Op zoek naar de zin van de geschiedenis
1973-12-14
Als gevolg van toenemende kennis en wetenschap groeide de overtuiging, dat de historische ontwikkeling een onbeperkte menselijke vooruitgang inhield.- Jaargang 17
- nummer 46
Deze gedachte heeft in de volgende eeuwen de geschiedbeschouwing voor een groot deel beheerst.
Ondanks perioden van verval geloofde men toch aan een opgaande lijn. Men was van oordeel, dat de tijd waarin men leefde, beter was dan vorige eeuwen.
Toch waren er ook, die dit tegenspraken. Zo meende Rousseau, dat men geen reden had om van vooruitgang te spreken, zeker niet waar het de mens zelf betrof. Deze was door de toenemende kultuur juist slechter geworden.
De stroom van optimisme werd daardoor allerminst in haar Ioop gestuit. Maar had men tot aan het eind van de achttiende eeuw de vooruitgangsidee vooral gebaseerd op de vermeerdering van kennis op allerlei gebied met als gevolg ook sociale verbetering, industriële ontwikkeling, meer succesvolle ziektebestrijding, ruimere communicatiemiddelen en toenemende welvaart, in de 18e eeuw gaat men zoeken naar een wet van vooruitgang, die de opgaande lijn ook voor de toekomst verzekert. Dit leidt tot de toepassing van de voor de natuurwetenschappen ontwikkelde evolutietheorie op de gang van de geschiedenis.
In 1850, negen jaar voordat Darwin zijn Oorsprong van de soorten in het licht zou geven, had Herbert Soencer (1820-1903) hier al een proeve van gegeven.
Alle wrijving zal uiteindelijk worden uitgeschakeld, omdat alles zich ontwikkelt in de richting van het goede en volmaakt.
Het is een mechanisch proces.
Vooruitgang is geen toevalligheid, maar een noodwendigheid. Ook de menselijke natuur blijft niet dezelfde, zij zal voortdurend volmaakter worden. Een andere theorie, die eveneens een wetmatige ontwikkeling ten goede aanneemt, is die van Marx(1818-1883). Hij gaat uit van het standpunt, dat er niets anders bestaat dan de waarneembare werkelijkheid, en ontkent het bestaan van bovennatuurlijke of goddelijke krachten. De samenleving in al haar uitingsvormen wordt bepaald door het produktieproces.
Het kapitalisme heeft er noodwendig toe geleid, dat er twee klassen, bourgeoisie en proletariaat, zijn ontstaan. De klassenstrijd zal het kapitalisme ten val brengen en onvermijdelijk het communisme tot gevolg hebben, en dit is een hogere produktiewijze dan het kapitalisme. In die wetmatige ontwikkeling speelt de menselijke wil echter ook een rol.
Hij moet zelf aan de komst van de heilstaat meewerken. Vandaar dat Marx in het door hem en Engels opgestelde Manifest van de communistische partij in februari 1848 het proletariaat opriep tot daden. Vooruitgang kon alleen worden bereikt door de val van de bourgeoisie, de heerschappij van de arbeidende klasse, vernietiging van het kapitalisme, vervanging van de op klassentegenstellingen berustende maatschappij door een communistische, waarin het kapitaal geen privaatbezit, maar gemeenschappelijk eigendom zou zijn. In dit zuiver materialistische systeem is geen plaats voor de kerk, die beschouwd wordt als een onderdrukkingsapparaat met geen ander doel dan het kapitalisme te dienen door de arme uitgebuite klasse met irreële fantasieën zoet te houden.
De gang van de geschiedenis: vooruitgang, hoe dan ook. Noodwendig, gestuwd door onwrikbare wetten, of door menselijke inspanning ter bereiking van hetgeen door mensen als de heilstaat op aarde wordt gezien; Twee wereldoorlogen hebben de ontnuchtering ingezet. Ontwikkeling van wetenschap en techniek, comfort en welvaart, is dat alles wel vooruitgang? In 1918 al schreef Spengler zijn Die Untergang des Abendlandes, waarin hij stelde, dat hetgeen als een hoogtepunt werd beschouwd, slechts een stadium was dat in elke overrijpe kultuur voorkomt. En Huizinga, die in 1936 in zijn Schaduwen van morgen er al op had gewezen, dat vooruitgang van wetenschap en techniek nog niet het heil van de kultuur betekent, had in 1945 in zijn Geschonden wereld maar weinig hoop meer op herstel.
En nu? Velen geloven niet meer aan een toekomst, die het waard is ervoor te leven. Men voelt zich bedreigd juist door de ontwikkeling van wetenschap en techniek.
Luchtverontreiniging, watervervuiling, atoombommen! En zullen niet eenmaal, zelfs binnen afzienbare tijd, de levensbronnen van de aarde uitgeput zijn? Angst, ontmoediging, uitzichtloosheid, het gevoel slechts machteloos te worden meegesleurd in de wilde vaart van de geschiedenis, dat alles heeft reeds geleid tot een vlucht uit de werkelijkheid naar een schijnwereld, hetzij door drugs, sex, of mystieke religies.
Dit is geen verschijnsel, dat zich zomaar ineens voordoet in onze eeuw. Het is een uitvloeisel van eeuwenlange theorieën Itebaseerd op een gesloten wereld. Pas wanneer de relatie van de levende God met deze wereld weer wordt gezien en beleefd, is het ook nu de moeite waard deel uit te magen van de geschiedenis.
En hoe zou men deze relatie anders leren kennen dan door de opening van de Heilige Schrift?
We zullen weer terug moeten gaan naar Augustinus, Von Freising en de reformatoren. Want alleen door ootmoedig te luisteren naar hetgeen de Here zegt in Zijn Woord kan men iets leren verstaan van de zin van het wereldgebeuren, waaronder ook het leven van alle dag, ook óns leven behoort. Dan komen we te weten, dat de wereld maar niet aan zichzelf overgelaten ronddobbert in een uitzichtloze chaos, maar dat en ook hoe God daarin. aktief bezig is, hoe Zijn handelen ten nauwste in verband staat met Zijn persoonlijke relatie tot mensen en volken en de houding die deze tegenover Hem aannemen.
Hierover kunnen we veel leren uit de Spreuken van Salomo:
3: 6: "Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden rechtmaken".
3 : 9, 10: "Vereer de Here met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten, dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen".
5 : 21-23: "Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open; Hij weegt al zijn gangen; zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonden raakt hij vast. Hij sterft omdat tucht hem ontbreekt, door zijn grote dwaasheid verdwaalt hij", 11 : 11: "In de zegen der oprechten ligt de opkomst der stad, maar door de mond der goddelozen wordt zij afgebroken".
14 : 34: "Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën".
De geschiedenis van Israël en de heidense volken eromheen, zoals die in de Bijbel verteld wordt, is een bevestiging van wat Salomo ons hier leert.
"Ook op het pad der historie zij Gods Woord een lamp voor onzen voet", schreef Groen van Prinsterer in de inleiding voor zijn Handboek der geschiedenis van het vaderland 1) Dit geldt voor het zoeken naar de grote lijnen in de geschiedenis.
"Zonder de Heilige Schrift blijft de wereldgeschiedenis een raadsel", vervolgt Groen; "door het geloof weten wij haar inhoud en doel; de vervulling der Paradijsbelofte, de zegepraal van den Messias over den verleider".
Elders zegt hij: "Christus is het begin en het einde van de jaarboeken der mensheid. De Heilige Schrift bevat het plan Gods; hoe zou trachten en bedoelen der menschen, geringe wezens van den dag (het moge groot en gewichtig zijn in hun oog) tegenover het ontwerp van den Eeuwigen, van den Heer van hemel en aarde, meer dan bijzaak kunnen zijn; bijzaak die gewigt enkel uit verband tot de hoofdzaak ontleent!
- Dit Godsplan is in den Bijbel stellig en duidelijk vermeld.
Overwinning van het Rijk van Christus op dat van den menschenmoorder van den beginne, verlossing van hen, die den Zaligmaker door een opregt geloof ingelijfd zijn. Aan dit voornemen is al wat gebeurt dienstbaar en ondergeschikt. - Dus moet de kern der algemeene geschiedenis zijn de historie der Christelijke kerk; de beschrijving, niet der kerkgenootschappen, der plegtigheden en secten, maar der voortdurende werking van Gods Geest en Openbaring, ter vorming en instandhouding van Christus' gemeente. - Zonder dit ééne, wezen en hoofdzaak, geene algemeene geschiedenis, geene wijsbegeerte der historie, geene geschiedenis der menschheid en der beschaving, geene waarlijk pragmatische geschiedenis, ten ware men bedriegelijken schijn met het wezen der zaak gelijk stelt".
"Reeds in de Paradijs-belofte ligt de eenheid der historie; de uitkomst is nederlaag van het kwaad en de voorwaarde is strijd: het vrouwenzaad is de Overwinnaar en Verlosser, gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid' 2) De vooruitgangsgedachte, zoals die in Groens tijd nog vrij algemeen gehuldigd werd, wijst hij radicaal af. De menschheid, allengskens ontwikkeld en beschaafd, streeft langs omwegen, naar eene volkomenheid, die eenmaal om haar volmaakbaren aanleg zal worden bereikt. Zoodanig is de haven, waarin de geslingerde historiebeschouwer aanlandt.
Een stelsel dat langen tijd geIiefkoosd en opgevijzeld, even antihistorisch als onchristelijk is.
Volmaking van den mensch kan volgens den Bijbel nooit in beschaving en ontwikkeling bestaan.
Ontwikkeling onderstelt onbedorven kiem; het christendom leert algemeen zedenbederf.
"Volmaking van het menschengeslacht, vooruitstreven van de menschheid, als ware het, in massa, is in de Openbaring onbekend.
Deze toont verschil, tegenstrijdigheid van bestemming; geloof en ongeloof, verlossing en verderf, hemel en hel; een volk Gods dat eenmaal in Ohristus zal worden volmaakt" .3) Op Bijbelse gronden mogen wij zeggen, dat het in de geschiedenis gaat om de strijd tussen het rijk van God en dat van satan, met als einddoel de wederkomst van Christus en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar God alles zal zijn in allen, en dat daarin dus ook de zin van de geschiedenis is te vinden. Het gaat om het herstel van Gods schepping. Dat is de grote lijn in de wereldhistorie, maar zij manifesteert zich in alle feiten en gebeurtenissen, tot in de kleinste bijzonderheden, met hun oorzaken en gevolgen, waarin God, zoals M. C. Smit het in zijn rede Het Goddelijk geheim in de geschiedenis uitdrukt, "intiem aanwezig" is.
J. C. Janse heeft in een in 1953 gehouden lezing over Schrift en historie terecht opgemerkt, dat we wel mogen zoeken naar de zin en samenhang der dingen, maar dat dit niet gepaard mag gaan met het verwaarlozen van de feiten.
Want juist deze vormen de geschiedenis, zoals zijn vader A. Janse haar eens definieerde als: "alles wat geschied is. Alle geschiedenissen.
De uitwerking in de tijd van Gods raadsplan".
De grote betekens van Groen van Prinsterer als historicus ligt nu juist daarin dat hij het niet gelaten heeft bij een theoretische geschiedbeschouwing, maar ook de feiten en gebeurtenissen, voorzover deze uit de in zijn tijd ter beschikking staande bronnen bekend waren, heeft verteld en laten zien als het werk van de Here.
Bij alle kritiek, die men op grond van later ontdekte geschiedbronnen hier en daar zou kunnen hebben op zijn voorstelling van de historische feiten, bliift de methode volgens welke hij het verloop van de gebeurtenissen tracht te verklaren bij het licht van Gods Woord, toch juist. In het voetspoor van Calvijn, die immers Gods genade en toorn de kern achtte, schrijft Groen aan de vervulling van Gods beloften en dreigingen een grote rol toe.
Dikwijls verwijst hij naar Schriftplaatsen om daar de aandacht op te vestigen.
Om een indruk te geven, hoe hij dit doet, laat ik hier enkele voorbeelden volgen. De gebeurtenissen in de vijfde eeuw, die wij gewoonlijk als de volksverhuizing aanduiden, beschrijft hij aldus: "In de vijfde eeuw, en net als vroeger, werd het gebied der Romeinen door uit het Noorden opgedaagde volksstammen, uitvoerders der gerigten Gods, bedreigd, aangetast, ingenomen, overheerd.
Dit was het lot ook der Nederlanden; zelfs de naam der Batavieren ging in den naam der Franken en Friezen te niet. Het ontbrak den Romeinen niet aan beleid, moed en volharding; de gansche toen bekende wereld was door hen ten onder gebragt; eigenaardig had de Profeet (Daniël 2: 4) de heerschappij dezer geweldenaars aangeduid als een Rijk van ijzer, hetgeen alles vermaalt en vergruist. Schitterende krijgsmanshoedanigheden waren met velerlei ondeugden gepaard; met onverzadelijke begeerte naar roem, magt, geld en zingenot; met onbarmhartig en diep bederf: 'zich uitgevende voor wijzen, waren zij dwaas geworden, vervuld zijnde met alle ongeregtigheid' (Rom. 1: 22, 29). Zij hadden Christus in Zijne discipelen, drie eeuwen, op de vreeselijkste wijze vervolgd; vele duizenden waren te Rome of op Romeinsch grondgebied onthoofd, verbrand, gekruist, tot schouwspel en tijdverdrijf, door de wilde beesten verscheurd.
- De Romeinen hadden de Profetieën tegen Jeruzalem vervuld; nu was voor hen de tijd der vergelding daar. - Tallooze scharen, uit het barre Noorden stroomden naar de vruchtbare Zuiderstreken af. Ook thans gold de voorspelling: 'God zal eene banier opwerpen onder de heidenen van verre; en Hij zal ze roepen van het einde der aarde, en ziet, snellijk zullen zij aankomen.' 'Het Rijk viel uiteen; de oppermagtige stad wier bevel over de gansche aarde uitgegaan was, werd meer dan eens geplunderd en verwoest." 4) Naar aanleiding van de prediking van het evangelie in onze landen schrijft Groen: "Christelijke zendelingen kwamen reeds in de achttiende eeuw, 'Mannen vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en die hunne zielen overgegeven hadden voor den naam van onzen Heer Jezus Christus'. Willebrord en Bonifacius zijn, door ijver en zelfopoffering bekend. - Zoo ging in de Nederlanden het licht op voor het volk dat in duisternis wandelde en woonde in een land der schaduwe des doods. - 'Predikt het evangelie aan alle creaturen', had de Heer gezegd, 'dezelve doopende en hun leerende onderhouden al wat Ik u geboden heb'. De Apostelen en die hun woord geloofden, 'uitgegaan zijnde predikten overal en de Heer wrocht mede en bevestigde het woord door teekenen die daarop volgden'. - Het Evangelie had, na den meest geweldigen tegenstand, op de Romeinen en op de overwinnaars der Romeinen, de zege behaald".5) "Dit geringe land is, door welvaart, rijkdom, magt en invloed,
naast en boven de grootste mogendheden verhoogd. God heeft het gedaan: 'Onzer vaderen arm heeft hun geen heil gegeven; maar uw regterhand, en uw arm en het licht uwes aangezigts'. Hij verheerlijk zich 'in het zwakke en het verachte der wereld, opdat geen vleesch zou roemen voor Hem'. - De geschiedenis van het Gemeenebest is de bevestiging der belofte: 'Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijne geregtigheid, en alle dingen zullen u toegeworpen worden.
Welgelukzalig wiens God de Heer is'.
(wordt vervolgd)
1) G. Groen van Prinsterer, Handboek van het Vaderland, Amsterdam 1872.
2) G. Groen van Prinsterer, Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd, Amsterdam 1858, p..59-60, 2e druk.
3) Proeve enz., p. 50-51, 51-52.
4) Handboek enz., 2e druk, p. 4.
5) Handboek enz., p. 5.