De zoon van David
1973-12-14
Matth. 1:1 - Jaargang 17
- nummer 46
Niet alleen in het geslachtsregister, maar op meerdere plaatsen in het evangelie heet Jezus de zoon van David. Hij wordt bijvoorbeeld bij deze naam aangeroepen door twee blinden bij Jericho: Here, heb medelijden met ons, Zoon van David! Mogelijk hebben deze ongelukkigen daarbij gedacht aan psalm 72, waar van de zoon des konings, gezongen wordt, dat hij de arme zal redden, die om hulp roept, de ellendige en wie geen helper heeft. Zoon van David, maak deze psalm, dit lied van messiaans verlangen, waar!
Toch kun je je afvragen, waarom onze Here nu juist van Israëls grootste koning moest afstammen.
Juist omdat we geloven in Gods zeer bizondere zorg in het aanwijzen van Christus' voorouders naar het vlees, stellen we die vraag. Want, is met de titel 'Zoon van David' niet een levensgroot - misverstand in het leven geroepen terzake van de aarde van Jezus' koningschap? Heeft Hij niet in alle toonaarden moeten roepen, dat zijn koninrijk niet van deze wereld was? Zou alles niet eenvoudiger geweest zijn, als God de lijn van Jezus' voorgeslacht niet over de hoge berg van het aardse koningschap van Davids huis, maar - van Abraham tot Jozef - door het laagland van de eenvoud had laten lopen? Je kunt immers bepaald ook niet zeggen, dat God het koning zijn van David op de koop toe genomen heeft. Er valt integendeel een geweldige nadruk op. God heeft zelfs met de ontvouwing van zijn messiaanse plannen gewacht, totdat er in Israël een gevestigde troon was, met een koning erop!
Toen de koning in zijn paleis was gaan wonen en de HERE hem aanalle zijden van al zijn vijanden rust gegeven had ... (2 Sam. 7 : 1) - tóen zei de Here: 'Uw eigen zoon zal Ik na u doen optreden en Ik zal zijn koningschap bevestigen (vs 12)'. Of God ook waarde heeft gehecht aan David als koning!
Waarom? Omdat God, zijn eerstgeborene in de wereld brengende, deze wereld liefgehad en serieus genomen heeft. Nergens namelijk is de wereld meer wereld dan in het politieke. Derhalve heeft de Almachtige door deze voordeur heen zijn Christus op aarde willen doen komen. Een bemoediging voor allen, die aan politiek doen.
Op onze tegenwerping, dat politiek toch vuile handen geeft, antwoordt God: juist daarom kan Ik er als Schepper-Verlosser niet omheen.
Juist daarom wordt de hele geslachtslijst van Mattheüs 1 overschaduwd door 'David, de koning' (vs 6).
Maar eenmaal door deze hoofdingang de wereld binnen gegaan zijnde, is er voor de Geest van God werk aan de winkel. Want nu moet het koningschap besneden worden, net zolang totdat het de toets van het koninkrijk der hemelen kan doorstaan. Daarom kunnen Davids zonen niet recht door lopen naar boven, de Here tegemoet in de lucht, maar gaat het met het huis van David eerst bergafwaarts tot in de smeltoven van de babylonische ballingschap.
Het duurt lang voordat het politieke is gebracht tot wat in Gods ogen het wezenlijke ervan is; waar Jezus het over heeft als Hij tot Pilatus zegt, dat Hij als koning gekomen is om te getuigen voor de waarheid - hét zere been van alle politiek der wereld, zoals Pilatus blijkens zijn antwoord begrijpt.
Het politieke is ook daarom zo weerbarstig, omdat de boze er zijn troon in opricht. Hij heeft toegehoord, toen God zijn belofte deed aangaande de zoon van David.
Van stonden aan is hij gaan woelen en wroeten in Davids huis. zodanig, dat de zoons van David met elkaar voor een verschrikkelijke karikatuur van het koningschap hebben gezorgd. Ammon, Absalom, Adonia - wat hebben ze psalm 72 op de lange baan geschoven!
De oud geworden David, daarop terug ziende, zegt in zijn laatste woorden verzuchtend: 'een rechtvaardige heerser over de mensen, een heerser in de vreze Gods, - hij is als het morgenlicht bij het opgaan der zon, een morgen zonder wolken... Maar niet alzo mijn huis bij God!' (2 Sam. 23). Voor David is zijn huis, zijn dynastie, een veel te zwak draagvlak voor de belofte van God. Toch houdt hij aan de door God gegeven toezegging vast en neemt van daaruit een sprong, niet in het duister, maar in het geloof: 'al mijn heil en alle welbehagen, zou Hij die niet laten uitspruiten?' (vs 5).
Met dit laatste is een woord gevallen, dat de latere profeten, Jesaja vooraan, hebben opgeraapt: uitspruiten. Jesaja (10/11) zag: 'Zie, de Here, de HERE der heirscharen, houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld... en er zal een rijsje voortkomende uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen'.
De Davidsboom omhakken en de tronk laten uitlopen, - ziedaar een kenmerkende werkwijze van de HERE, waarbij Hij breuk en continuïteit verenigt. Hij vèrsnijdt niet (snijdt niet kapot), maar Hij bèsnijdt. Hij verwerpt het koningschap niet, maar Hij heiligt het door crisis heen, opdat het in Jezus Christus, de zoon van David, eindelijk ter zake zal komen. Jezus Christus en zijn getuigen voor de waarheid is de kortste weg naar psalm 72.
Als het waar is, dat onze christelijke geschiedenis een weerschijn heeft van die van Israël, dan valt het niet moeilijk, de opkomst en de neergang van de christelijke staat daarin te onderscheiden. Die neergang heeft in onze dagen zijn beslag wel gekregen. Veel christenen menen nu, dat ze hiermee voor een koopje van de christelijke politiek af zijn. We mogen die als voorbije, boze droom vergeten.
Maar het is veeleer zo, dat we onder de Zoon van David politiek nu pas goed ter zake kunnen komen.
Het is waar, dat het koningschap als constructieve ordening van deze wereld voor ons voorbij lijkt. Maar dan blijft nog en komt nog wat onze allerchristelijkste Koning en onze allerkoninklijkste Christus gedaan heeft: als Koning voor stadhouders en koningen gesteld worden om te getuigen voor de waarheid. De waarheid van psalm 72, die in Christus werkelijkheid wordt.
Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van een politicus. Hij schaamt zich niet, zo te heten.