Paulus' brief aan de gemeente te Rome (1)
1973-01-19
In de winter van 1970-'71 begon ik in een bijbelstudiekring met de bespreking van Romeinen. Ze werd voortgezet in de winter van '71-'72. Toen kwamen voor mij nieuwe dingen aan het licht, die ik ruim twintig jaar geleden (toen ik de schetsenbundel '0, diepte des rijkdoms' publiceerde) niet ontdekt had. Mij werd gevraagd daarvan eens het een en ander te publiceren in 'Opbouw'. Daarvoor ontbrak in eerster instantie de tijd. Nu het zover is dat ik kan gaan schrijven, vraagt Prof. Veenhof, of ik niet de hele brief opnieuw kan behandelen ten dienste van bijbelstudieclubs.- Jaargang 17
- nummer 3
Dat vergt natuurlijk meer tijd. Maar ik zal in elk geval een begin maken, in de hoop dit werk bij gedeelten in de loop van dit jaar te kunnen voltooien.
Enkele opmerkingen vooraf:
1. Wat ik ga schrijven is niet bedoeld als een volledig commentaar.
We zullen allereerst trachten de gang van Paulus' 'betoog' te volgen.
Details worden alleen breder behandeld, als ze me van belang lijken voor het verstaan van het geheel, of wanneer ze licht werpen op de instelling van den apostel tegenover zijn arbeid, en in meer dergelijke gevallen. Ook aan Paulus' verwerking van oudtestamentisch materiaal heb ik hier en daar wat meer aandacht gegeven.
2. Wat de vormgeving betreft, is er eigenlijk alleen maar gestreefd naar duidelijkheid. Aan fraaiheid van dictie is geen aandacht besteed.
Ook niet eens aan gelijkmatigheid: soms moest iets omstandig worden uiteengezet, elders weer leek paraphrase de beste manier om Paulus' bedoeling helder te laten doorkomen.
3. Als een uitlating apodictisch mocht klinken, dan daarvoor bij voorbaat mijn excuus. Men schrijve dit op rekening van het schetsmatig karakter van deze bijdragen.
Algemene inleiding
Ter oriëntatie een kort overzicht van Paulus' arbeid in het Evangelie tot dusver.
Hij heeft drie zendingsreizen achter de rug, die hun aanleiding vonden in wat Hand. 13 : 2 vermeldt.
De eerste gaat via Cyprus naar Pamphylië (Perge), Pisidië (Antiochië) en Lycaönië (Iconium, Lystra, Derbe). Paulus gaat langs dezelfde route terug.
De tweede reis onderneemt Paulus na het Apostelconvent (Hand. 15 : 36-39). Ditmaal gaat niet Barnabas, doch Silas mee. Ze reizen nu over land (door Syrië en Cilicië), en komen o.a. weer in Lystra, waar Paulus Timotheüs leert kennen.
Dan gaat de tocht verder door Phrygië (waarin Laodicea en Colossae liggen) en Galatië. De Geest verhindert hen naar Bithynië te gaan. In Troas krijgt Paulus het nachtelijk gezicht, dat aanleiding wordt voor de overtocht naar Philippi. Vandaar reizen ze verder naar Thessalonica en Berea, en tenslotte naar Athene (Areopagus) en Corinthe (ontmoeting met Aquila en Priscilla). In de laatste stad blijft Paulus anderhalf jaar.
In deze jaren (51/52) schrijft hij de beide brieven aan de gemeente te Thessalonica. Dan vaart hij (met Aquila en Priscilla) over naar Efeze, waarvandaan hij via Caesarea terugkeert naar Antiochië.
Al spoedig gaat hij voor de derde keer op reis. Nu gaat het naar Galatië en Phrygië, en vandaar naar Efeze (Hand. 19: 1). Daar blijft Paulus eerst twee jaar en drie maanden (Hand. 19: 8-10) en later nog negen maanden (vgl. Hand. 20 : 31). In deze jaren (54-57) schrijft hij de brief aan de Galaten en de eerste brief aan de gemeente te Corinthe. Ook komt dan het plan op voor de reis naar Rome (Hand. 19: 21). Blijkbaar (zie 2 Cor. 1 : 15 vlgg.) was Paulus aanvankelijk van plan Macedonië en Achaje te bereizen vanuit Corinthe: kennelijk had hij dus van Efeze rechtstreeks willen oversteken naar Corinthe. Maar de toestand in de gemeente van Corinthe verhindert dat. Hij gaat nu via Macedonië. Hoort daar van de verbetering van de toestand in Corinthe (2 Cor. 7: 5 vlgg.). Van daaruit ook schrijft hij de tweede brief aan Corinthe (einds van het jaar 57).
Uit het arme Macedonië krijgt Paulus geld mee voor Jeruzalems gemeente (2 Cor. 8 en 9). Ook Achaje had allang het plan iets voor Jeruzalem te doen. Paulus schrijft nu vanuit Macedonië: legt het geld alvast klaar (2 Cor. 9: 3-5).
Met behulp van dit laatste gegeven valt nu de brief aan Rome te localiseren en te dateren. Over de bewuste collecte spreekt Paulus nl. ook in Rom. 15 : 22-29. Blijkbaar heeft hij die nu bij zich: hij zal dus inmiddels vanuit Macedonië in Corinthe zijn aangekomen.
Van daaruit zal hij de brief naar Rome hebben geschreven.
Daarop wijst ook het feit dat hij de brief laat bezorgen door een zuster (Phoebe) uit Cenchreae, een havenstad van Corinthe (Rom. 16 : 1). Verder zou zijn gastheer Gajus (Rom. 16 : 23) best eens dezelfde kunnen zijn dien hij in 1 Cor. 1 : 14 vermeldt als een van de weinigen uit Corinthe die hijzelf doopte. Ook is opmerkelijk, dat onder de gemeenteleden die groeten meegeven een zekere Erastus wordt genoemd (Rom. 16: 23), die dezelfde kan zijn als de Erastus van wien we in 2 Tim. 4 : 20 lezen dat hij in Corinthe is gebleven (wellicht omdat hij daar zijn domicilie had).
Al verder ken Paulus het verdorven leven del- heidenen dat hij in Rom. 1 beschrijft misschien wel nergens beter met eigen ogen hebben gezien dan in Corinthe, een havenstad die om haar liederlijk leven berucht was.
Over het ontstaan van de gemeente te Rome zijn we niet ingelicht.
Marcus, die zijn evnngelie in Rome schreef, noemt Simon van Cyrene "den vader van Alexander en Rufus" (Marc. 15 : 21). Blijkbaar waren deze twee leden van de gemeente in Rome (vgl. Rom. 16: 13). Mogelijk is na de Pinksterdag het evangelie naar Rome gebracht door mensen die op het Pinksterfeest in Jeruzalem Petrus en de andere apostelen hadden gehoord.
Er zijn bij de namen die Paulus aan het slot van de brief noemt joodse en heidense, Toch spreekt hij de gemeente aan met "u, heidenen" (Rom. 11: 13). Ze zal dus wel overwegend van heidense oorsprong zijn geweest (vgl. ook Rom. 1 : 6 en 13; 15 : 15 en 16).
Paulus kende de gemeente niet.
Dat heeft voor ons het voordeel, dat in de brief geen zinspelingen voorkomen op gebeurtenissen of situaties die alleen schrijver en toenmalige lezers bekend waren, maar voor ons niet meer te achterhalen zijn; iets wat het verstaan van andere brieven nogal eens bemoeilijkt. De brief heeft dan ook niet veel 'specifieks': veeleer geeft Paulus zichzelf en anderen hier nog eens rekenschap van het evangelie dat hij brengt.
Hij staat bij een belangrijke mijlpaal in zijn loopbaan: tot aan de Adriatische Zee heeft hij de boodschap der verlossing gebracht (Rom. 15: 19). Hij bevindt zich op dit moment op ongeveer de verst bereikte post (vgl. 2 Cor. 10 : 13). Nu zal hij naar Jeruzalem terugkeren en vandaar de sprong wagen naar de westelijke helft van het Middellandse-Zeegebied.
Toch is de brief niet abstracttheoretisch: heel de levenservaring op de zendingsreizen opgedaan (de uiteenlopende reacties van Joden en heidenen op de verkondiging van het evangelie) ligt erachter en klinkt er in door.
(wordt vervolgd)