abraham werd een zoon geboren? Zo is hij in het verhaal meer ontvanger dan verwekker. En nog zijn onze vragen niet op. Waarom worden er op het eind, in de verzen 6 en 7 twee woorden van Sara overgeleverd?
Waarom komen de vader en de moeder niet beide aan het woord? Had Abraham dan niets te zeggen op dit hoogtepunt varr zijn leven?
Al deze gegevens wijzen lil één richting. Abraham blijft hier op de achtergrond als de Jozef uit de evangelies. 'Het kind en zijn moeder' (Matth. 1 : 13, 14) krijgen de hoofdaandacht. Ja, twee keer wordt van Abraham een initiatief genoemd. Hij geeft zijn zoon de naam Izak en hij besnijdt hem ten achtsten dage. Maar wat de naamgeving . betreft was hij gebonden aan de naam, die God zelf genoemd had (17: 19) en wat de besnijdenis betreft, hij verrichtte die 'zoals God hem geboden had' (vs 4). Oorspronkelijk was de aartsvader dus in geen van beide optredens. Zomin als Jozef, die aan het Kind de naam Jezus geeft.
We hebben hier een voorspel van de maagdelijke geboorte. Aán Abraham wordt de zoon geboren.
Op zijn vaderlijk aandeel kan geen nadruk vallen. Het is er wel, bij Abraham, maar de heilige verteller vindt het niet belangrijk. De belofte vervullen is Gods werk, niet die van de wil des vleses en de wil des mans. (Joh. 1: 13).
Abraham moet terugtreden. Laat alle mannelijke potentie zich dat voor gezegd houden. Of die zich nu uit in het provoceren of in het produceren, in het vaderschap of in het vakmanschap, zij brengt het Koninkrijk niet te voorschijn.
Maar is er dan geen gevaar, dat het de Sara's naar het hoofd stijgt?
Brengt het moederschap het Koninkrijk dan wel? Het moederschap' is de duidelijkste gestalte van het ontvangen, het krijgen.
Als dan ook de moeder roemt, opschept, kan tegen haar vooral gezegd worden: 'wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?' (1 Cor. 4 : 7). Als de moeder des Heren dat vergeet, krijgt ze van haar Zoon te horen: vrouw, wat heb Ik met u te doen? (Joh. 2 : 4). Zo'n scherp woord is noch tegen Abraham, noch tegen Jozef gesproken.
Wij mensen, mannen en vrouwen, zijn bij alle verschillen hierin één, dat wij, wat Jezus Christus en zijn rijk betreft, van de gave leven.
Wij behoeven onszelf niet waar te maken (vroeger zeiden ze: te rechtvaardigen). Wij zijn waar gemaakt. En zo verwachten wij Christus' advent.