Op zoek naar de zin van de geschiedenis

1973-12-21
  • Jaargang 17
  • nummer 47
Toen in ons land de theorieën van de franse revolutie werden gehuldigd en om de vrijheidsboom werd gedanst, vergat men ook hier, schreef Groen, "dat ten allen tijde, waar een volk, met het evangelie begenadigd, het ongeloof verkiest, de profetie geldt: 'Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten, want zij slaan geen acht op Mijn woorden en verwerpen smadelijk Mijn wet' " (Jer. 6 : 19), en ten opzichte van zijn eigen tijd merkte hij op: "In wrange vruchten der gestadige praktijk was de natuur en strekking zigtbaar van de Revolutie en tevens van het oordeel Gods: 'Mijn volk heeft Mijne stem niet gehoord; dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelen in hunne raadslagen'." 8) Men moet hieruit nu niet concluderen, dat Groen voorspoed en tegenspoed met zegen en vloek zou vereenzelvigen. In 1849 waarschuwt hij er juist tegen in de voorrechten, die ons land, "temidden van de woelingen der volken", nog geniet, "een zegel van hooger goedkeuring" te zien. Men moet wel degelijk in het oog houden, dat de grondwetsherziening van 1848, "indien de beginselen welke daarbij getriumfeerd hebben, de overhand behouden, ons, op de revolutiebaan, eene schrede nader tot den val van het vaderland gebragt heeft". 7) En reeds in 1832 had Groen in een brief aan zijn vriend Koenen geschreven: "Het Evangelie heeft zoo ver ik weet, nergens het altijd triumferen van de goede zaak reeds hier beneden beloofd en wij behoeven ook slechts de geschiedenis te zien of onze oogen rondom ons te slaan om terstond te ontwaren, dat het kwaad menigmaal en voor langen tijd de overwinning behaalt". 8)
Zoals te verwachten was, heeft Groens methode van geschiedschrijving kritiek uitgelokt, zowel in zijn eigen tijd als ook later.
P. Geyl, die ongetwijfeld een van de knapste historici van ons land was, heeft verklaard, dat Groen welbeschouwd geen historicus, maar een evangeliebelijder was.
Geyl zelf was humanist en kon daardoor moeilijk Groens gedachtegang volgen. Maar ook Groens geestverwanten blijken vaak niet te weten, wat ze ermee aan moeten.
Zij hebben eigenlijk niet begrepen, hoe Groen de Heilige Schrift gebruikte om een inzicht in de feiten en gebeurtenissen te krijgen. Tengevolge daarvan kunnen zij geen vaste lijn ontdekken in Groens visie op de causaliteit, op oorzaak en gevolg in de geschiedenis.
Hij zou nu eens mechanische, dan weer middellijke of historische oorzaken aanwijzen en in speciale gevallen van een bovennatuurlijke causaliteit. spreken.
Van mechanische causaliteit zou dan sprake zijn, als Groen beweert, dat bepaalde ideeën noodzakelijk tot zekere daden en toestanden leiden, bijvoorbeeld: "uit de ongeloofstheorieën spruit revolutie voort. Het revolutietijdperk, met lotwisselingen en rampen, is de vrucht der revolutiebegrippen" . 9) "Met al haar verscheidenheid van theoretische en praktische rigtingen en gedaanten is de Revolutie gevolg, toepassing, ontplooiing van het ongeloof. Door theoretisch en praktikaal ongeloof werd de philosophie en de revolutie der 18e eeuw gevormd. Een geheele reeks van dwaalbegrippen en gruwelen moest volgen op een reeks van syllogismen (redeneringen), toen eenmaal het ongeloof de boventoon had". 10) Als men spreekt van mechanisch, denkt men aan machines: uit ongeloof vloeit machinaal revolutie voort. Maar zo bedoelde Groen het niet. Het is geen wiskundige formule. Groen dacht aan het Schriftwoord: "Men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten opleveren". (Matth. 7, vs 16-18).
Kamphuis spreekt in zijn bestrijding van Groens critici dan ook liever van een dwingende causaliteit.
Men zou het ook een natuurlijke causaliteit kunnen noemen.
Aan bovennatuurlijke causaliteit, een speciaal goddelijk ingrijpen, zou Groen gebeurtenissen toeschrijven, waarvoor geen middellijke oorzaken zijn aan te wijzen, en waar men vanuit de omstandigheden geredeneerd, juist een heel ander verloop zou hebben verwacht.
Groen zou dan met het zwaard van de Voorzienigheid knopen hebben doorgehakt.
Zelf heeft hij hiervan het volgende gezegd: "De wijsbegeerte, volgens welke God overal buitengesloten wordt, heeft ook hier te lande meer nadeel gesticht dan men gewoonlijk onderstelt. Een.
blijk daarvan is dat bij velen, ook in wie het geloof aan de leiding van hun eigen lot niet uitgewischt is, het vertroostend denkbeeld der wereld-regering miskend, en zoodra het de toepassing in bijzonderheden geldt, als een hersenschim der dweeperij aangemerkt wordt.
- Waarom zou men in de historie der volkeren niet doen hetgeen elk die aan eene Voorzienigheid gelooft, bij de overdenking zijner eigen lotgevallen doet? Men kan in de duidelijkste merkteekenen van Gods hand de werking enkel van natuurlijke en toevallige oorzaken zien: men kan den orkaan, waarin de onverwinnelijke Armada haar ondergang vond, den Noordwestelijken storm, die de Spanjaarden tot het verlaten van Levdens overstroomde omstreken dwong, of, om te spreken van onzen tijd, bijvoorbeeld, de vervroegde koude, waardoor Napoleon in zijn onzinnigen overmoed werd gestuit; men kan dit alles toeschrijven aan hetgeen de heidenen het noodlot hebben genoemd.
Men kan dit, zodra men onderstelt of dat God niet over seizoenen en onweervlagen, of dat Hij daarover zonder op de mensen acht te geven, gebiedt". 11) Doch niet alleen in natuurrampen, misoogsten, ziekte en gezondheid' is Gods hand of vinger op te merken.
Ook de zogenoemde middellijke oorzaken, de menselijke wil, de wisseling van personen, hun karakters, hun hartstochten en doelstellingen zijn middelen in Gods hand om Zijn raad uit te voeren. Dat ook Groen dit zo gezien heeft, zagen we al in enkele citaten uit het Handboek: De Gothen brachten het oordeel over de Romeinen, maar het was Gods werk: "God zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre".
Het evangelie werd in de lage landen verkondigd en "de Heer wrocht mede en bevestigde het woord door teekenen die daarop volgden".
Groen heeft in het verloop van de geschiedenis Gods voorzienigheid erkend en deze gezien in verband met de relatie van mensen en volken tot Hem. In dat licht zocht hij de verklaring voor wat geschied is, zonder daarbij het woord van Paulus, dat wij hier nog maar ten dele zien, te miskennen.
In de inleiding voor zijn Handboek lezen we: "Het is den kortzigtigen sterveling niet vergund, in ijdelen waan de raadsbesluiten Gods vooruit te loop en en den sluier op te heffen dien Hij over de geheimenissen van het wereldbestuur gelegd heeft; maar het is den geloovigen en ootmoedigen Christen evenmin vergund het oog te sluiten voor de lichtstralen waarin, bij de wonderen der historie, de glans Zijner volmaaktheden schittert. Dat de liefde en regtvaardigheid Gods zich aan de natiën in de wegen Zijner voorzienigheid niet onbetuigd liet".
Zo heeft Groen ook in zijn praktische historiografie God en Diens handelen concreet kenbaar geacht.
Als wij dat niet doen, zal de Here, zoals M. C. Smit zo treffend heeft opgemerkt, uit ons gezichtveld wegwijken. "Wat wij overhouden", zegt hij, "is de historische orde met haar wetten en gebeurtenissen, met de mensen, ja, van hen gaat nu, naar onze historische ervaring, de leiding uit: God is echter een randfiguur geworden, nog steeds moeilijker na te rekenen en nog steeds een mysterie en daarom voor de wetenschap zelfs niet eens als een factor te waarderen!
Want hoe men het ook wenden of keren wil, God is intiem in deze wereld aanwezig, handelt daarin van moment tot moment, heeft alle dingen op zich betrokken.
Hoe kan men dan enige waarheid over de geschiedenis zeggen, als men dit elimineert?' Dit weten we uit het Woord van God, waarin Hij zich vol liefde, genade en erbarming heeft willen openbaren aan Zijn gevallen schepselen, dat de geschiedenis zin heeft in Jezus Christus. Geen gesloten wereld, geen benauwende doodlopende geschiedenis, maar het wijde perspectief van het grote einddoel: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, dat via de opeenvolgende gebeurtenissen, waarin God actief bezig is in het kader van Zijn Verbond, eenmaal bereikt zal worden. Godzelf is er garant voor en heeft het in grote lijnen laten zien aan Johannes op Patmos.
Daarom behoeft de gang van de geschiedenis, zoals die zich vandaag aan ons voordoet, ons niet te verschrikken: oorlogen, geruchten van oorlogen, hongersnoden, aardbevingen, wetteloosheid en Godsverachting. "Zie toe, wees niet verontrust! want dat moet geschieden". Maar na dit alles zal de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel! "En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuin-' geschal en zij zullen Zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere". Daarom: V rees God en onderhoud Zijn geboden.


6) a.w., Handboek enz., p. 7, 673.
7) G. Groen van Prinsterer, Grondwetherziening en eensgezindheid, Amsterdam 1849, p. 1.
8) G. Groen van Prinsterer, Schriftelijk nalatenschap, uitgegeven door dr C. Gerretsen en dr A. Goslinga,- II, Briefwisseling I, bewerkt door dr C. Gerretson, 's Gravenhage 1935, p. 575.
9) G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en revolutie. Een reeks van historische voorzieningen. Leiden 1847, p. 12.
10) a.w., Ongeloof en revolutie, p. 137.
11) G. Groen van Prinsterer, Nederlandse Gedachten, 1e serie, III, 's-Gravenhage, 1832, p. 112.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief