De geboorte van het "Kerstfeest"

1973-12-21
  • Jaargang 17
  • nummer 47
Sinds vele eeuwen wordt in heel de wereld op de 25ste en 26ste december het "Kerstfeest" gevierd. Voor de overgrote massa van hen die tot de christenen gerekend worden is "Kerstfeest" zelfs het feest bij uitnemendheid.
Voor geen enkel feest worden zoveel voorbereidingen getroffen als voor dit. Nooit worden er ook zoveel samenkomsten georganiseerd als in het eind van december. Tot midden in de nacht.

Het kan bijna niet anders of de vraag moet wel eens opkomen: Waarom viert men het Kerstfeest midden in de winter? En: heeft men dat in de christelijke kerk van meet af op die bekende twee dagen in december gedaan?
Wanneer men een antwoord zoekt op deze vragen en men wel dat serieus doen, vraagt men zich al gauw af: Wat ben ik begonnen?
Want er is reeds een enorme hoeveelheid litteratuur over verschenen.
En wat nog erger is: de geleerden zijn het ook over deze kwestie nog lang niet in alles met elkaar eens, Nagenoeg omtrent alle kwesties die met ontstaan en datering van het "Kerstfeest" samenhangen, bestaat er verschil van opvatting. Maar tegelijk bij het onderzoek daarvan zoveel interessants voor de dag, dat de vragen omtrent de geboorte van het "Kerstfeest" wel eens de meest bekoorlijke zijn genoemd die de beoefening van de liturgiegeschiedenis aan haar vrienden stelt.
In dit artikel wil ik een en ander over de oorsprong van het "Kerstfeest" vertellen, zoals we ons die op grond van de jongste onderzoekingen moeten voorstellen.

Het eerste wat bij het overzien van de bekende gegevens opvalt is dat het oudste bericht omtrent iets dat op een "Kerstfeest" lijkt pas uit het midden van de tweede eeuw stamt. De bekende oudchristelijke schrijver Clemens van Alexandrië vertelt namelijk in een van zijn boeken dat een gnostische sekte op 6 of 10 januari feestelijk de doop van Christus herdenkt.
Maar Clemens is over deze herdenking allesbehalve gesticht.
Want deze gnostieken beweren en dit is een hoofdpunt van hun leer - dat de goddelijke Christus pas bij de doop op de aarde verschenen is. Hij nam toen tijdelijk zijn intrek in de mens jezus. Naar deze verschijning van Christus noemden deze ketters dat feest uit het begin van januari epiphaniënfeest - "Verschijning" is in het grieks epiphaneia.
Na dit bericht van Clemens zwijgt de oudchristelijke litteratuur nota bene twee eeuwen lang over een "Kerstfeest". Van een Paasfeest horen we wel. Dat werd in feite elke zondag door de eerste christenen gevierd! Maar van een "Kerstfeest" horen we niets. Niet zonder grond is het vermoeden geuit dat de oude kerk die met zo grote inspanning en ten koste van zoveel offers haar roeping in de heidenwereld en tegenover de ketters volbracht, de schrik voor een "Kerstfeest" te pakken heeft gekregen toen het door zulke gevaarlijke lieden als deze gnostieken voor het eerst werd gelanceerd.
Maar, eindelijk, in de vierde eeuw duikt het in de litteratuur toch op.
En, merkwaardig, het wordt dan op twee verschillende data gevierd!
In het Oosten op de reeds genoemde datum, namelijk op 6 januari. In het Westen op de ons zo vertrouwde 25 ste december.

Wanneer we dit lezen komt van zelf de vraag op: waarom juist op deze data?
Het is immers evident dat de Heilige Schrift geen enkele aanduiding geeft omtrent de geboortedag van onze Heiland. Of ja, toch wel. Maar die is zó, dat ze nooit aanleiding kan geweest zijn om het Kerstfeest midden in de winter te plaatsen. We lezen immers bij Lukas, dat in de nacht, waarin Christus geboren werd, de herders 's nachts buiten waren om de wacht te houden over hun kudden Welnu in Palestina bleef het vee alleen in de maanden maart/april tot november 's nachts in het open veld! Volgens de gegevens van de Schrift is het dus het meest waarschijnlijk, dat de Here jezus in het voorjaar of in de zomer geboren werd en niet in december of januari.
Er werd onder de oudste christenen wel ijverig naar de geboortedatum van de Christus gezocht.
Ook christenen zijn nieuwsgierig!
En men deed dat, zoals steeds wanneer de kerk wat méér wil weten dan haar in de Schrift wordt geopenbaard, door middel van speculatie.
In een geschrift uit het jaar 243 wordt b.v. betoogd, dat de Heiland op 28 maart werd geboren.
Dat wordt op de volgende manier klaar gespeeld. In Genesis, aldus deze onbekende fantast, leest men dat God het licht van de duisternis scheidde. De man voegt aan deze mededeling toe, dat daarbij licht en duisternis twee gelijke delen vormden. Derhalve - aldus de logica van deze "theoloog" moet de schepping der wereld hebben plaats gevonden op een dag, waarop de licht- en de duisternisperiode gelijke lengte hadden. Welnu, zo is zijn vlot getrokken conclusie, dan viel de schepping op de voorjaarsdagen nachtviering. En dat was volgens de romeinse kalender 25 maart. Derhalve werd de wereld op de 25 ste maart geschapen!
Van deze datum uitgaande, betoogt de schrijver dus, dat de zon op de 28 ste maart werd te voorschijn geroepen. Voor de christenen is nu Christus de zon der gerechtigheid.
Derhalve moest de Christus op 28 maart zijn geboren!
Als men zo'n redenatie leest, komt met te meer klem de vraag op ons af: hoe kwam men dan toch aan die 25ste december en die 6de januari.
Het antwoord op die vraag kan kort en krachtig luiden: ze werden uit het heidendom overgenomen.

In het romeinse imperium was geleidelijk de uit Perzië stammende Mithrareligie zeer verbreid geworden.
Het was de eredienst van de zon. Deze was de Sol inoictus, de nooit overwonnene en onoverwinnelijke zonnegod. De grote dag in deze religie was de 25 ste december.
Volgens de romeinse kalender was die dag de dag van de winterzonnewende. Het was de dag van de wedergeboorte van de zon. Gedurende zes maanden was de zon in de kracht waarmee ze de aarde bescheen steeds zwakker geworden en was ze dag na dag korter tijd zichtbaar geweest.
Maar op 25 - nu 21 - december kwam het grote keerpunt. En daarom vierden de Romeinen die dag met grote feesten. Het was de dies natalis invidicti, de geboortedag van de onoverwonnene. Grote vuren werden ontstoken om de zon te helpen boven de horizon uit te stijgen. Tegelijk waren die vuren een symbool van de nieuwe geboorte van de zon, die nimmer geheel onder ging, maar elk jaar opnieuw de duisternis overwon.
Met deze Mithradienst heeft de kerk een harde strijd moeten voeren.
Het was de taaiste afgoderij in het "stervend heidendom". Het is bekend, dat Constantijn de Grote, door wie de christelijke religie tot staatsgodsdienst werd verheven, sterk door de Mithacultus werd geboeid. Hij liet zelfs standbeelden maken, die hem uitbeeldden als 'n zonnegod met 'n stralenkrans.
En op het voetstuk daarvan liet hij het dubieuze opschrift aanbrengen: "Aan Constantijn, de als de zon stralende." Het is voorts wel zeker dat deze eerste christelijke keizer, die zich pas op zijn sterfbed heeft laten dopen er naar heeft gestreefd de zonnecultus met de dienst van Christus te verbinden.
Het zijn nu de kerken in het Westen geweest, die, onder leiding van die van Rome, het feest van Christus' geboorte op 25 december hebben gesteld.

De overwegingen, welke die kerken daartoe hebben gebracht zijn gemakkelijk te reconstrueren.
Was Christus niet de ware zon, de zonne der gerechtigheid? Was Hij niet het waarachtige licht, dat de heidenen, de volkeren verlicht?
Christus is onze zon, riep Ambrosius, de bekende bisschop van Milaan, toen hij in een preek de heidense zonnecultus met de dienst van Christus vergeleek. Ook Augustinus zinspeelt op deze heidense afgoderij, als hij de christenen oproept op de 25 ste december niet de zon te vereren, maar Hem, die de zon geschapen heeft. En Paus Leo de Grote gispt met scherpe woorden het slechte geloof van hen, die op de 25ste december de geboorte van de zon in plaats van die van Christus vierden.
Ook deze zonnecultus werd ten slotte door de kerk overwonnen.
En toen dat geschiedde, toen de christelijke religie de alleen erkende werd in het romeinse wereldrijk, groeide onder de christenen het triomfantelijk besef, dat háár Zonne der gerechtigheid de "nooitoverwonnene" toch had ten onder gebracht!
De laatste, meest verheven en diepst gewortelde godsvoorstelling van de antieke natuurreligie was krachteloos geworden. De laatste schutspatroon van het laatste oude wereldrijk was afgedankt. Christus had ook deze "macht" overwonnen.
En in plaats van het geboortefeest van de zon, kwam nu het geboortefeest van de Christus. Er zijn geleerden die het stellen van Christus' geboortefeest op 25 december ook zien als een poging om het de Mithravereerders, door een zich zoveel mogelijk aan hun ideeën en gewoonten aan te passen, gemakkelijk wilden maken christen te worden. Ze bleven als ze christen werden immers toch ook nog een "zon" aanbidden!
En hun oude , geliefde feestdag konden ze behouden!
In ieder geval: het "Kerstfeest" werd op 25 december gesteld.
Vóór 336 werd het in Rome reeds op deze dag gevierd. Het was, zoals Hans Lietzmann het kernachtig omschrijft, een liturgisch dankgebed voor de overwinning van Constantijn over zijn heidense tegenstanders, ten gevolge waarvan de christelijke kerk rijkskerk was geworden. Maar de datum van het feest was ten slotte door het heidendom bepaald!

Een geheel andere wereld komt men binnen, als men nagaat waarom door de oostelijke kerken het "Kerstfeest" aanvankelijk op 6 januari werd gevierd. Het "Kerstfeest"
van die datum kwam nl. in het begin van de vierde eeuw in Egypte in gebruik en verbreidde zich snel over Jeruzalem (waar het met veel optochten en plechtigheden werd gevierd) naar het Oosten.
Ook deze datum werd van de heidenen overgenomen.
In Alexandrië werd n.l. in die tijd in de tempel van Kore onder fluitspel een nachtelijk feest gevierd dat in de vroege morgen van de 6de januari zijn hoogtepunt bereikte.
De deelnemers aan dat feest trokken dan bij fakkellicht naar een onderaards heiligdom, waaruit zij een houten afgodsbeeld te voorschijn haalden, dat aan voorhoofd handen en voeten met goud was versierd, Dat beeld werd in een plechtige processie onder gezang en meeslepende muziek zeven maal uit her- binnenste gedeelte van de tempel gedragen, om daarna weer in het onderaards verblijf te worden weggeborgen. De zin van dit mysterie was de vreugde over het feit, dat op dat uur de maagd (Kore) aan wie de tempel was gewijd, de aeon. ter wereld had gebracht. Deze Aeon was de personificatie van de eeuwigheid en werd in de eerste eeuwen na Christus in het Oosten hoog vereerd.
Wanneer men dit verhaal hoort, begrijpt men onmiddellijk, dat door de onkundige massa én door hen, die de antithese tussen christendom en heidendom niet zagen, tussen deze mythe en het evangelie van de geboorte van de Here Christus gemakkelijk een zekere gelijkenis, kon worden geconstateerd. Ja, dat men mythe en evangelie eenvoudig identificeerde. En men verstaat ook, waarom in de oosterse kerken de 6de januari de dag van het feest van Christus' geboorte on worden. Men noemt dat het epiphaniën-feest. Het feest van de verschijning van Jezus Christus op deze wereld.
In diezelfde nacht vond evenwel ook nog een ander mysterie plaats In de nacht van 5 op 6 januari kreeg namelijk het water van de Nijl een wonderdoende kracht.
Het werd door de Egyptenaren in kruiken geschept om het als afweermiddel tegen alle kwalen zorgvuldig in hun huizen te bewaren.
Dit heilbrengende wonder nu had, naar de opvatting van de oosterse christenen, Christus voor de zijnen verricht. En wel door zijn doop.
Daardoor had Hij immers het water tot een heilbrengend water gemaakt.
Ofschoon volgens de evangeliën Christus op klaarlichte dag was gedoopt, was de overgeleverde ritus toch sterk genoeg om het feest in de nacht te doen vieren.
Omstreeks middernacht sprak de priester het gebed van de waterwijding uit en dan renden allen met kruiken naar een rivier of beek om het heilige water te halen.
Precies als de heidense Egyptenaren dat bij de Nijl deden.
Voor de christenen was natuurlijk de Jordaan voor alles de aangewezen plaats voor dat feest. Daarin was Jezus eenmaal echt gedoopt!
Maar het feest werd voorts in het. oosten overal gevierd, waar een geschikte beek of bron werd aangetroffen. . .
Op deze wijze werd het epiphaniën-feest 66k nog het feest van Christus' doop.
Maar 6 januari had voorde heidenen zelfs nog een derde betekenis.
In de nacht, die aan die dag voorafging, verscheen volgens hen de god Dionysos (of Bacchus) op aarde en veranderde op de plaatsen waar hij graag vertoefde het water in wijn.
Hoe het zo gekomen is, dat de dag van het Nijl-mysterie met dit Dionysos-mysterie samenviel is niet bekend. Maar een feit is het. En ook is het een feit, dat' de christenen, onder invloed van wat de heidenen over Dionysos vertelden, op 6 januari het wonder van Kana feestslijk gingen gedenken. Er is zelfs een oud-christelijke schrijver, die verzekert, dat op die dag en op precies hetzelfde uur als waarop Christus in Kana zijn grote wonder verrichtte (Joh. 2 : 8) sommige bronnen hun water in wijn veranderden!
Hij verzekert zelfs, dat hij uit zulk een bron gedronken heeft. Als Lietzmann de mededeling van deze schrijver doorgeeft, voegt hij er ironisch aan toe, dat de maner niet bij zegt, of hij uit die bron water of wijn heeft gedronken!

Langzamerhand werd op .enkele uitzonderingen na - in Jeruzalem en Egypte vierde men het kerstfeest nog. tot in het midden van de zesde eeuw op 6 januari - het feest van Christus' geboorte overal op 25 december gevierd. Met de toenemende macht van de kerk van Rome vonden ook de door haar aanvaarde riten en feesten steeds algemener erkenning: Hoe deze unificatie plaats vond is een aparte geschiedenis, waarin nog heel veel duister is.
Maar de viering van 6 januari als een bizondere feestdag, zij het met andere "inhoud bleef ook steeds gehandhaafd.
Guido Gezelle schrijft in zijn "Rond de Heerd" over 6 januari: "Op dezen nieuwen Kerstdag vieren wij de drie veropenbaringen Christi: de eerste te Bethlehem, door de wonderbare sterre, aan de drie Wijzen of grooten uit den Oost ... ; - de tweede in de Jordane, door den Heiligen Geest, de blinkende wolke en de stemme, die den gedoopten Christus verheerlijkten, onder deze wonderlijke Godssprake: "Ghij sijt Mijn beminde Sone, in U hebIc behagen"; - de derde te Cana in Galileënland, waar Hij Zijn eerste mirakel deed en de zes steenen kruiken water in besten wijn veranderde, waarmede "Hij heeft gheopenbaart Sijn glorie"."
De Roomse kerk herdenkt nu op de 6de januari - het driekoningenfeest - officiëel de aanbidding der wijzen. In 450 werd voor het eerst de komst vande wijzen met 6 januari in verband gebracht. Waarom - dat weten we niet. Om daardoor het oosterse epiphaniën-feest weg te werken?
We kunnen net slechts vermoeden.
Al is het waarschijnlijk.
In het Oosten wordt op die datum de herinnering aan de doop van Christus levendig gehouden. Het is daar nog de doopdag bij uitnemendheid.

Dit is een en ander over de geboorte van het "Kerstfeest".
Wanneer we nu alles nog eens overwegen, dan kunnen we enkele dingen met zekerheid zeggen:

1. De Heilige Schrift noemde ons de geboortedatum van Christus niet. We moeten die' daarom ook maar niet proberen op te zoeken, laat staan op een willekeurige dag vast te stellen.

2. De 25ste december werd tot "Kerstfeest" verheven toen men een speciale herinneringsdag en feestdag van Christus' geboorte wilde vaststellen. De Heilige Schrift geeft ons evenwel geen enkele aanwijzing dat de Here Christus op zo'n speciale herdenkingsdag gesteld is. Veeleer dringt de Heilige Schrift ons er toe de geboorte van onze Heiland steeds in gedachtenis te houden.

3. Deze 25ste december was voluit een heidense feestdag. Op zeer bedenkeliike wijze - namelijk onder de suggestie van een verméénde analogie tussen de daarop gevierde heidense mysteriën en "de verborgenheid der godzaligheid"
ons in Christus' geboorte geschonken, misschien zelfs wel om het evangelie zoveel mogelijk acceptabel te maken bij de heidenen en dus de ergernis en dwaasheid van Christus' geboorte weg te nemen - werd deze heidense feestdag omgevormd tot een christelijke.

4. Het is daarom te begrijpen dat de reformatoren geen prijs stelden op het in stand houden van dit feest.

N.B. Over het ontstaan en de betekenis van het "Kerstfeest" vindt men vele gegevens in: H.
Usener, Das Weihnachtsfest 2, 1911; Karl Holl, Gesammelte Aufsätze zur Kircherigeschichte, lI, Der Osten, p. 123-154 (Der Ursprung des Epiphanienfestes); Hans Leitzmann, Geschichte der Alten Kirche, 3, p. 321 v., idem, Petrus und Paulus 2, p. 103-109.
Een populair overzicht over deze kwestie geeft: Oscar Cullmann, Weihnachten in der alten Kirche, 1947

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief