Het structuralisme (1)
1973-01-12
Men zegt wel eens, dat Claude Lévi-Strauss de vader is van het structuralisme, maar dat Ferdinand de Saussure de grootvader was. Wat is eigenlijk een structuur? Het eenvoudigste antwoord is: een bouwsel, een bouwwerk. Saussure nam graag het schaakspel als voorbeeld. In zo'n spel, in de opstelling van de stukken, in de stand van zaken op een bepaald ogenblik zien wij een structuur. Al die torens, lopers, pionnen staan daar niet zomaar wat chaotisch en willekeurig door elkaar, maar er zit een systeem in. Juist voor degenen die niets weten van de regels van het spel lijkt het een chaos, maar dat is niet zo; de opstelling beantwoordt aan een patroon. Als men zich bij het verplaatsen van de stukken niet houdt aan de vastgestelde regels, kan men zich misschien nog wel amuseren, maar wat men dan doet is geen schaken meer. Dat is het eerste kenmerk van het spel: er zijn regels, waaraan men zich houdt. En het tweede is, dat elke verandering in de opstelling van de schaakstukken een andere bundeling van relaties tot gevolg heeft: de plaats waar het stuk staat bepaalt mee de waarde, de kracht, de mogelijkheden, De stukken staan niet in hun eentje op het bord, maar ze onderhouden betrekkingen met andere en die betrekkingen zijn wederkerig en niet zelden gecompliceerd van aard. Vervolgens gaat het er in het schaakspel niet om, hoe het enkele zetten terug is geweest, maar hoe het nu is. Bij het napraten zet men de stukken wel eens terug en dan overweegt men achteraf, wat een betere zet geweest zou zijn, maar dat zijn beschouwingen die voor de gespeelde partij niet meer meetellen: de beslissing verandert er niet door. Men zegt het ook wel zo: het gaat om de synchronie, niet om de diachronie, met andere woorden: het actuele moment is belangrijk, niet de ontwikkeling, de geschiedenis. En dan is er nog een laatste ding, dat de aandacht verdient (het is al genoemd): het individuele stuk is ondergeschikt aan het systeem van relaties en krijgt in dat systeem pas zijn betekenis; maar het is ook maar in zeer beperkte mate vrij.- Jaargang 17
- nummer 2
De mogelijkheden zijn beperkt en zodra een van die mogelijkheden werkelijkheid geworden is, zijn de andere geblokkeerd. Dat zijn de vier springende punten in het beeld van het schaakspel: de ondergeschiktheid van het individu èn van de geschiedenis enerzijds en aan de andere kant het op de voorgrond treden van het regelende patroon èn de onderlinge betrekkingen.
Saussure heeft dit structuralistische denken toegepast op de taalkunde. Hij woonde en doceerde in Genève en schreef in het Frans een baanbrekend werk, waarin hij er de nadruk op legt, dat de historische bestudering van de taal teveel aandacht heeft gehad en de synchronische bestudering, de dwarsdoorsnee op een bepaald ogenblik dus, te weinig. Let wel, hij vindt die historische studie niet waardeloos, maar hij verlegt het accent. Als ik Frans wil leren spreken, is het niet nodig dat ik weet hoe deze taal er 500 jaar geleden uitzag of hoe de uitspraak van Karel de Grote en diens kleinzoon geweest is; dat is wel leuk, wel interessant voor belangstellenden, die er een persoonlijke hobby van maken, maar het is niet nodig.
En in de wetenschap kan die kennis van de geschiedenis wel nuttig zijn, maar ze heeft toch slechts een dienende plaats, ze is niet het eerste doel. Saussure ziet op de voorgrond het systeem, het taalsysteem met zijn regels en zijn eigen opbouw zoals die er op een zeker moment uitziet en die systeem noemt hij langue. Het gebruik dat iedere spreker van die langue maakt, zijn persoonlijke gebruik met zijn eigen bijzonderheden in woordkeus, de uitspraak, etc. noemt hij parole. En die twee staan natuurlijk niet los van elkaar: eigenaardigheden uit de parole, uit de individuele sfeer dus, dragen vaak een creatief karakter en kunnen in het systeem worden opgenomen en tot algemeen bezit worden (denk maar aan het woord 'omturnen'; in de oorlog spraken de Duitsers van 'hamburgiseren', d.w.z. net zo plat gooien als Hamburg: Keulen en Dresden werden 'hamburgisiert').
Omgekeerd heeft ook de langue invloed op de parole: het is beslist nodig dat op de Duitse scholen onderwijs wordt gegeven aan de Duitse kinderen in de beruchte naamvallen en de daaruit voortvloeiende moeilijkheden, anders brengen ze er zelf ook weinig van terecht; men zegt dat de Berlijners mir en mich in hun eigen spreektaal lelijk door elkaar halen. Tot zover dan de grootvader.
En nu de vader van het structuralisme: Lévi-Strauss. Deze man heeft veel gereisd, met name in die delen van Amerika, waar men nog Indianen aantreft, dus bi; voorbeeld Brazilië (het Amazone-gebied).Hij heeft het leven van deze 'primiteven' bestudeerd, hij is een van de grote mannen van wat men tegenwoordig wel noemt de anthropologie van de niet-Westerse volken. En over zijn bevindingen heeft hij een aantal boeken geschreven waarvan onder meer beroemd is geworden La pensée sauvage, in het Nederlands vertaald onder de titel Het wilde denken.
Hij stelt dit 'wilde denken' tegenover ons 'getemde' denken. Ons wil hier dus zeggen: dat van de Westerse volken, die beschaafd zijn (nou ja!) en wetenschappelijk.
Eigenliik is het niet waar; hij stelt die twee niet tegenover elkaar, maar naast elkaar, ze lopen parallel. Hun denken heeft een eigen logica, het is concreet; dat van ons is in hoge mate abstract. Maar men moet niet te snel concluderen. Het chinook (een Indianentaal) bevat veel abstracte woorden. Er zijn er echter ook die niet de overkopelende verzamelnaam kennen, maar wel de vele concrete namen voor de variëteiten. We kunnen voorbeelden kiezen uit onze eigen omgeving: wel beuk en eik, maar niet 'boom'; wel baars en snoek, maar niet 'vis'. Dit mag dan concreet denken zijn, maar het hoeft daarom nog geen armoede te betekenen; het kan veeleer juist wijzen op gespecialiseerd denken. Als ik bij voorbeeld niet zo goed thuis ben in de bankwereld en niet precies het verschil weet tussen aandelen en obligaties, dan zeg ik maar 'waardepapieren', maar dat is dan bij gebrek aan betere kennis en niet vanuit een grote rijkdom in mijn denken! Wij moesten, zegt Lévi-Strauss, er nu maar eens mee ophouden die Indianen en andere niet-Westerse volken uit de hoogte te bezien, vanuit onze eigen superioriteit. Zij zijn allerminst achterlijk, maar ze zijn wel anders. Het is steeds een kenmerk van primitief denken, als men anders verwart met achterlijk!
Allerlei voorbeelden haalt Lévi-Strauss aan om duidelijk te maken, dat het 'wilde' denken zijn eigen logica heeft en op eigen wijze de werkelijkheid structureert met zijn magie en riten. Daarbij speelt de geschiedenis nauwelijks een rol; het gaat om de toestand op een bepaald ogenblik, in die samenhang, in dat cultuurpatroon. Hun denken in mythen en riten classificeert en generaliseert, is dus ook wetenschappelijk. Centraal staat het totemisme: de verschillende stammen vereenzelvigen zich met dieren of planten en geven zo te kennen in welk opzicht ze afwijken van andere clans. Zeer belangrijk zijn ook de verwantschapsstructuren. Het verschil tussen natuur en cultuur is namelijk, volgens Lévi-Strauss, het volgende: de natuur wordt gekenmerkt door universaliteit, de cultuur door regel en orde. Daar waar de regel universeel is, bevindt men zich op de overgang tussen beide, daar is het scharnier. Welnu, overal treft men de regel aan in de structuren der verwantschap, aldus Lévi-Strauss, dat incest verboden is; de vader mag (bij voorbeeld) niet trouwen met zijn eigen dochter.
Vanwaar dit incest-verbod? Het vindt zijn oorsprong niet in eugenetische overwegingen (het voorkómen van inteelt), noch in moraal of religie, maar in een 'onbewuste' gewoonte die wel degelijk zin heeft. Vrouwen zijn namelijk ruilobjecten, waarmee een communicatie tot stand wordt gebracht zoals dat ook gebeurt met woorden in een taal.
De woorden in een zin zijn vervangbaar door andere woorden, waardoor de mededeling verandert; het zijn 'pionnen' op het schaakbord, hun waarde ontlenen ze aan het systeem en het systeem moet zich bedienen van die woorden, maar op zichzelf, als individuen, betekenen ze niets. Zo staat het nu ook met de vrouwen: aan het ruil-systeem ontlenen ze hun waarde (nu worden de dames boos), maar zonder hen kan het systeem niet functioneren (nu zijn ze trots). Zo is het gebruik, maar hoe het zo geworden is, weet niemand, en dat hoeft ook niet, dat is onbelangrijk, dat hoort tot de geschiedenis, dat hebben we dus gehad. Het is zo, en het is in de vorm van onbewuste patronen als een soort culturele onderbouw aanwezig; men handelt ernaar zonder het allemaal te analyseren en discursief te benaderen; dàt zou Westers zijn. De mens uit de niet-Westerse beschaving denkt ook, maar hij denkt concreter dan wij. Nooit, zo zegt Lévi-Strauss, is de 'wilde' iemand geweest, die nog maar pas het dierlijke stadium achter zich had (misschien is dat iets voor verstokte evolutionisten om over na te denken). De Westerse mens moet zijn superioriteitsgevoel maar eens kwijt, ook ten opzichte van het totem-symbool.
Hoe kort is het nog maar geleden, dat in ons land de vrouwen door hun klederdracht kenbaar maakten tot welk dorp ze behoorden? En de taboes? Men is tegenwoordig driftig bezig die te doorbreken, althans dat wordt beweerd. Maar zeg eens, als u halverwege uw reisdoel bent, dat u nog geen lekke band hebt gehad en dat alles prima verloopt. Wedden dat men u woedend tot stilte maant? Afkloppen! Welnu, sommige 'wilden' mogen de namen van pas gestorvenen niet uitspreken: taboe!
We hadden het over de geschiedenis, waarvan het structuralisme ontkent dat zij een bevoorrechte positie zou hebben bij het bestuderen en begrijpen van de verschijnselen.
Maar haar bestaan wordt natuurlijk niet ontkend, De 'primitieve' mens denkt niet diachronisch, maar synchronisch, hij houdt er een tijdloze manier van denken op na, hij ziet de dingen niet na elkaar, maar naast elkaar, hij wil ze tegelijk vatten, in één greep, hij denkt niet historisch maar in relaties.
Veranderde situaties kunnen de structuren natuurlijk uit elkaar' laten springen, maar dan komen er altijd weer andere voor in de plaats en om dat zijn gaat het, niet om het worden. De historie laat echter in de structuren wèl haar sporen achter. Zo zijn er totem-liederen, waarin sprake is van Catilina-vliegboten; het is waarschijnlijk dat deze liederen niet ouder zijn dan de 2e wereldoorlog.
Op Curaçao zijn volksverhalen die als centrale figuur hebben de spin (Nanzi), zoals bij ons het dier, dat niet sterk is en dus slim moet zijn, Reintje de Vos heet. Die Nanzi is afkomstig uit de binnenlanden van Afrika en is met de schandelijke slaventransporten de oceaan overgestoken. Maar in één Nanzi-verhaal komt een grote brand voor, die aangestoken wordt met petroleum; hier zal ongetwijfeld de komst van de Shell mee te maken hebben. Het vatten in één greep, waarbij de geschiedenis als het ware opgaat in, samenvalt met het nu, tracht men wel eens duidelijk te maken met behulp van een orkest-partituur. Deze heeft immers pas dán zin, als de dirigent leest in twee richtingen: diachronisch van links naar rechts (eerst speelt de viool en daarna de fluit) èn synchronisch van boven naar beneden (verschillende instrumenten spelen tegelijk).
Hoewel Lévi-Strauss zegt, dat hij niet wil weten van superioriteit, doch slechts van gelijkwaardigheid betreffende de 'concrete logica' van de niet-Westerse volken en het rationele denken van de geciviliseerde mens en aangaande de historie en de toestand, krijgt men toch de indruk dat zijn voorkeur uitgaat naar de niet-Westerse en de niethistorische beschouwingswijze. Geschiedenis is immers steeds een abstracte aangelegenheid (men beschouwt de feiten los van allerlei andere gebeurtenissen), ze is onvolledig (men kan niet alle feiten noemen; totale geschiedenis zou chaos betekenen) èn ze is partijdig (het is maar welke feiten men uitkiest, hoe men ze rangschikt en welke conclusies men wil trekken). Deze houding tegenover de geschiedenis brengt Lévi-Strauss in conflict met Sartre, die marxist is en dus historisch-materialistisch denkt.
Toch zijn er in het denken van Lévi-Strauss wel invloeden te bespeuren van Marx; men kan denken aan het reeds genoemde incestverbod (een eerlijke verdeling van de vrouwen), maar ook aan de bewering dat het collectieve vóór het individuele gaat, de structuur vóór het individu, dat het allemaal in eerste instantie gaat om de maatschappij.
Maar ook vinden wij in zijn denken Freud terug, de man die zo sterk de nadruk legde op het on- en onderbewuste; bij Lévi-Strauss is de infrastructuur, het onderliggende patroon voor de culturele gedragingen van de niet-Westerse volken onbewust. En in de derde plaats is de invloed van Rousseau aanwijsbaar; we horen hier de echo van zijn uitroep "Terug naar de natuur!", maar tegelijk is er de herinnering aan zijn gedachte van de fundamentele gelijkheid van alle mensen, waardoor minderwaardigheid van bepaalde rassen of culturen moet worden uitgesloten.
(wordt vervolgd)