Paasgroeten
2013-04-20
In de weken voor Pasen worden er stapels kaarten bezorgd in gevangenissen en jeugdinstellingen – een paasgroetenactie van onder meer Kerk in Actie. In de inrichting waar ik een paar jaar geleden werkte, kwam op een dag mijn collega, de imam, met een arm vol kaarten ons kantoor binnen en zei droog: ‘Ik ben zojuist gezegend met paasgroeten.’ Het postvak van de geestelijke verzorging zat in die inrichting boven aan de wand met postvakken en er zaten zoveel kaarten in dat ze over de imam heen vielen toen hij het deurtje opendeed.- Jaargang 57
- nummer 8
In de jeugdinstelling is de tijd rond Pasen een feestelijke tijd. Er komen zo’n 200 kaarten (dit is dus beslist geen aanmoediging voor u om ook kaarten te sturen – er komen er genoeg). Ik haal de brieven uit mijn postvak en leg ze ongeopend op tafel. Als er dan een meisje komt voor een gesprek mag ze er tien openmaken.
De kaarten zitten twee aan twee in een enveloppe. Eén waar een groet op staat en een tweede waar al een postzegel op zit. Die kan dan weer naar iemand anders worden gestuurd. Dat voorlezen van groeten en namen leidt tot allerlei verzuchtingen, opmerkingen en gesprekken.
Een meisje leest op een kaart: ‘U krijgt van de Heer altijd een nieuwe kans. Ik hoop dat u die neemt.’ ‘Welke kans?’ roept het meisje. ‘En wie is die Heer dan, die wil ik dan wel leren kennen.’ ‘Houd moed’, staat er ook regelmatig. ‘Die snapt het’, hoor ik tevreden brommen.
‘Weet dat u niet vergeten wordt’, staat in een zwierig hardschrift . ‘Die schrijft net als mijn oma!’ roept een meisje uit.
‘Nee, het kan mijn oma niet zijn, ze is overleden. “U wordt niet vergeten!” O, mag ik die mee voor op mijn kamer?’ Het meest hoor ik: ‘Wie zijn die mensen dan? Uit de kerken?
Welke kerk dan? Allerlei kerken? Maar waarom naar ons, ze kennen ons toch niet?’ Of: ‘Ze denken dat we oud zijn, ze zeggen u tegen ons.’ Of: ‘Mijn vrienden sturen me niet eens kaarten.’ En nog één: ‘Ze sturen zomaar een kaart aan iemand die ze niet kennen en ze denken aan degene die hem krijgt? Liiief!’ Bij iedereen moet ik uitleggen wat betekent: ‘De Heer is waarlijk opgestaan.’ Dat is de favoriete tekst op de kaarten.
Er zijn twee meisjes bij me. ‘Wat is waarlijk?’ vraagt de één.
‘Nou, dat het echt waar is dat de Heer is opgestaan’, zeg ik.
‘Hoe opgestaan dan?’ ‘Dat weet je toch wel’, zegt het andere meisje. ‘Jezus was dood en toen werd Hij weer levend.’ ‘En dat is opgestaan?’ ‘Ja, dat snap je toch wel?’ ‘Nee, daar snap ik niks van.’ ‘Het is ook niet iets wat we kunnen snappen’, probeer ik te helpen. ‘Niemand weet hoe Jezus weer levend werd, maar zijn vrienden hebben Hem gezien en ze waren er helemaal van overtuigd dat het echt waar was.’ ‘En is Hij dan opgestaan gebleven?’ ‘Nee joh, dat weet je toch wel? Hij is opgevaren’, zegt het meisje, dat christelijk onderwijs heeft genoten.
‘Weggevaren?’ ‘Opgevaren.’ ‘Tjonge,’ zeg ik, ‘dat jij dat weet. Knap hoor.’ En ik vertel iets over Hemelvaart.
‘O kijk, een kinderhandschrift . Menno, o wat liiiief. Die neem ik mee.’ En daar heeft iemand een heel gedicht meegestuurd. We hebben moeite het handschrift te ontcijferen, maar dan hebben we ook een mooi gedicht over lente en leven en liefde.
De tien kaarten zijn uitgepakt. Ik plak de groeten in een slinger aan de muur, behalve de kaarten met groet die iemand graag mee wil nemen. En zo veel kaarten met postzegel als ze willen.
Daarna is er nog tijd voor een gesprek.
‘Mijn moeder zou komen, maar ze is weer niet geweest.
Dronken zeker.’ ‘Wat rot’, zeg ik.
‘Waarlijk’, zegt het meisje.
Jeannette Westerkamp is parttime justitiepredikant namens de NGK Houten.