Mensen hebben hun gebreken

1973-12-14
  • Jaargang 17
  • nummer 46
"Ieder gek heeft z'n gebrek", zegt men wel eens. Dat klinkt hard. Het is ook niet waar, want èlk mens heeft zijn gebreken.
Er zijn mensen met zeer opvallende gebreken. Iemand kan blind, kreupel of op een andere manier meer of minder ernstig misvormd zijn.
Er zijn zeer opvallende tekorten, die eigenlijk in extreme vorm de tekorten aangeven, die alle mensen hebben. De laatste hebben het minder opvallend of meer verborgen. Er zijn mensen, die een vrolijk masker dragen, terwijl hun vrienden weten dat er een grauwe werkelijkheid achter schuil gaat.
"De mensen hebben hun gebreken"
schreef Anton van Duinkerken, De strekking van dit bemoedigende prismaboekje is, dat de mensen ondanks hun gebreken of juist in hun gebreken iets groots hebben.
Veel mensen spreken graag over elkaars gebreken. Het liefst over die van anderen. Natuurlijk toont men medelijden, maar vaak lijkt dit een excuus om er steeds weer over te praten. Medelijden is nog geen medeleven. Het is opvallend hoe gemakkelijk men de tekortkomingen van iemand uit zijn verleden weet op te halen.
Dat wil zeggen: iemand op zijn verleden vastpinnen en hem niet de gelegenheid geven een nieuw leven te beginnen.
Wij wennen haast aan alles. Het bijzondere wordt na verloop van tijd gewoon, maar iemands gebreken vergeten wij zelden.
"Wie eens steelt, is altijd een dief", is dan ook een zeer antichristelijk spreekwoord. Iemand iets vergeven voordat hij er om vraagt, ja zelfs als hij er niet om vraagt, is één van de belangrijkste kenmerken van het christenleven.
Er is over menselijke gebreken ook nog wel iets anders te zeggen.

Homerus had een gebrek. Hij was blind.
Een blinde kent men niet aan zijn ogen, maar aan zijn hand. Zijn starende blik verandert niet met de steeds wisselende gebeurtenissen van zijn omgeving. Zijn blik wordt echter ook niet vertroebeld door de steeds veranderende gebeurtenissen.
Toch begreep Homerus het wereldgebeuren van zijn tijd. Al dichtend beschreef hij dit gebeuren in zijn schoonheid zoals hij het in zijn verbeelding zag. Heimwee en dood, herinnering en verwachting werden door hem schitterend uitgebeeld.
De hand van een blinde is een voelspriet. Zij tast voorzichtig en neemt de fijnste nuanceringen waar. Tot ruwe handelingen onbekwaam, wordt de fijngevoeligheid van andere zintuigen gestimuleerd Homerus zag met een naar binnen gericht oog de overwegingen van het menselijk hart en zag de schoonheid van het leven. Hij "zag" scherp. Een blinde kan andere mensen dit soort dingen leren "zien".
De blinde Jules de Corte heeft, misschien beter dan een niet-blinde, zingende de vragen kunnen stellen:

waarom zijn de wolken zo snel. .?
waarom zijn de zeëen zo diep ... ?
waarom zijn de mensen zo moe .. ?

Je moet soms ziek zijn om gezondheid te kunnen waarderen.
Je moet soms ellende ervaren om vreugde te leren kennen. Het kennen van iemands gebreken kan nodig zijn om zijn goede eigenschappen ondanks die gebreken of juist dank zij die gebreken te leren waarderen.
Maar wat is moeilijker dan het leven kennen van een mens?
De blinde Homerus leert zijn lezer “zien”.
De bultenaar Esopus verlangde naar rechtschapenheid en in zijn wijze fabels kon hij er schitterend over vertellen, tot lering van anderen.
Erasmus leed aan reumatiek. Het verzitten in zijn stoel, zelfs zijn lachspieren deden hem soms pijn. Ronduit lachen om de gebreken van anderen kon Erasmus daarom niet. Hij toonde echter intense vrolijkheid over de menselijke zotheden. Hij maakte geen grapjes over mensen ten koste van deze mensen. Wel zette hij de mensheid te kijk in haar wankelen op de top van de maatschappelijke ladder of in het op haar tenen staan om aan de zonde te ontkomen. Uitgerekend Erasmus schreef "de lof der zotheid".
De dove Ronsard toonde in zijn gedichten een indrukwekkende welluidendheid. Zijn zuivere muzikaliteit werd niet verstoord door het gedruis van het leven om hem heen.
Tenslotte Andersen, die leed onder zijn lelijk uiterlijk en die in zijn sprookjes de schoonste werelden beschreef.
Gebreken kunnen voorwaarden voor iets groots zijn.

De mens treedt in het openbaar met wat voor ogen is... blind, doof, lelijk, een bult, oninteressant.
Wij beoordelen zo gemakkelijk onze medemensen op uiterlijkheden.
Sommige mensen ontwijken de blik van anderen om de misprijzing of het medelijden in hun ogen niet op te vangen.
Elk mens kent de vrees om in zijn gebreken ontmaskerd te worden.
Sommigen aarzelen om met andere mensen in kontakt te komen, om anderen te leren kennen en zichzelf te laten kennen; wetend hoe zuiver en intens goede tussenmenselijke verhoudingen kunnen zijn, vrezend hoe hard en krenkend zij soms verbroken kunnen worden.

Wie kijkt zo nu en dan op zijn leven terug met de opmerking: wat daarin mijn trots is, is moeite en verdriet?
"Trots" niet in de betekenis van hoogmoed, maar in de zin van: het meest eigene, het meest wezenlijke van het mens-zijn. En het meest eigene van een mensenleven is moeite en verdriet, omdat de dieptepunten in het leven nodig zijn om hoogtepunten te kunnen zien, omdat de konfrontatie met onze tekorten, de vraag kan oproepen naar vergeving en genade, omdat het bidden in onze moeilijkheden uitnodigt om ook te danken. Anders gezegd betekent het ook dit: Waar je je echt voor ingezet hebt, bijv. om tegen je tekortkomingen te strijden, terwijl je daarin vaak tekort schiet en mislukt.
Dit beleeft ieder op zijn eigen manier.
Ons leven ... en wat daarin het meest eigene is ...

Soms zou je wel eens in het leven van een ander willen rondkijken.
Wat gaat er in dat leven om, hoe beleeft hij dit of dat en hoe verwerkt hij het?
Wat is iemand leren kennen?
Wie kent een huis, zonder op de zolder, in de kelder of in de verborgen hoeken te zijn geweest?
Augustinus zegt in het vierde boek van zijn Belijdenissen: Een ondoorgrondelijke diepte is de mens, wiens haren Gij, o Heer, zelf geteld hebt en zonder U gaat geen enkel verloren: en toch: zijn haren zijn lichter te tellen dan zijn aandoeningen en de bewegingen van zijn hart.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief