‘Een schreeuw om de Heilige Geest’

2005-06-17
  • Jaargang 49
  • nummer 12
‘Een schreeuw om de Heilige geest’. Zo typeerde ds. Henk de Jong zijn voordracht voor de Nederlands gereformeerde predikantenconferentie, die op 7 juni werd gehouden in kerkelijk centrum Het Anker in Lelystad. De conferentie was gewijd aan een van de basics van het werk van dominees: de prediking.

Ds. H.de Jong is geen onbekende binnen ons kerkverband. Jarenlang was hij als TSB-begeleider betrokken bij de opleiding van aankomende predikanten.
Zonder overdrijving kan hij de nestor van een groot deel van het huidige predikantencorps worden genoemd. Verder geniet hij door zijn preken en bijbelstudies (ook in Opbouw) bekendheid als een schriftgeleerde predikant. Bovendien is hij een zelfstandig denker, die bereid is om in moeilijke en controversiële kwesties een duidelijk en soms ook kritisch standpunt in te nemen. Nestor-predikant-intellectueel dus. Deze typeringen kwamen alle drie duidelijk naar voren in zijn lezing voor de Nederlands-gereformeerde predikantenconferentie.

Gebed om de Geest
‘Hier staat iemand uit een andere tijd’, daarmee begon de nestor uit Zeist zijn verhaal. Als ‘vertegenwoordiger van het verleden’ geeft hij kritiek op de prediking van dit moment.
Zonder ervan uit te gaan dat hij bij voorbaat gelijk zou hebben, wil hij zijn kritiek wel duidelijk onder woorden brengen. Zijn bezwaren tegen de prediking spitsen zich toe op twee punten.
In de eerste plaats is hij van mening dat ondanks ‘alle aandacht voor de Geest te weinig wordt gezien, dat de prediking het belangrijkste middel is waarmee Hij in deze wereld werkzaam wil zijn’. Het Woord is het belangrijkste wapen van de Geest. De Jong vindt dat de kerk niet moet zwichten voor de devaluatie van het gesproken woord in onze beeldcultuur, de ‘woordmoeheid’.
Integendeel, het is zijn wens dat ‘de Heilige Geest aangeroepen zou worden, dat Hij dat Woord krachtig laat werken’. Wat hem betreft is het gebed om de verlichting met de Geest, voor de zondagse prediking, geen leeg ritueel, maar een echte smeekbede.

Terug naar de nuchterheid
Deze nadruk op de verbinding van Geest en Woord werd door De Jong op een originele manier onderbouwd met een verwijzing naar Johannes 20:22-23. De gave van de Geest, ‘pinksteren’ wordt hier beschreven in één zin. Het gaat Johannes, die schreef voor christenen van de tweede generatie, bij de uitstorting van de Geest om het inhoudelijke, met weglating van al het bijkomstige. Ds. De Jong ziet binnen het Nieuwe Testament een ontwikkeling van geestbevlogenheid naar nuchterheid, van de uitbundigheid van vlammen van vuur en tongentaal (Handelingen 2), naar de kern van het pinksterfeest. Deze kern vinden we in Johannes 20:23, waar het gaat over zondevergeving, tegen de achtergrond van hemel en hel. Dat bepaalt ‘de grondstructuur van alle christelijke spreken en preken’. Er wordt in de prediking dus ‘een harde noot gekraakt’, want het gaat om de niet-vrijblijvende boodschap van verzoening en genade, zonde en dood.
Maar achter die boodschap ‘wil de Heilige Geest zich stellen’. Dat is voor de aanwezige predikanten ook een bemoediging. We mogen de Trooster volhardend vragen of Hij de verkondiger van die boodschap wil troosten.

Ruif niet te laag
In de tweede plaats vindt De Jong dat er in de kerken teveel nadruk ligt op de gevolgen van de secularisatie. Hij vindt het ‘te ver gaan’ om van de preek een evangelisatiemiddel te maken, waarbij alle nadruk ligt op de communicatieve vaardigheden van de predikant ten koste van de uitleg van de tekst.
Daarmee doen we het Woord tekort.
En ook doen we onszelf daarmee te kort. ‘Ik belijd, dat ik de zondagse prediking broodnodig heb. Ik heb versterkende middelen nodig’, aldus De Jong. We moeten alle zeilen bijzetten om onszelf staande te houden in de secularisatie. Het getuigt van ‘zelfoverschatting’ wanneer we denken dat het bij onszelf allemaal wel in orde is, zodat we het ons in de wekelijkse ‘godsdienst-oefening’ kunnen veroorloven om de deur naar buiten toe open te doen. In Paulus’ tijd was er natuurlijk wel ruimte voor belangstellende bezoekers, de ‘godvrezenden’, maar dat betekende niet dat de boodschap werd verdund. Voor de missionaire uitstraling van de gemeente vindt de emeritus uit Zeist het vooral belangrijk dat de gemeenteleden, met het woord dat ze op zondag hebben gehoord, zelf de wereld ingaan.
In de praktijk betekent dit, dat de zondagse preek van een behoorlijk niveau zal moeten zijn. De preek ‘veronderstelt en voedt de kennis van Gods Woord’. De Jong is wel eens bang voor ‘versimpeling’ van de prediking.
Er is niets op tegen om de ruif wat hoger te hangen en de hoorders te trainen in de kuitspieren. ‘Anders verkneutert de boel’.

Schuilkerk
En de kinderen in de gemeente? De spreker is niet onverdeeld enthousiast over het vertrek van de kinderen uit de dienst naar een kindernevendienst.
De taalontwikkeling van een kind vindt voor een groot deel thuis plaats, binnen het gezin. ‘Met geloofstaal is het niet anders gesteld’. Daarom lijkt het hem goed dat de kinderen om de veertien dagen ook in de gewone dienst zijn, om zo te wennen aan de eredienst.
De Jong is niet hoopvol gestemd over de toekomst van de kerk in Nederland.
Hij denkt dat God bezig is de kandelaar van zijn Woord bij ons weg te halen. ‘Ik heb een visioen van een schuilkerk, maar ook die kerk heeft Gods woord nodig’. Hij adviseert de aanwezige predikanten, dat zij juist daarom veel meer werk moeten maken van de prediking. ‘Er zit veel meer in het woord dan wij eruit halen’.

Hoefsmid
Deze prikkelende en kritische lezing van De Jong vroeg om reacties.
Gelukkig was er voor de aanwezigen ook gelegenheid om alles even te laten bezinken en bij te praten. Van alle emeriti, predikantsweduwen, predikanten, beroepbare kandidaten en aanhang uit onze kerken waren er ongeveer 60 naar Lelystad gereisd.
Dat betekent dat er ook velen afwezig waren. Eén genodigde kon niet komen omdat zijn paard naar de hoefsmid moest, andere afwezigen hadden meer alledaagse verplichtingen.
De voorbereidingscommissie denkt na over een andere vorm voor de jaarlijkse conferenties, waarbij het element van de onderlinge ontmoeting wat beter uit de verf kan komen.

Gebeurt er wat?
Tijdens de bespreking werd duidelijk dat niet alle predikanten zich geholpen voelden met de opmerkingen van De Jong. De Apeldoornse predikant Job Smit had de nodige moeite met diens visie op het probleem van de secularisatie. Terwijl De Jong in de prediking een dam wil opwerpen tussen de gemeente en de secularisatie, signaleert Smit dat de ontkerkelijking niet ‘buiten’ zit, maar juist ‘in onze harten, in de harten van de predikers’.
Ds. Smit vindt dat de problemen rond de prediking veel dieper liggen.
‘Gebeurt er nog wat als we preken.
En wat dan?’ Willem Smouter uit Ede geeft aan dat hij teleurgesteld is in de lezing van De Jong. ‘Je laat me een beetje in de steek’.
Hij mist bij De Jong de verontrusting en de pijn over de leegloop van de kerken. Hij wijst zijn voormalige leermeester erop dat de groei van de kerk plaatsvindt bij de pinksterkerken en niet bij de gereformeerden.

Effectief?
Verschillende aanwezigen vragen aandacht voor het verschil tussen vorm en inhoud van wat in de bijbel ‘verkondiging’ wordt genoemd. Zo kan Ton Vos uit Almere zich wel vinden in De Jongs waarschuwing tegen de ‘woord-moeheid’ in onze cultuur, maar vraagt hij zich of je ‘verkondiging’ zonder meer kunt laten opgaan in onze zondagse preken. Vanuit zijn ervaringen in Bunschoten nuanceert Piet Busstra het effect van de prediking in de eredienst.
Wanneer je in groepen met elkaar doorpraat over de boodschap van de bijbel blijft het veel beter hangen.
Al met al cirkelde de discussie vooral rondom het tweede punt van De Jong: Hoe kun je spreken en preken in een geseculariseerde cultuur, die gekenmerkt wordt door ‘woordmoeheid’.

Passie
Jammer genoeg bleef het eerste punt een beetje liggen, terwijl daarin toch, naar mijn inschatting, de positieve spits van zijn verhaal gelegen was.
Dwars door zijn sombere beschouwingen over kerk en prediking, liet De Jong namelijk vooral iets merken van zijn eigen ‘passie voor preken’, die opkomt vanuit de hoop en de verwachting dat de Geest zelf zich achter onze prediking zet en zijn eigen Woord tot spreken brengt. Niet als een vanzelfsprekendheid, maar vanuit een aanhoudend gebed, een ‘schreeuw om de Geest’.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief