Wat ziet u: het naderende einde of een nieuw begin?

2013-04-20
  • Jaargang 57
  • nummer 8
Wennen doet het nooit, die berichten dat er ‘daar en daar’ een kerk is opgeheven. De gemeente werd te klein, er waren geen kinderen en jongeren meer, de kerkenraad kon niet ingevuld worden: de redenen lijken vaak op elkaar. En steeds vraag je je af: Had het niet anders gekund? Hadden andere kerken niet kunnen en moeten helpen? Ik geloof dat een regio of classis een belangrijke rol kan spelen bij de zoektocht naar een nieuwe toekomst voor een gemeente in de problemen.

Bij het lezen van de berichten over sluitende kerken moet ik altijd denken aan de kerkenraden en kerkleden die het tot het laatst toe hebben volgehouden.
Tot het moment waarop ze geen andere weg meer zagen dan de gemeente op te heffen. Vaak hebben ze zich een leven lang voor de gemeente ingezet, maar zagen ze het in de loop der jaren door hun vingers glippen. De jongeren gingen weg, de kerkbanken werden steeds leger en toen kon het niet langer.
Die laatste fase is er vaak één van pijn en frustratie, maar ook van eenzaamheid.
Mensen hebben het gevoel dat iedereen de gemeente heeft verlaten en dat ze er nu nog maar met een kleine groep mensen voorstaan.
Is er niets aan die eenzaamheid en uitzichtloosheid te doen? Het is een vraag die extra knelt, omdat de gemeentes die worden opgeheven vaak in gebieden liggen waar sowieso weinig kerken zijn: de grote steden, ‘donker Noord-
Holland’, protestantse diasporagemeenten in Noord-Brabant... Met het sluiten van zo’n gemeente verdwijnt vaak de bediening van het Evangelie in een wijk of plaats. En tegelijk wordt het Nederlandse christendom weer een beetje meer ‘biblebelt’.
De opheffing van een gemeente zou niet alleen de tragiek van de leden van die gemeente moeten zijn, maar zou een kerkverband in zijn geheel moeten raken. Een gemeente valt weg uit de kerkelijke familie. Die zal gemist worden.
Maar dat niet alleen. Een kerkverband als geheel heeft de verantwoordelijkheid voor de verkondiging van het Evangelie in ons land. Dan kun je er niet zomaar in berusten dat er hele streken ontstaan waar geen bijbelgetrouwe, levende gereformeerde kerk meer te vinden is. Daarom loont het de moeite om na te gaan welke rol naburige kerken, een regio of classis of zelfs een landelijke vergadering of synode hierin zouden kunnen spelen.
Hoe zouden zusterkerken een gemeente in nood kunnen helpen? Hoe kunnen bredere vergaderingen – niet: hogere – hun doel waarmaken: samen de verkondiging van het Evangelie versterken?

Oecumene
Eerst die principiële vraag: waarom zouden naburige kerken, verenigd in een regio of classis, zich met de problemen van een kleine zusterkerk moeten inlaten? Die vraag raakt direct aan de basis van een gezonde ecclesiologie (leer van de kerk). Geloven is in de Bijbel geen individuele zaak, maar nadrukkelijk iets wat we gezamenlijk doen. Ons persoonlijke geloof ontwikkelt zich in de bedding van de gemeenschap der heiligen: christenen om ons heen, maar ook christenen die ons voorgingen en die ons zullen volgen.
Wie in Jezus gaat geloven, wordt onderdeel van het gezin van Gods kerk.
Dat komt concreet tot uiting in de gemeente, waarin alle functies van de kerk als geheel in aanwezig zijn. Maar die lokale gemeente is op haar beurt ook weer verbonden met andere gemeenten.
Het kerkverband zoals wij dat kennen is daarvan – een gebrekkige en historisch bepaalde – uitdrukking.
Het maakt iets concreet van wat oecumene is: samen met andere christenen het lichaam van Christus vormen, waarin ieder zijn eigen functie heeft. In dat lichaam zijn we blij met de blijden en bedroefd met de bedroefden.
De problemen van een andere gemeente gaan ons dan ook direct aan.
Wanneer een gemeente wegvalt, valt ook iets weg van de verrijkende en heilzame werking die het leven in zo’n oecumene heeft.
Daarnaast is het ook gewoon heel praktisch dat een kerkverband via een regio of landelijke vergadering kleine gemeenten bijstaat als ze in de problemen komen.
De vragen die momenteel op ons afkomen zijn fors. Hoe moeten we omgaan met de secularisering van de samenleving, van de kerk, van onszelf? Hoe kunnen we anno 2013 een levende en aantrekkelijke gemeente zijn, die trouw is aan haar hoge roeping? Welke route van kerkvernieuwing en –verandering past bij een gemeente? Het zijn vragen die vaak te groot zijn voor gemeenten op zich. Maar juist daarin mogen we elkaar helpen, door ‘best practices’ te delen, samen een visie te vormen en elkaar praktisch te steunen.

Toekomstschets
Een regio of classis kan een belangrijke rol spelen bij de zoektocht naar een nieuwe toekomst voor een gemeente in de problemen. Dat begint er natuurlijk wel mee dat zo’n gemeente tijdig bij de regio aanklopt, open kaart speelt en vraagt om steun.
Die vraag om steun kan op twee manieren opgepakt worden. De regio kan een commissie instellen die de kerkenraad gaat helpen, in kaart gaat brengen waar de knelpunten liggen en gaat verkennen welke mogelijkheden er zijn. De regio kan ook een grotere gemeente met meer spankracht vragen om tijdelijk de andere gemeente te adopteren.
Welke route ook gekozen wordt, als eerste stap zal er voor continuïteit op de korte termijn gezorgd moeten worden.
Als er te weinig kerkenraadsleden zijn, kan er een rooster opgesteld worden voor ambtsdragers uit de regio, zodat er altijd genoeg ambtsdragers aanwezig zijn om de diensten door te laten gaan. En het opstellen van het preekrooster kan gemakkelijk door een vrijwilliger uit een andere gemeente overgenomen worden.
Daarnaast moet het pastoraat geregeld worden. Wie doet dat nu, hoe gaat dat en welke hulp kan er uit de classiskerken gegeven worden?
Met de rust die op die manier is geschapen, kan een gemeente vervolgens geholpen worden om naar de toekomst te kijken. Daarbij zal in kaart gebracht moeten worden hoe de relatie is tussen de gemeente en de wijk of woonplaats. Welke bevolkingsgroepen worden nu nog niet bereikt met het Evangelie? Staat het gebouw op een goede locatie of zou er beter naar een andere plek uitgekeken kunnen worden, mogelijk zelfs een andere wijk of plaats? Zijn er financiën voor een doorstart? Zijn er in de omgeving kerken van vergelijkbare snit (CGK, GKv, verwante PKN-gemeenten) waarmee wellicht samen een toekomst gezocht kan worden?
Op basis van zo’n toekomstschets kande regio kijken hoe er voor een periode van één à twee jaar praktische hulp gegeven kan worden. Zijn er mogelijkheden voor missionair kinderwerk in de buurt?
Is een maaltijdproject een optie? Is er bij een doorstart behoeft e aan goede musici of een muziekgroep?
Voor die concrete taken kan in de kring van de regiokerken mankracht gezocht worden. Juist door in te steken op praktische vaardigheden komen soms mensen in beeld aan wie men vaak nog niet eens had gedacht.
Als een toekomstvisie meer vorm krijgt, kan het zelfs zo zijn dat aan gemeenteleden uit grotere regiokerken gevraagd wordt om zich voor langere tijd te committeren aan de doorstart in de zusterkerk, en op die manier hun gaven te besteden in Gods dienst.
Ook financieel kan een regio of classis het nodige betekenen. Vaak is het beheer van de financiën, een kerkgebouw en een eventuele pastorie een hele kluif geworden voor een kleine gemeente. Daarin kan een financieel iemand uit de regio veel betekenen, bijvoorbeeld rond het maken van keuzes. Moet het kerkgebouw verkocht worden om een doorstart te financieren? Waar zijn fondsen te vinden in binnen- en buitenland? Hoe zijn die aanvraagprocedures precies? Natuurlijk kan het ook zo zijn dat regiokerken zelf financieel bijdragen aan de doorstart van een zusterkerk. Het is gek, maar in onze samenleving lijkt het soms dat pas op het moment dat we zelf ook financieel gaan bijdragen, we ons pas echt verbinden aan iets.

Zaadjes
De betrokkenheid van een regio kan ervoor zorgen dat er weer hoop komt bij de gemeenteleden. Nieuwe gezichten, betrokkenheid en enthousiasme betekenen in zo’n situatie veel. De eenzaamheid, het gevoel er alleen voor te staan, wordt doorbroken. Natuurlijk vraagt dit vertrouwen en ook moed en durf. De toekomst is onzeker, maar het is geen sprong in het diepe. De regiokerken zijn er om te helpen.
Soms moet een regio constateren dat de gemeente in haar huidige vorm toch moet sluiten, maar dan kan geholpen worden om dat op een goede en geestelijke manier te doen. In de meeste gevallen betekent het echter niet het einde van de evangelieverkondiging. Voorbeelden in plaatsen als Rotterdam, Haarlem en Amsterdam laten zien dat gemeenten die op hun laatste benen lopen toch weer toekomst kunnen hebben. Dat kan door een doorstart met flinke hulp van ‘buiten’, dat kan door een kerk te worden voor een nieuwe doelgroep (multicultureel, klassiek, jeugd), dat kan door de start van een missionair project.
Belangrijk is dat gemeenten in de problemen er niet meer alleen voor staan.
Laten we er daarom als regio’s en classes naar streven dat gemeenten niet meer ‘zomaar’ opgeheven worden. Laten we gezamenlijk onze verantwoordelijkheid oppakken en elkaar helpen om op allerlei plaatsen het licht van het Evangelie helder te laten schijnen. Laten er geen gemeenten meer verdwijnen zonder dat er zaadjes geplant worden, waardoor opnieuw of op een nieuwe manier een gemeente van Christus mag ontstaan.
Tot eer van God en tot redding van verloren zielen.

Dr. Bart Wallet is onderzoek er en docent bij Media Studies en Religiestudies aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de CGK/NGK Amsterdam-De Bron.

Praktijkervaring
Als lid van De Bron in Amsterdam heeft Bart Wallet het afgelopen decennium de nodige ervaring opgedaan met hulp aan zustergemeenten. Zo was hij als kerkenraadslid vrijgesteld om de CGK Amsterdam-Noord te begeleiden bij de doorstart van de bestaande gemeente en de opstart van de nieuwe missionaire gemeente Hoop voor Noord. Als supervisor was hij, vanuit De Bron, tot aan de verzelfstandiging van Hoop voor Noord nauw betrokken bij het beleid en de opbouw van de gemeente. Eveneens was hij voorzitter van het platform ‘Amsterdam in Beweging voor Jezus Christus’, waarbinnen de Amsterdamse kerken elkaar terzijde staan. ‘Deze ervaringen hebben mij de ogen geopend voor de praktische wijze waarop we elkaar als gemeenten kunnen helpen’, zegt hij. ‘Die ervaringen neem je bovendien weer mee terug naar je eigen gemeente. Het voorbeeld van Hoop voor Noord was voor De Bron een belangrijke stap om zelf ook meer voor onze multiculturele buurt te willen betekenen. Zo zijn we in de eigen wijk, onder de paraplu van onze gemeente, begonnen met Oase.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief