Op zoek naar de zin van de geschiedenis

1973-12-07
  • Jaargang 17
  • nummer 45
Reeds van oude tijden af heeft de vraag naar de zin van de geschiedenis de mens bezig gehouden.
Het is een zaak waarbij iedereen betrokken is. Geboren worden, leven, sterven. Opgaan, blinken en verzinken. Dat geldt voor mensen persoonlijk, maar ook voor wereldrijken, maatschappijen, strukturen en kulturen.
Wat moeten we daarmee aan? Is het een altijd durende kringloop?
Is er sprake van noodlot, toeval onontkoombare noodwendigheid?
Staan de gebeurtenissen los van elkaar, of is er verband? Welke rol spelen de mensen daarbij? En is er een diepere zin in alles wat er geschied is, geschiedt en nog geschieden zal?
Ons onderzoek van enkele in de loop der eeuwen ondernomen speurtochten naar het antwoord op deze vragen zou ik willen beginnen met enkele uitspraken van de Prediker. Zijn overdenkingen zijn gezaghebbend, want zij maken deel uit van het heilig Woord van God.
1 : 2, 12: 8: "IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker. Alles is ijdelheid".
1 : 10. "Is er enig ding waarvan men zou kunnen zeggen: zie dát is nieuw? Het was er al in de eeuwen die voor ons geweest zijn".
8 : 16, 17: ,Toen ik mijn hart erop zette om wijsheid te leren kennen en om de bezigheid te aanschouwen, die op aarde geschiedt, terwijl men noch bij dag noch bij nacht met zijn ogen de slaap te zien krijgt - zo zag ik, dat de mens niets kan ontdekken van het werk Gods, dat onder de zon geschiedt; want hoezeer de mens zich ook aftobt met zoeken, hij kan het niet ontdekken, en wanneer soms een wijze mocht zeggen, dat hij het weet, hij kan het niet ontdekken."
3 : 14: "Ik heb ingezien, dat al wat God doet voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor Zijn aangezicht vreze".
9 : 2: "Alles is gelijk voor allen, eenzelfde lot treft de rechtvaardige en de goddeloze".
8 : 12, 13: "Nochtans weet ik, dat het de godvrezenden wel zal gaan, omdat zij voor Hem vrezen; de goddelozen daarentegen zal het niet wel gaan en hij zal zijn "levensduur niet verlengen als een schaduw, omdat hij voor God niet vreest".
12 : 13, 14: "Van al het gehoorde is het slotwoord: Vrees God en onderhoud Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad".

Vooral twee dingen hiervan moeten we goed onthouden:

1. Zo zag ik dat de mens niets kan ontdekken van het werk Gods, dat onder de zon geschiedt.
Dit moet ons ootmoedig en voorzichtig maken.

2. Het slotwoord is: Vrees God en onderhoudt Zijn geboden. Dáártoe zijn wij geroepen in deze wereld.

Ook uit de klassieke oudheid kennen we mannen, die over de vraag die ons bezighoudt, hebben nagedacht. Zo bijvoorbeeld de bekende Griekse wijsgeer Plato.
Zijn ontmoeting met Socrates en diens onrechtvaardige dood hadden diepe indruk op hem gemaakt.
Hoe komt het dat het onrecht kan triomferen? Deze vraag heeft hem aan het denken gezet.
Zijn konklusie is niet de westerse gedachte van het evolutionisme.
Hij neemt aan, dat de eerste mensen wel primitief waren in technisch opzicht, maar moreel gezien juist op een hoog standpunt stonden, nog geheel onbedorven. Onder hen heersten vriendschap en recht. Pas later werden zij door prikkels van buiten door het kwade overmeesterd. Van tijd tot tijd hebben er grote katastrofes plaats, waardoor alle bestaande kultuur wordt vernietigd. De enkelen die zo'n ramp overleven, beginnen opnieuw het onbedorven primitieve leven, waarna door toeneming in getal en botsing van belangen dan weer het kwaad de overhand krijgt.
Zo zou de geschiedenis dus als een eeuwigdurende kringloop gezien moeten worden, maar dit was voor Plato geen bevredigende oplossing.
Hij zocht naar iets dat deze kringloop zou kunnen doorbreken, en kwam tot de slotsom, dat dit de wet en de wetgever waren. De ware wetgever die tevens de ware wijsgeer en paedagoog moest zijn, zou door zijn redelijk inzicht boven de ontwikkeling moeten staan, haar als het ware in zijn hand moeten houden en zo het bederf moeten weren.
Zo zag Plato het ideaal in een wettenstaat, waar gerechtigheid heerst. De staten die op materiële grondslag gebouwd zijn, zullen volgens hem nooit aan het bederf ontkomen. Hij was er echter niet van overtuigd, dat zo'n ideale rechtsstaat verwezenlijkt zou worden, al geloofde hij wel in de mogelijkheid daarvan. Hij zag een ideaal, maar geen doel. Op zijn speurtocht was niet Gods Woord een lamp voor zijn voet, en zo bleef hij betreffende de vraag naar de zin van de geschiedenis in het duister tasten.

Ons kort bestek dwingt ons met zevenmijlslaarzen door de eeuwen te stappen. We nemen daarom een grote sprong en belanden nu bij de kerkvader Augustinus.
Deze leefde in een tijd van decadentie.

Het Romeinse rijk was in zedelijk verval geraakt en innerlijk verzwakt. In het jaar 410 werd het overmeesterd door de Gothen. De Romeinen schreven dit toe aan de verwaarlozing van hun godsdienst. Hun goden die vroeger Rome hadden beschermd en tot bloei gebracht, hadden zich nu van hen afgekeerd.
En de God van de christenen was blijkbaar niet in staat hen te helpen.
Om deze opvatting te weerleggen ondernam Augustinus zijn fenomenale uit 22 delen bestaande werk De civitate Dei, Over de stad Gods. In de eerste tien delen richt hij zich tegen de dwalingen van de heidenen en verdedigt hij het Rijk van God tegen hun valse beschuldigingen. In de volgende 12 delen toont hij aan, hoe bij de beoordeling van de geschiedenis de beginselen van de christelijke wereldbeschouwing, die Gods voorzienigheid erkent, de grondslag moeten vormen. Hij onderscheidt twee rijken, de civitas Dei, het rijk van God, en de civitas terrena, het rijk van de wereld.
Twee rijken die in een geweldige tegenstelling tot elkaar staan, van voor de grondlegging der wereld tot aan het laatste der dagen. Het zijn de rijken van de heiligen, de rechtvaardigen enerzijds en van de goddelozen, de onrechtvaardigen anderzijds. Zij omvatten niet alleen de mensen, maar ook de engelen en geesten. Alle hoogmoedige en heerszuchtige wezens, die hun eigen roem zoeken en hun machtswellust botvieren door onderwerping van anderen, zijn ondanks hun onderlinge strijd toch burgers van één rijk, dat zijn ondergang tegemoet gaat, Maar allen die het om Gods eer te doen is, en die in ootmoed naar Gods geboden leven, vormen samen het rijk van God onder het koningschap van Jezus Christus. De beide rijken zijn hier op aarde vermengd, maar zullen in het laatste oordeel voor goed gescheiden worden. Voor de burgers van het Godsrijk zal dan de eeuwige sabbath aanbreken, maar het aardse rijk zal vernietigd worden, en zijn burgers zullen in strijd en onvrede voortbestaan in de buitenste duisternis.
In de geschiedenis openbaren zich de beide rijken in Abel tezenover Kaïn, in Israël tegenover Egypte, Assyrië, Babel en Rome.
Augustinus heeft zo de grote lijnen in de historie, het gezichtspunt van waaruit men haar moet benaderen en beoordelen, willen laten zien in het licht van de Schrift, maar een hierop gebaseerde praktische geschiedschrijving heeft hij niet gegeven.

Dit heeft wel de zeven eeuwen later levende bisschop Otto von Freising gedaan.
In zijn Chronicon sive Historia de duabus civitatibus, Kroniek of de geschiedenis betreffende de twee rijken, en zijn Gesta Frederici primi, De daden van Frederik I, heeft hij de geschiedenis van zijn eigen tijd beschreven. Hij is omstreeks 1115 geboren, was verwant aan de Duitse keizers Koenraad III en Frederik Barbarossa, en beleefde onder de regering van eerstgenoemde een moeilijke, verwarde tijd, waarin twisten en oorlogen niet 'van de lucht waren.
In het eerste deel van zijn Kroniek merkt hij op, dat men in de werken van beroemde geschiedschrijvers zoals Tacitus, Eusebius en Jordanes tragedies vol leed en rampen kan vinden. Deze waren opzettelijk door de Schepper beschikt, opdat de mensen, die zich gemakkelijk hechten aan aardse en wankele dingen, door de wisselvalligheden en ellendigheden hun gedachten meer op de Schepper zouden richten. Maar niet alleen in deze boeken kan men daarover lezen, want wij, die aan het eind van de tijden staan, zegt hij, kennen al die narigheden en onheilen uit onze eigen ervaring.
Alles hier verandert, niets blijft; wie zal ontkennen, dat de verstandige moet zien op de wel standhoudende stad van de eeuwigheid?
De stad Gods, het hemels Jeruzalem?
Evenals Augustinus ziet ook hij de zin van de geschiedenis in de strijd tussen het wereldse, tijdelijke rijk van de satan en het eeuwige hemelse rijk van God. Hij probeert in zijn geschiedschrijving deze alles beheersende strijd nu ook in het verloop van de gebeurtenissen te laten zien. In het tijdperk vóór Christus' geboorte behoorde het overgrote deel van de mensen tot het wereldse rijk.
Hij noemt dan de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen, de Grieken en de Romeinen. Toen het Romeinse rijk gechristianiseerd was, manifesteerde de strijd zich bijvoorbeeld in die van het Godsrijk tegen Arius en zijn aanhang.
Na Constantijn de Grote, toen alle vorsten christen geworden waren, werd de worsteling binnen de kerk voortgezet. Want hoewel Von Freising het christelijke rijk niet van de kerk wil scheiden, valt het volgens hem niet te ontkennen, dat het aardse rijk zich ook binnen de kerk openbaart.
Zelfs kwam er steeds meer verval, en als God niet had gezorgd, dat er nog voor vrede en gerechtigheid werkende vromen waren overgebleven, zou het Godsrijk ten gronde gegaan zijn.
Met het verval van de christenheid en de opkomst van het humanisme werden er geen pogingen meer gedaan bij het licht van Gods Woord een inzicht in de geschiedenis te verkrijgen. Het verloop der gebeurtenissen werd toegeschreven óf aan het toeval óf aan het noodlot. Maar met de Reformatie kwam er terugkeer naar het oude apostolische christendom en dit vond zijn weerslag op de geschiedbeschouwing. Calvijn en Luther erkenden geen onafwendbare keten van oorzaken en gevolgen, die als een noodlot over de wereld kwam. Ook kenden zij geen enkele rol aan het toeval toe. Neen, de levende God is bezig in de geschiedenis, waarin Hij met wijsheid en overleg Zijn raadsplan volvoert, met Christus als middelpunt. De geschiedenis wordt door God gemaakt, Zijn genade en toorn maken daarbij de kern uit. Dit geldt niet alleen voor de heilshistorie, maar ook voor de profane .geschiedenis.
Gods straffende gerechtigheid, zegt Calvijn, is overal te merken.
Wel waren de reformatoren ervan overtuigd, dat zij geen volledig sluitende verklaring voor de verschijnselen konden geven, en dat zij niet konden vaststellen, waarom de gebeurtenissen nu juist zo en niet anders verlopen.
Gods wegen zijn onnaspeurlijk en ondoorgrondelijk Luther spreekt van de verborgenheid Gods, Calvijn zegt, dat Gods bestel ons verstand ver te boven gaat, maar hij gelooft, dat het wijs, rechtvaardig en goed is. Evenals Augustinus en Otto von Freising beschouwen de reformatoren de geschiedenis als een worsteling tussen God en satan. Deze machten zijn echter niet gelijkwaardig. God is de overwinnaar, ook in het aktuele gebeuren. Calvijn vindt het verkeerd te spreken van de toelating van God, want dat zou betekenen, dat God een passieve houding aanneemt. Maar hiervan is geen sprake. God is ook aktief in het werk van satan, die buiten Hem niets kan uitrichten. Satan is de uitvoerder van Gods toorn.
- De georganiseerde kerk wordt door de reformatoren niet vereenzelvigd met het rijk van God.
Wel neemt de kerk in de zin van het lichaam van Christus een bijzondere plaats in, maar volledige realisering van het rijk van God komt pas aan het einde der dagen.
Evenmin moeten de rijken van de wereld gelijk gesteld worden met het rijk van de satan. Aardse rijken worden niet uitgeroeid, zolang de vorsten, die immers bij de gratie Gods regeren, hun ambt goed vervullen. Zodra zij zich echter gaan verheffen tegen God en zich in Zijn plaats willen stellen, komt God met Zijn rechtvaardige gerichten. Toen in Sodom en Gomorra de zonde op het hoogst was geklommen, werden deze steden vernietigd. Zo is het bijvoorbeeld ook gegaan met Egypte, het Romeinse rijk en andere landen.
De wereldrijken zijn ten nauwste betrekken bij de grote worsteling tussen God en satan. De staat behoort als een zelfstandige grootheid naast de kerk dienstbaar te zijn aan het rijk van God.
Ook de vraag of de mens een wezenlijke rol speelt in de geschiedenis heeft Calvijn onder de ogen gezien. Hij beantwoordt haar bevestigend. De mens is beslist geen marionet, want God heeft hem als een redelijk wezen gemaakt.
Hij draagt de verantwoordelijkheid voor zijn daden. Hij is de drager van de historische ontwikkeling, maar toch als een instrument in Gods hand bij het volvoeren van Diens raadsplan, al heeft hij met zijn handelingen vaak totaal andere bedoelingen dan die waartoe God ze gebruikt.
Uiteindelijk gebeurt alles door Gods almachtige wil. Hij regeert de wereld, ziet nooit werkeloos toe, Hij beschikt over alles, zoals het Hem goeddunkt.
De toepassing van deze op Gods Woord gegronde geschiedbeschouwing in de praktische geschiedbeoefening en -beschrijving vinden we enkele eeuwen later bij onze landgenoot Groen van Prinsterer.
Voordat we zijn overdenkingen en conclusies wat nader gaan bekijken, willen we eerst de wegen volgen, die tot de moderne gangbare opvattingen hebben geleid.
Al heel kort na de reformatie wordt de invloed van het deïsme merkbaar. Dit erkent wel, dat er een God is, die de wereld geschapen heeft, maar niet, dat diezelfde God nog steeds bezig is en handelend optreedt als onderhouder en bestuurder van die wereld.
De natuur wordt verder aan zichzelf overgelaten en de loop van de geschiedenis wordt bepaald door menselijke handelingen.
Reeds in de 16e eeuw schrijft Jean Bodin (1530-1596) de grootste invloed op de gang der gebeurtenissen toe aan de wil van de mens, al neemt hij nog wel een goddelijk plan als grondslag aan. Descartes (1596-1650) rekende al finaal af met een invloed van bovenaf. Hij ontwikkelde de theorie van de onveranderlijkheid van de natuurwetten, en een eeuw later probeerde Montesquieu (1689-1755) aan te tonen, dat ook sociale gebeurtenissen afhankelijk waren van natuurwetten en onder anderen bepaald werden door faktoren als klimaat, behoeften, karakter en dergelijke.
Kant (1724-1804) ging nog verder met de bewering, dat ook menselijke handelingen evenals ieder ander natuurverschijnsel geheel onderworpen zijn aan universele natuurwetten.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief