't Loopt tegen het nieuwe jaar
1973-12-21
Matth. 1 - Jaargang 17
- nummer 47
Het is natuurlijk niet toevallig, dat Kerst en oud-en-nieuw dicht bij elkaar gevierd worden. Het kerstversje, dat zo kinderlijk en onbeholpen het verband tussen beiden onder woorden brengt, haast op de manier van een sinterklaasgedicht - doet toch eigenlijk een prachtige greep en nodigt ons uit, op het intieme kerstfeest op de wereldklok te kijken. Het oude jaar en het nieuwe, het zijn beiden anni Domini, jaren naar onze Here Jezus genoemd. De menswording van de Zoon van God maakt ons tijd- en geschiedenis-bewust.
En omgekeerd, toegerust met een antenne voor tijd en geschiedenis, verstaan wij de komst van onze lieve Heer beter.
Is het ook Mattheüs met zijn geslachtsregister - geschiedverhaal in vogelvlucht! - er niet om te doen geweest, dat wij Jezus Christus in het centrum van een goddelijk geschiedenisplan zouden zien staan? Hij komt tot ons in het gewaad der heilshistorie. Noodzaakt ons dat niet, onze geschiedenis serieus te nemen, naar Gods plan erin te zoeken en haar op haar heilsgehalte te toetsen? Want wij geloven toch, dat wat Hij is begonnen, Hem ook vandaag niet u' t de handen valt?
Welnu, Mattheüs' geslachtsregister wijst op profetische wijze in Israëls geschiedenis een tendens aan.
De tendens van een toenemend ter zake komen. Gaandeweg duidelijker komt het verschil aan de dag tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient. Dat verschil zit er van meet af in, maar komt er toch niet aanstonds helemaal uit. De vormen van deze wereld waarin Israël zich aanvankelijk, zij het niet zonder kritiek, uitdrukte (bijvoorbeeld volkwording en koningschap) hebben vertragend ingewerkt op het openbaar worden van dit verschil. Maar met name in en door de ballingschap zijn deze vormen der wereld als schijngestalten ontmaskerd en is er een Israël te voorschijn gekomen onder vormen, waarin de Geest over het vlees triomfeerde.
God schept omstandigheden, waarin de rechtvaardige als zodanig naar voren treedt: Jozef, de ondertrouwde man van Maria, en Zacharias en Elisabeth, welke beiden rechtvaardig voor God waren, wandelende in alle de geboden en inzettingen des Heren, onberispelijk (Luc. 1 : 6).
Om misverstand af te snijden: wanneer de Schrift deze mensen rechtvaardig noemt, is dat niet in tegenstelling tot bijvoorbeeld David, die dat niet zou zijn, maar hun achtergrond is anders: zij steken scherper af. Het louteringsvuur der geschiedenis heeft ze als Israëlieten, in welke geen bedrog is (Joh. 1 : 47) gescheiden van hen die zeggen, dat ze joden zijn en het niet zijn, maar liegen (openb. 3:9).
Een nog groter misverstand moet bestreden worden. Deze laatsten der rechtvaardigen zijn niet de room van Israéls geschiedenis, het gezegende toppunt, waarom alles begonnen was, degenen, op wie God gewacht heeft. Nee, God de Here had ze niet nodig. Jozef was immers ook niet de verwekker van de Messias? De Here Jezus is niet uit hem, maar áán hem geboren.
Jozef was geheel ontvangende partij. En zoals Jozef, zo waren ze allen.
Geen ijdele mensenroem dus. God is met Israël en in Israël ter zake gekomen.
Toen de Messias optrad, kon er een duidelijk ja en een duidelijk nee gezegd worden. Hijzelf trouwens was het, die aan dit verduidelijkingsproces de laatste hand heeft gelegd: 'deze is gesteld tot een val en een opstanding van velen in Israël' (Luc. 2: 34) en 'wie niet vóór Mij is, die is tegen Mij' (Luc. 11: 23). De zin van de oudtestamentische geschiedenis is geweest, de kinderen Israëls zodanig op de ontmoeting met de Messias voor te bereiden, dat ze op het meest diepe en het meest wezenlijke niveau op Hem konden en zouden reageren.
Ook nu wil ik proberen, van hieruit onze tijd ~e benaderen. Dit ter zake komen, is dat ook niet een sleutel tot het verstaan van wat hier en nu gaande is? Moet ook voor onze geschiedenis de zin niet gezocht worden in de groei naar duidelijkheid? Zal dit niet het nieuwe van het nieuw jaar en tegelijk het nieuwe van het vóór ons liggende tijdperk zijn, dat er bij de mensen gaat uitkomen wat er in zit?
Volgens één der laatste woorden van de Bijbel: 'die onrecht doet, hij doe nog meer onrecht, en die vuil is, hij worde nog vuiler, wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid en wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd' (Openb. 22: 11). Legt dit woord onze geschiedenis niet open tot op haar zin?
Ook nu moeten we beide misvattingen van zoëven tegengaan. Wij mogen vanuit dit woord niet als vanuit een zelfbereikte hoogte neerzien op het gestumper der voorgaande generaties, die niet meer hadden dan een klein beginsel der nieuwe gehoorzaamheid.
Wij zouden door zulke eigenwaan toch maar de schijnheiligen der laatste dagen worden. Het gaat ook in de eindfase van Onze geschiedenis meer om het afwerpen van schijngestalten, ontmaskering, kleur bekennen. Door alle onzakelijke polarisaties heen voltrekt er zich één die wezenlijk en blijvend is en zich ten uiterste doorzet.
En dan, ook de allerheiligsten van het einde brengen het koninkrijk niet. Zoals Izak ààn Abraham geboren is en, meer nog, Jezus ààn Jozef, zo zal het voltooide koninkrijk ook ààn de gemeente van Christus worden gegeven. Opdat geen vlees zal roemen voor God.
Groeiende duidelijkheid. Uit de puinhopen, die de secularisatie heeft aangericht, zal de zaddieq, de Zadok, naar voren komen, de rechtvaardige, die, als de oude Simeon, rechtvaardig en vroom, de vertroosting van Israël verwacht (Luc. 2 : 25) en, als de oude Anna en haar kring, voor Jeruzalem verlossing verwacht (Luc. 2 : 38).
Mogen wij op het Kerstfeest-1973 niet zeggen, dat het tegen dit nieuw jaar, tegen deze nieuwe tijd loopt? Ook als wij er nog niet op rekenen, doen we goed, er althans méé te rekenen.