Wie mag lid zijn van het G.P.V.?

1973-01-05
  • Jaargang 17
  • nummer 1
• wel lid?

In de dagen voor de pas gehouden verkiezingen is ook weer, en zelfs meermalen, het lidmaatschap van het G.P.V. ter sprake gekomen.
Dat geschiedde b.v. op een propaganda-vergadering van het G.P.V. die te Drachten werd gehouden en waarin de voorzitter van het G.P.V., de heer Veurink, het woord voerde. Volgens het verslag van die samenkomst dat ik onder ogen kreeg heeft de heer Veurink op een vraag dienaangaande geantwoord dat het niet waar was dat van de kiesverenigingen die bij het Gereformeerd Politiek Verbond zijn aangesloten alléén leden van de vrijgemaakt Gereformeerde Kerken (binnen "het verband") lid konden zijn. En hij adstrueerde zijn bewering met er op te wijzen dat van verschillende kiesverenigingen inderdaad ook “niet-vrijgemaakten" lid waren.
Een andere uitspraak over deze zaak vond ik in de N(ieuwe) R(otterdamse) C(ourant).
In het no. van 24 november plaatste Th. W. Westerhoudt een kort artikel over het G.P.V. onder de titel "G.P.V. houdt vast aan de "zuivere waarheid"."
Hij gaf daarin een korte karakteristiek van het G.P.V. en schreef daarin o.a.: "Het G.P.V. wil de "zuivere waarheid" vasthouden, en daarom blijft het een gesloten partij. Iemand die niet vrijgemaakt-gereformeerd is, kan geen lid worden."
Op deze uitspraak reageerde dr A. J. Verbrugh met een Ingezonden Stuk in de N.R.C. van 28 november. Daarin schreef hij o.a. het volgende: "Dat alleen vrijgemaakt-gereformeerden lid kunnen worden van het G.P.V. is ongenuanceerd gezegd. Het G.P.V. bestaat uit plaatselijke verenigingen die autonoom over leden aanneming beslissen.
Hoewel geen centrale statistiek wordt bijgehouden weet ik uit ervaring bij een aantal kiesverenigingen dat daar niet- vrij gemaakt-gereformeerden lid zijn. Wie met serieuze bedoelingen lid wil worden van het G.P.V. blijft niet in de kou staan. Ook ijvert het G.P.V. altijd voor bondgenootschappen, waarbij het voorbeeld voor ogen staat van Willem van Oranje."
Tot zover dr Verbrugh.
Ik geloof niet dat ik in zijn woorden iets inleg wanneer ik zeg dat volgens de zakelijke inhoud van deze verklaring ieder die zegt het van harte met de grondslag en de doelstelling van het G.P.V. eens te zijn lid kan worden van een bij het G.P.V. aangesloten kiesvereniging.
Wat kan "serieuze bedoeling" en "niet in de kou laten staan" anders betekenen?

• Na de verkiezingen

Over de kwestie van het lidmaatschap van het G.P.V. wil ik nu een paar opmerkingen maken.
Ik heb daarmee gewacht tot ná de verkiezingen - op de verklaring van dr Verbrugh kon dat ook niet eerder, want die werd pas één dag voor de verkiezingen gepubliceerd.
Want ik wilde de verkiezingen on geen enkele wijze beïnvloeden. Ik heb me altijd geergerd aan dominees en andere lieden die menen geroepen te zijn de mensen met een stemadvies te moeten lastig vallen. En daarom wilde ik mij daaraan noch rechtstreeks noch zijdelings schuldig maken. Dat ik er nu toch over schrijf vindt zijn enige reden in de wens om over deze zaak duidelijkheid te verkrijgen.

• het Gereformeerd Gezinsblad

Ik heb over deze kwestie reeds vroeger geschreven - ik meen in september 1970, ik kan dat op 't ogenblik niet controleren maar wil hier nog eens een paar uitspraken dienaangaande weergeven.
Ongetwijfeld is het waar dat de geref. kiesverenigingen in die zin autonoom zijn, dat zij zelfstandig beslissen wie daarvan al of niet lid zullen worden.
Maar het is niet minder waar dat de kwestie van dat lidmaatschap in de kring van het Verbond zelf, èn in het officieel orgaan, èn in het Nationaal Dagblad (het Gereformeerd Gezinsblad) meermalen ter sprake is gekomen.
En dat daarover ondubbelzinnige uitspraken zijn gedaan.
Ik zal er uit de vele enkele noemen.
In het Gereformeerd Gezinsblad" van 6 mei 1958 leest men b.v. dit: "Daarom, wil het G.P.V. niet verloren gaan, dan moet het aan ieder, die wil toetreden de vraag stellen: wat dunkt u van de kerk? ... Zo zijn wij dan een kerkelijke politieke partij, d.w.z. een partij van leden der weer waarlijk gereformeerde kerken."
Schamen wij ons dus niet… waarlijk in de strijd voor staat en maatschappij een kerkelijke partij te zijn. En als iemand tot ons komt en zegt: ik wil met u, door Gods genade weer trouw zijn aan de Reformatie, dan moeten wij hem zeggen: begin dan met trouw te zijn en gehoorzaam voor haar kerk: Ik geloof dat men niet duidelijker kan zeggen hoe het met het lidmaatschap van een G.P.V.-kiesvereniging staat.

• Beeftinck

In het G.P.V. is indertijd een geweldige deining ontstaan toen dr Bremmer en ds Van der Stoel in hun brochure Heroriëntering Noodzakelijk voorzichtig het pleit voerden voor een wat ruimere toelatingsmogelijkheid ten aanzien van het lidmaatschap van de Geref. Kiesverenigingen.
Met grote felheid keerde men zich in het G.P.V. evenwel tegen deze suggestie. Zelfs werd aan de leden van de Verbondsraad gevraagd zich kategorisch tégen deze brochure te verklaren!
Met het oog op de spanningen die door het genoemde geschrift werden veroorzaakt oordeelde W. G. Beeftinck, de toenmalige voorzitter van het G.P.V., in het officieel orgaan daarvan, dat de vrees leeft dat allerlei vorm van samenspreking door kerkeraden of kerkelijke voorgangers de hang naar interkerkelijke samenwerking zou bevorderen. En in dat verband schreef hij letterlijk: "Het G.P.V. is een kerkelijke partij in zoverre dat haar grondslag is de belijdenis van de kerk. En de leden van de kiesverenigingen zijn mensen, die deze belijdenis als hun geloof hebben aangenomen en uit deze belijdenis willen leven in de politieke strijd, waarin de HERE God hen plaatst." (Ons Politeuma 1/2 1961).

• dr Verbrugh

Bizondere aandacht wil ik vragen voor wat dr Verbrugh, de secretaris van het G.P.V., zèlf over de in geding zijnde kwestie heeft verklaard. Hij was het immers die op het bovengenoemde artikel in de N.R.C. reageerde.
Dr Verbrugh schreef in 1961 in "Ons Politeuma": "Mogen wij ervan uitgaan dat ons G.P.V. een geloofsgemeenschap vormt, ja of neen? Ons antwoord kan ondubbelzinnig zijn Ja ... Wij rekenen er op dat bij ons als doorlopende norm in het gehele leven geldt: het Woordgezag bovenal, ook boven kerkelijke hiërarchieën. En zo, als liefhebbers van de Woordmacht, van Christus' Koningschap boven alles, gaan wij samen aan de slag. Zo vormen wij het G.P.V."
Het feit dat het G.P.V. een geloofsgemeenschap vormt houdt nu volgens dr Verbrugh ook en ten volle in een kerkelijke positiekeuze.
En deze levert z.i. voor de G.P.V.-ers geen enkele moeilijkheid op. Voor ons, leden van het G.P.V., zo gaat hij namelijk verder, behoeft het vandaag geen vraag te zijn "waar de kerken staan die alleen Woordmacht erkennen, het zuivere Woord Gods prediken en afwijzen de hiërarchie die dit aan banden legt".
Dit weten waar de kerk staat is volgens dr Verbrugh een kwestie van zijn of niet-zijn voor het G.P.V. Hierover, zo verklaarde hij, "moet eenheid van gedachten zijn en blijven in ons Verbond, anders hebben wij geen basis vanwaaruit wij kunnen werken."
Maar als men dit beaamd heeft is men nog met klaar. Er dringt zich dan namelijk een tweede vraag op. Deze: "mogen wij ervan uitgaan dat wij met hen die buiten onze partij staan (en buiten onze kerken) een geloofsgemeenschap vormen?"
Op die vraag geeft dr Verbrugh dan dit duidelijke antwoord: "We spreken hier nu niet over familierelaties, persoonlijke relaties enz. Maar we moeten op deze vraag een algemeen antwoord geven, dat bruikbaar is als wij politieke doeleinden willen bereiken en daarvoor noodzakelijkerwijs o.a. zedelijke macht in de openbare samenleving moeten nastreven.
Nu dan zeggen wij, dat wij er als norm in het algemeen niet van mogen uitgaan dat wij met hen een geloofsgemeenschap vormen zolang er niet kerkelijke eenheid is."
Dr Verbrugh wijst in dit verband een opereren met de idee van een "onzichtbare kerk" af. "Want Schrift en Belijdenis spreken ons tegen zodra wij van een onzichtbare zaak uit zouden willen redeneren, normen ontwerpen (sic!) enz. Wij zouden dan vervallen in Kuypers fout van het gesloten systeem dat ook omvatte zijn pluriformiteitsleer der kerk."
Waar het dan bij de politieke partijvorming op aan komt zegt dr Verbrugh aldus: "In de politiek moeten er zichtbare (vet van dr V.) publieke criteria zijn, waarnaar een organisatie zich kan richten. Schrift en belijdenis geven hiervoor dan ook duidelijke normen (b.v. Joh. 8: 31; Matth. 16: 19; Artt. 28 en 29 N.G.B.) Zie ook Calvijn Institutie IV, 1.
In het kerklidmaatschap hebben wij daarom iets dat wij kunnen zien, en waarvan wij kunnen uitgaan als we ons bezig houden met politiek (dat iets anders is dan de arbeid van een zendeling). Vandaar dat wij in het politieke leven steeds het zich daadwerkelijk (!!!) willen verenigen met de eenheid van de ECHTE (!), WARE (!!) kerk van Christus als criterium moeten kiezen.
Binnen ons Verbond (het G.P.V. - C.V.), binnen de kerk, mogen wij elkaar broeders noemen, met elkaar bidden. Maar naar buiten moeten wij in de politiek de broedernaam niet gebruiken. Wij zeggen dan: dames en heren".
Dit alles is toch wel bizonder duidelijk.
Leden van een kiesvereniging kunnen alleen leden van de "echte", "ware" kerk zijn.
D.w.z. leden van de (binnenverbandse) vrijgemaakte kerken.
Alleen tussen deze is er geloofsgemeenschap.
Alleen dezen zijn "broeders en zusters".
Alle anderen zijn "dames en heren".
Die .. blijven in de kou!

• Laning

Illustratief is ook wat de heer Laning in Groningen deed en wat hem overkwam.
Hij sprak daarover in een interview dat gepubliceerd werd in "Trouw" van 23 april 1966.
Laning vertelde daarin dat hij van het begin af lid van een Geref. Kiesvereniging was geweest. Hij was zelfs één van de oprichters van de kiesvereniging in Groningen en had ook jaren lang zitting in de Verbondsraad van het G.P.V. Maar, zo verklaarde hij, "ik stelde mij niet herkiesbaar voor de Verbondsraad toen deze, in 1958, de kiesverenigingen adviseerde om alleen leden van de vrijgemaakte kerken als lid toe te laten. (De meeste kiesverenigingen hebben dat advies opgevolgd.) Ik heb mijn kritiek echter altijd binnen het Verbond geuit, ik wilde de meningsverschillen niet naar buiten dragen".
In 1966 was Laning zeventien jaar met ere lid van de Gemeenteraad van Groningen geweest, gekozen als kandidaad van het G.P.V. Vóór de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar werd hem gevraagd of hij zich opnieuw als kandidaat voor de Raad beschikbaar wilde stellen. Hij beantwoordde die vraag bevestigend.
Toen is er evenwel iets bizonders gebeurd.
Kort daarvoor was ds Van der Ziel, een "vrijgemaakte" predikant van Groningen, door zijn kerkeraad geschorst.
Deze hield toen aparte kerkdiensten in "Ons Tehuis". Laning was een paar maal onder het gehoor van ds Van der Ziel geweest. Hij wilde daardoor alleen maar laten zien dat hij de schorsing van die predikant onrechtmatig achtte.
Op de voltallige vergadering van de kiesvereniging waarop de kandidaatsstelling zou plaats vinden werd nu uitgesproken dat er geen beletsel was om de heer Laning weer kandidaat te stellen, mits hij wilde beloven nooit meer bij ds Van der Ziel te kerken en hij zijn spijt zou betuigen dat een paar maal te hebben gedaan. Het hoefde Laning dus maar één woord te kosten om weer kandidaat te worden. Maar dat woord kwam niet over zijn lippen!
Toen heeft de kiesvereniging met 91 tegen 14 stemmen besloten Laning niet opnieuw te kandideren!
Zoals men weet heeft de A.R-kiesvereniging daarna de heer Laning verzocht zich kandidaat te stellen voor de A.RP. Deze heeft dat geweigerd. Wel wilde hij als kandidaat voorkomen op de lijst van de A.RP. Maar dan op een z.g. niet-verkiesbare plaats. En voorts op voorwaarde dat hij los zou staan van de A.R-partij en de beginselen daarvan en ook lós van de A.R-raadsfraktie.
Wel zou hij als hij gekozen werd met de A.R-fraktie samenwerken, zoals hij dat ook tevoren steeds had gedaan. Voor de raadsvergaderingen hield de G.P.V.-fraktie namelijk steeds gezamenlijk beraad met de A.R en C.H.
Zoals men weet werd Laning in 1966 op deze wijze toch gekozen tot lid van de Raad.
Ik geloof dat dit verhaal ook duidelijk laat zien hoe het met het "lidmaatschap" van het G.P.V. staat.

• De Vries

Een duidelijk geluid liet ook J. P. de Vries - een schoonzoon en naaste medewerker van de heer Jongeling - horen in zijn brochure "Het Leven is één", een brochure waarin hij poogde het ontstaan van het Gereformeerd Politiek Verbond te schetsen "als vrucht van reformatie der kerk."
De Vries schrijft daarin op blz. 36/7 o.a. het volgende: "Moet een organisatie dan bepalen, welke kerk de Kerk der belijdenis is? Dat is de zaak niet. Elk lid heeft reeds vóór zijn lidmaatschap en onafhankelijk daarvan uitgemaakt, welke die Kerk is. Daarvan gaat men in de organisatie uit. "Wij wáren al één, voordat wij hier bij elkaar kwámen, In en door de kerk waren we een geloofsgemeenschap reeds geworden."
Een veel gehoord verwijt was en is, dat op deze wijze de gereformeerde organisaties worden verkerkelijkt. Om dit bezwaar op zijn waarde te kunnen schatten, zullen we eerst moeten weten, wat wij in dit verband onder "kerkelijk" verstaan. Verschillende politieke partijen in ons land staan onder sterke invloed van ambtsdragers van een bepaalde kerk. Zo kan de K.V.P. een kerkelijke partij genoemd worden wegens haar onderworpenheid aan het leergezag van de rooms-katholieke geestelijkheid. (Dit is zoals ieder weet thans verleden tijd - C.V.) De C.H.U. laat zich begeleiden door de politieke uitspraken van de generale synode der Nederlands( e) hervormde kerk. (Maar zij wordt er beslist niet aan gebonden en laat zich er ook niet aan binden! - C.V.) ZÓ w:illen wij geen kerkelijke organisatie zijn.
Definieert men "kerkelijk" echter niet als "onder leiding van een kerkelijke vergadering of kerkelijke ambtsdragers", maar als "zich gebonden wetend aan de belijdenis, de prediking en de tucht van de Kerk van Christus en daartoe die Kerk concreet aanwijzend" dan moeten gereformeerde organisaties een kerkelijk karakter hebben."

Tot zover De Vries in zijn genoemde brochure.
Het G.P.V. is dus niet kerkelijk in de zin dat zij onderworpen is aan kerkelijke ambtsdragers en vergaderingen.
Maar ze is wel kerkelijk in die zin dat zij zich gebonden heeft aan de belijdenis, de prediking en de tucht van de (vrijgemaakte) Kerk.
Ook gebonden aan de tucht!
Daarop lette men goed.
Dat wil zeggen: wie zich aan de tucht van die Kerk niet feitelijk en zakelijk onderwerpt, wie dus geen lid van die Kerk is, kan geen lid zijn van het G.P.V.!

• niet lid

Wat ik tot dusver opmerkte over het lid-mogen-zijn van een Geref. Kiesvereniging wordt nog duidelijker, krijgt een nog sterker accent door wat ik nu zal verhalen.
Zoals ieder weet zijn ten gevolge van besluiten van een Generale Synode van de Vrijgemaakte Geref. Kerken een groot aantal kerken "buiten het verband" komen te staan. Deze buiten-verband-stoting had ook verstrekkende invloed op het lidmaatschap van het G.P.V.
Ik zal uit wat er in dat opzicht plaats vond één voorbeeld geven dat exemplarisch is. Ik noem daarbij geen namen. Het komt op de zaak aan. De stukken waaruit ik citeer zijn in mijn bezit.
In een bepaalde plaats kregen een aantal broeders die in een "buitenverbandse" kerk waren komen te behoren van het bestuur der Geref. Kiesvereniging daar ter plaatse de volgende brief, gedateerd 18 januari 1971.
"Nadat U zich in februari 1970 aan het opzicht en tucht van de Raad van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) onttrokken hebt, met welke daad U de broederband met de meerderheid van de leden van de Kiesvereniging (!!! - C.V.) hebt doorgesneden, zijn er van verschillende kanten vragen gerezen over Uw positie in de Kiesvereniging.
Het bestuur is van mening, dat de vereniging in dezen een duidelijke uitspraak moet doen, en legt haar daartoe enkele voorstellen voor, die vervat zijn in een brief aan de leden, die U als bijlage hierbij aantreft.
Het is de bedoeling, dat deze bestuursvoorstellen zullen worden besproken in een op 2 februari 1971 te houden ledenvergadering, waar U uiteraard hartelijk welkom bent."
Tot zover deze brief.
Er boven stond: "Geachte Heer" - men denke aan het "Dames en Heren" van dr Verbrugh. Onder de brief stond niets anders dan "Namens het bestuur" met de handtekeningen van de voorzitter en de secretaris.
In de genoemde brief welke aan alle leden van de kiesvereniging werd gezonden leest men o.a. het volgende: "Verschillende keren heeft het bestuur van de Kiesvereniging zich bezig gehouden met de vraag, of het al dan niet gewenst is, dat die leden van de vereniging, die de kerkelijke eenheid met de meerderheid van de leden verbroken hebben, lid van de vereniging blij ven.
Het reglement van onze vereniging schrijft voor (art. 4), dat de ledenvergadering beslist over toelating, afwijzing of royering als lid, zulks na advies van het bestuur.
Hoewel het reglement niet uitdrukkelijk bepaalt, dat de leden van de vereniging lid moeten zijn van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), is het duidelijk, dat onze Kiesvereniging een vereniging is, waarin we als broeders van hetzelfde huis in de politiek bezig zijn. Dit kan als kenmerkend voor onze Kiesvereniging en ook voor het Gereformeerd Politiek Verbond worden beschouwd.
Bedoelde leden hebben zich aan het opzicht en de tucht van die kerkeraad, onder wiens opzicht en tucht de meerderheid van de leden zich stelt, onttrokken. Daarmee hebben zij de broederband met de meerderheid doorgesneden. Zij zijn dus kennelijk van mening, dat zij niet meer als broeders met ons kunnen samenwonen en -werken.
Als vanzelf volgt hieruit de konsekwentie, dat nu ook de broederlijke samenwerking binnen de kiesvereniging niet langer functioneert.
Met andere woorden, dat aan een hoofdvoorwaarde voor die samenwerking niet meer voldaan wordt, en die samenwerking dan ook niet langer mogelijk blijft.
Dit alles is voor het bestuur dan ook aanleiding om de vereniging voor te stellen, deze leden te berichten, dat zij, zolang zij zich kerkelijk niet in hetzelfde spoor begeven als de andere leden, niet langer als lid van de Kiesvereniging kunnen worden aanvaard."
Tot zover deze brief.

• een "dussen-reeks"

Hij demonstreert met benauwende duidelijkheid en hardheid welke ideologie vele "vrijgemaakten" beheerst. En tot welke huiveringwekkende konsekwenties die hen voortjaagt.
Vooreerst worden in die brief de feiten finaalop hun kop gezet! Ik kan met volstrekte zekerheid verklaren dat de "buitenverbanders" er niet aan dachten de kerken w:aartoe zij behoorden te willen verlaten. Zij hebben integendeel hun uiterste best gedaan om in de kerken, waarvan ze lid waren en die ze liefhadden, te blijven. Maar ze zijn uit die kerken - en dóór die kerken! - uitgestoten.
Terwijl ze niets anders begeerden dan trouw te blijven aan de confessie en de vastgestelde kerkelijke orde.
In Kampen b.v.. gebeurde het dat op een zwarte dag een paar mensen de gemeente opriepen om haar als “ontrouw" gekwalificeerde kerkeraad, waartoe een als "een wolf in schaapskleren" getypeerde predikant behoorde, te verwerpen en op de eerstkomende zondag een eigenmachtig georganiseerde godsdienstige bijeenkomst te bezoeken, in plaats van naar de wettige samenkomst der gemeente in het eigen kerkgebouw te gaan.
Wat mij betreft: mijn vrouwen ik waren in die dagen in Zwitserland. Toen we daar naar toe gingen hadden wij niet het flauwste vermoeden dat zo iets gebeuren zou. Maar toen we weer in Kampen kwamen stond onze kerk, en wij met haar, buiten het verband.
Voorts treedt in deze brief duidelijk aan de dag dat het lidmaatschap van de "ware", de "echte", de "enige", de "vrijgemaakte" binnen het verband staande, kerk onlosmakelijk verbonden wordt met het lidmaatschap van de kiesvereniging! En ook omgekeerd: het lidmaatschap van de kiesvereniging mèt dat van de kerk.
Vervolgens wordt geponeerd weer dwars tegen de werkelijkheid in - dat de uitgeworpenen de broederband met de uitwerpers hebben doorgesneden en wordt aan de uitgeworpenen in de schoenen geschoven dat zij met hun birnnenverbandse broeders en zusters niet willen samenwonen en samenwerken.
Daaruit wordt dan weer, volgens een bekende logicistische gedachtengang, de conclusie getrokken dat nu ook de samenwerking in de kiesvereniging met de uitgeworpenen niet langer kàn funktioneren omdat aan een hoofdvoorwaarde daarvoor niet worden voldaan.
En dan wordt als eind van deze fatale "dussen-reeks" - Schilder sprak van een "syllogismenroffel" - als slotsom vastgesteld dat de in geding zijnde leden uit de kiesvereniging moeten worden verwijderd!

• het vonnis

Kort na de verzending van bovengenoemde brief met bijlage werd een vergadering van de kiesvereniging gehouden waarin een besluit werd genomen over de in geding zijnde kwestie.
Dit besluit werd schriftelijk aan de vier "buiten het verband" staande leden meegedeeld. Boven de brief stond: "Geachte Heer" en de inhoud was als volgt: "Op de jl. dinsdag gehouden besloten vergadering van de Geref. Kiesvereniging waarin de bestuursvoorstellen, vervat in het schrijven van 18 januari, besproken werden, is besloten U het volgende te berichten: De leden van de Geref. Kiesvereniging ... in vergadering bijeen op dinsdag 2 februari 1971 besluiten na gehoord advies van het bestuur de leden (volgen de namen van de vier broeders) van hun lidmaatschap van de vereniging vervallen te verklaren.
Zij nemen dit besluit op grond van de in art. 4 van het reglement omschreven bevoegdheid, omdat volgens art. 3 alleen zij leden van de vereniging kunnen zijn, die zich gebonden weten aan de grondslag van de vereniging, zoals die in art. 1 is omschreven.
Zij zijn van mening dat de bedoelde leden, door zich te voegen bij een kerkgemeenschap, die de schriftuurlijke binding aan de belijdenis van de Kerk in feite heeft losgelaten, niet meer op deze grondslag staan.
Hierbij spreekt zij de bede uit, dat de bedoelde leden van hun dwaalweg terugkeren naar de Kerk van Jezus Christus, zoals die ook in..... is geopenbaard, waardoor vanuit de Heilige Schrift en de belijdenis ook in -de politiek een verder strijden mogelijk is."
Zo werden deze broeders uit de gemeenschap van de kiesvereniging, en 2)0 ook uit het G.P.V. gestoten.

• een appèl

Eén van de uitgestoten broeders wendde zich nadat het vonnis was gevallen per brief tot de kiesvereniging.
Hij begon die met te verklaren dat hij van zijn kant de leden van de kiesvereniging, ondanks alles wat was voorgevallen, toch als broeders bleef erkennen.
Naar zijn overtuiging ging de eenheid in Christus boven die van het kerkverband uit. Ik heb, zo verklaarde hij, veel waardering voor het werk van het G.P.V. Hij was bereid de broeders te ontvangen om met hen nog eens over de kwestie te spreken. En hij verzocht hen dringend op het genomen besluit terug te komen. Ten slotte deelde hij hun mee dat hij over de zaak het advies had gevraagd van de heer Jongeling, In zijn brief aan de heer Jongeling wees hij er op dat de kiesvereniging die hem als lid had uitgestoten hem nog niet lang geleden als no. 1 op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezing had willen plaatsen, terwijl men wist dat hij niet achter de besluiten van de synode van Hoogeveen stond. Voorts dat hij zich steeds met liefde aan het werk van het G.P.V. had gegeven en hij altijd lid van de contact-commissie en de Verbondsraad was geweest. Hij wendde zich nu tot de heer Jongeling omdat hij geloofde dat op het besluit van de kiesvereniging geen zegen kon rusten. Hij verzocht Jongeling te zeggen wat hem te doen stond.
Was hij genoodzaakt zich bij het N.E.V. aan te sluiten? Maar, zo vroeg hij, hoe kan ik dan op de kandidaten van het G.P.V. stemmen?
Graag wilde hij dat Jongeling aandacht zou schenken aan deze zaak in het Nationaal Dagblad.

• het einde

De kiesvereniging kwam evenwel niet op haar besluit terug.
En de heer Jongeling, die inzage kreeg van de gehele correspondentie, antwoordde hem met de volgende brief d.d. 5 april 1971: "Geachte Heer ... Uw klachten over Uw royement door de Gereformeerde Kiesvereniging te..... zijn bij mij niet aan het juiste adres. Binnen het G.P.V. is elke kiesvereniging zelfstandig verantwoordelijk voor het toelatingsbeleid van leden en niemand anders, ook al is hij lid van de Tweede Kamer heeft daarin enige zeggenschap. Het zou voor mij ook niet mogelijk zijn dit te beoordelen, daar ik de plaatselijke situatie niet ken.
Ik begrijp overigens uit Uw bief, dat U het nog wel op prijs stelt op 28 april Uw stem uit te brengen op het Gereformeerd Politiek Verbond. Die mogelijkheid kan de kiesvereniging U ook nooit ontnemen. (sic!) Indien U het op prijs stelt ook verder actief politiek bezig te zijn staat ook de mogelijkheid open om lid te worden van het N.E.V., waarvan alle leden bij de aanstaande verkiezing hun stem op het G.P.V. willen uitbrengen."

• slot

Dit was het einde van deze droeve affaire Wat te zeggen van zo'n brief van zo'n broeder over zo'n kwestie van zo'n man.
Als de heer Jongeling het met deze gang van zaken wel eens was waarom het dan niet eerlijk en duidelijk gezegd?
Als hij het er niet mee eens was waarom dan niet een brief geschreven aan de kiesvereniging en/of een artikel geplaatst in zijn lijfblad?
Wat te zeggen van de opwekking om toch maar op het G.P.V. te stemmen en eventueel lid te worden van het N.E.V.?
Ik heb dit alles met verdriet geschreven.
Want het is meer dan ooit nodig dat alle gelovigen die willen leven naar en uit het Woord van God zich verenigen in deze revolutionaire tijd.
Zo was het ideaal van Groen van Prinsterer in wiens spoor het G.P.V. pretendeert voort te gaan.
En de lezers moeten zelf maar beoordelen of een niet-vrijgemaakte broeder lid van het G.P.V. kan zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief