Kerkelijk leven

1973-01-19
  • Jaargang 17
  • nummer 3
Het geloof in de hemel mag zich momenteel niet in een grote populariteit verheugen.
Naar men zegt wordt er zeer weinig over de hemel gepreekt. Het geloof aan de hemel schijnt sterk op retour te zijn. Alle aandacht wordt in onze tijd op de aarde gericht, niet slechts in de praktijk, ook in de theologische beschouwingen. Het Oude Testament moet daarvoor in het bizonder dienst doen.
Het is intrigerend na te gaan wat hiervan de oorzaak is.
Is het het moderne wereldbeeld dat we door de natuurwetenschap verkregen hebben, dat het geloof aan een hemel in letterlijke zin aan het ondermijnen is en bij velen reeds ondermijnd heeft? Zo wordt het ons aangepraat uit de school van Bultmann: de moderne mens kan niet meer geloven in voorstellingen, die met een verouderd wereldbeeld samenhangen en daaruit opgekomen zijn. Tot die voorstellingen behoort dan ook de hemel.
Enige tijd geleden schreef ds Hans Bouma 'n artikel in het Gereformeerd Weekblad over "De hemel - een dak boven ons hoofd, waarin hij veler moeilijkheden met de hemel in verband brengt met een wereldbeeld, waarin we ons echt niet meer thuis kunnen voelen in de tijd van de ruimtevaart. Ze weten geen weg meer met "de ruimte", die in de Bijbel argeloos aan de hemel wordt gegeven. We hebben heel wat rondgeneusd in het heelal maar geen hemel, trouwens ook geen hel: geen andere dan deze wereld, lezen we in genoemd artikel. Het oude huis - met de hemel als de zolder waar je goed zat enz.is ingestort (nummer van 10 nov. '72).
De schrijver van dit artikel is dus van oordeel dat de wijze van spreken over de hemel, zoals we die in de Bijbel vinden en bij vorige geslachten, vanwege het veranderde wereldbeeld een achterhaalde zaak is al voegt hij er direkt aan toe dat daarmee de boodschap van de hemel niet onverstaanbaar is geworden of zelfs ontkracht. In het vervolg van z'n artikel geeft hij dan door wat naar zijn oordeel die boodschap is.
Intussen, daar is het me nu niet om te doen, tenminste niet allereerst. Maar het is geloof ik, een misvatting te menen dat het veranderde wereldbeeld de hoofdschuldige is in het proces dat heeft geleid tot het instorten van "het oude huis". De zaak is m.i. gecompliceerder dan dat zij afgedaan kan worden met een simpele verwijzing naar een veranderend wereldbeeld.

Allereerst iets over dit woord.
Wereldbeeld moet wel onderscheiden worden van wereldbeschouwing. Het eerste zouden we min of meer naïef kunnen noemen en hangt samen met de direkte aanschouwing.
Naïef heeft hier dan de betekenis van voorwetenschappelijk.
Het Israëlitisch wereldbeeld zag er als volgt uit: de aarde is een vlak, rondom omgeven door de wereldzee, rustend op de wateren, die er beneden liggen· terwijl de sterrenhemel er als een koepel overheen is gestulpt; boven deze koepel bevindt zich de hemeloceaan en daarover de hemel der hemelen, waar de wereldgod is.
't Is duidelijk, dat we hier met een wereldbeeld te doen hebben dat geboren is uit de direkte aanschouwing en indruk, die de wereld op de mens maakt. Alleen in het laatste - de hemel der hemelen - mengt zich een element van religieuze beschouwing.
Prof. Vriezen, die ik citeerde, merkt hierbij op dat het Oude Testament "natuurfilosofisch" weinig nieuws biedt dat ook niet de andere volken reeds bezaten. Vandaar dat het dwaasheid is, vindt hij, om dit wereldbeeld als openbaringselement in het O.T. te willen handhaven; het is volkomen ontleend aan het oud-oosterse, en heeft geen zelfstandige betekenis als Godsopenbaring.
We kunnen daarom rustig zeggen, zonder schrik om het hart alsof ons geloof in de Bijbel als Gods Woord in geding zou zijn, dat dit wereldbeeld met meer het onze is, in elk geval niet op die wijze als dat bij Israël het geval was. Wij weten, dat de aarde rond is en dat de wolken regen bevatten. Maar men moet deze kwestie toch niet opschroeven.
In de eerste plaats is deze onze natuurwetenschappelijke kennis niet nieuw, maar al weer eeuwen oud en desondanks is het geloof aan de hemel van God daardoor bij vorige geslachten ongeschokt gebleven. Hier ligt dus het eigenlijke vraagstuk niet!
En in de tweede plaats: er is toch nog wel wat dat het oude wereldbeeld ook bij ons, moderne mensen, blijven hangen. Wij léven zelfs grotendeels met het oude wereldbeeld.
We ervaren in de dagelijkse praktijk de aarde niet als rond. We zien de zon en de maan en de sterren boven ons. In dat opzicht is er met zoveel verschil tussen de antieke en de moderne mens. De zon komt voor ons besef even goed op als voor het zijne, al weten wij, dat dat met wetenschappelijk-juist is gesproken.
Maar met het laatste zijn we beland op het gebied van de wereldbeschouwing. Deze is meer theoretisch van aard. En dat velen met de hemel in de knoei zitten of hem reeds Lang hun afscheid gegeven hebben, hangt samen met zozeer met hun wereldbeeld, maar het hun wereldbeschouwing, hoe oppervlakkig-populair of diepzinnig deze mag zijn.
Die wereldbeschouwing is nooit louter een kwestie van natuur-wetenschappelijke aard of door de natuurwetenschap slechts aan de hand gedaan. Daarin mengen zich altijd factoren van andere aard. De mens denkt, overweegt en beschouwt ten diepste met zijn hart. Dat geeft de richting van het denken aan. En dat hart is gelovend of ongelovig.
Met de wereldbeschouwing hangt heel de levens- en mensbeschouwing samen en omgekeerd. Dit alles kan de mens zelf ontgaan.
Hl] kan menen onbevooroordeeld dingen te beschouwen, zuiver wetenschappelijk, maar dat is een waan. Er is niemand, die dit kan.
De zaak is dus niet zo onschuldig als ze lijkt, Het is met maar een kwestie van een verouderd wereldbeeld, waarin wij niet meer kunnen denken zodat we aan het vertalen moeten. Het is een kwestie van moderne wereldbeschouwing, waarvan de wortels liggen in de Renaissancetijd, die aan de Reformatie van de 16e eeuw voorafging en de mens ontdekte" als het middelpunt van de wereld. De moderne mens. dringt zijn beschouwing aan de werkelijkheid op, want hij gedraagt zich als souverein. Hij schept zich een vermeende wereld, een wereld van gesloten causaliteit met behulp van een al weer verouderde natuurwetenschap. Een wereld waarin geen plaats is voor een hemel en een hel.
In die zin kunnen we vaneen modern wereldbeeld spreken, maar dan is hier het woord in andere zin gebruikt dan in die waarbij we spreken van het antieke wereldbeeld: een wereldbeeld, dat zich zonder diepere reflexie aan ons opdringt. Nu is het gebruikt in de betekenis van: het beeld, dat de moderne mens zich van de wereld schept door zijn ongelovig nadenken en filosoferen. Hierbij heeft met het oog, maar het hart de leiding: het hart dat zich in zelfvergoding van de levende God heeft afgewend.

Wel moeten we hierbij bedenken dat die moderne mens niet een generaal verschijnsel is, ja, dat hij slechts gedeeltelijk bestaat. Hij is zelfs een omstreden grootheid. Bultmann zegt van hem: Men kan niet in gevallen van Ziekte moderne medische en klinische middelen te baat nemen en tegelijk de geestenen wonderwereld van het Nieuwe Testamentgeloven. Bultmann is dan ook de man van de ontmythologisering: men moet de Bijbel van z'n mythologische verpakking ontdoen om de eigenlijke boodschap te horen. Maar Jaspers bestrijdt dit beeld van de moderne mens: hij blijkt dit wel te doen, zegt Jaspers.
Er is daarom geen reden om voor de moderne mens het pad te ruimen en niets ergers te vinden dan niet modern te zijn. De moderne mens is blijkbaar een in zaken van geloof en wereldbeschouwing schizofrene grootheid: om de wetenschap verwerpt hij het geloof! maar langs de achterdeur haalt hij het bijgeloof weer binnen: het staat in de sterren!
Het bijbels spreken over de hemel behoeft daarom niet in de archiefkast. Natuurfilosofisch" mogen wij het antieke wereldbeeld niet meer toestemmen - daarin ligt het openbaringskarakter niet. Wel in het spreken over de hemel als de woning van God, als het Vaderhuis met zijn vele woningen, als de plaats, waar Christus zit aan Gods rechterhand, We behoeven hier ook niet aan het vertalen te slaan om de eigenlijke boodschap" te horen. De Heilige Schrift zelf gebruikt het woord hemel in verschillende betekenissen.
Maar dat is dan ook telkens duidelijk genoeg. Als wij die betekenissen opzoeken, naspeuren, dan vertalen we niet in de eigenlijke zin van het woord, maar lezen we wat er staat in het geheel van de contekst.
We laten dan echter ook staan wat er staat als de Schrift spreekt over de hemel als de woonplaats van God, van Christus, van de engelen, hoe onvoorstelbaar groots en heerlijk hij ook is!

G.JANSSEN


De nood der kerk

Wanneer men van dag tot dag, zo intens als dat mogelijk is, het leven van de kerk in onze dagen volgt, kun je dikwijls een gevoel van machteloosheid, ellende, ja, van wanhoop bevangen. Want in alle kerken heerst hopeloze misère!
Wie leest hoe de "beminde gelovigen" van de RK kerk elkaar te lijf gaan vraagt zich dikwijls af: zijn we in een kroeg of in een kerk? We hebben gehoord dat de éne roomse van de ander zei dat die een moord op hem beging. De "progressieven" en de conservatieven"
tuigen elkaar genadeloos af.
En wat daarvan in de publiciteit komt is natuurlijk nog maar een zwakke echo van wat achter de schermen gezegd en gedaan wordt. Honderdduizenden verliezen het vertrouwen in de "moederkerk". Wat het K.V.P. overkwam is een teken aan de wand! Hoe zal de leegte die door deze ellende in het leven van tallozen is ontstaan worden gevuld?
Waar zullen zij die zo "in de kou" zijn geraakt terecht komen?
In de Hervormde Kerk openbaart zich in steeds dreigender vorm een verlammende machteloosheid. Na lange felle debatten, stapels nota's en rapporten, wanhopige pogingen om zo ver te geraken, kon de synode van die kerk toch niet tot enige concrete uitspraak over het "Getuigenis" komen. Ook de synodale gesprekken over het ambt liepen hopeloos vast. De "richtingen" - de "modaliteiten" zijn weer voluit "richtingen" geworden - staan scherper tegenover elkaar dan ooit. Bij iedere belangrijke beslissing die genomen moet worden verharden zich de fronten. En de kerken worden steeds leger.
Ook in de gereformeerde kerken van allerlei soort kraakt en knarst het van alle kant .. In de (synodaal) Geref. Kerken zijn Ieeruitspraken gedaan die niemand echt bevredigen, waarmee niemand echt blij is.
Onmiddellijk na de publikatie ervan barstte een interpretatiestrijd los die bijna tot een interprelatiezwendel leidde. De nieuwe theologie" die vol is van "gechristianiseerd" nee-marxisme, existentialisme, historisme, of zelfs pragmatisme, verwoest het leven des geloofs van duizenden. En anderzijds tiert allerweegs een verhard hoogmoedig orthodoxisme - soms tegelijk de camouflage van lelijke zonden - waaruit opklinkt: des HEREN tempel, des HEREN tempel zijn dezen!
Is het een wonder dat duizenden eenvoudige, oprechte gelovigen dit alles met verbijstering ondergaan, in, grote verwarring raken en zich met afkeer, zo niet met walging, afwenden van die al meer verbureaucratiserende zielloze en geesteloze hiërarchische kerkelijke organisaties en zich afvragen, als ze het enthousiasme en de offerbereidheid van vele jonge buitenkerkelijke christenen zien, of God soms buiten de machteloze kerkelijke instituten om een nieuw reveil wil bewerken.

Je vraagt je meermalen af of de kerken ten gevolge van hun eigen dwaasheid niet op weg zijn heen te groeien naar een situatie zoals die in Duitsland, Zwitserland en andere europese landen wordt gevonden. Daar zijn grootse kerkelijke organisaties, met eindeloos redenerende en confererende kerkelijke bazen die, goed gehonoreerd, in prachtige gebouwen, stapels rapporten en boodschappen de wereld inzenden, die evenwel slechts door weinigen gelezen worden. Kerkvorsten die menen over al de problemen in de "wereld" hun zegje te moeten doen waarvan die wereld zich natuurlijk geen lor aantrekt dan alleen en in zoverre dat in haar kraam te pas komt! - Als dat het geval is beroepen zelfs Den Uyl en Marcus Bakker zich op de kerk!
Maar deze machtige kerkelijke organisaties die nominaal honderdduizenden leden tellen hebben grote kerkgebouwen waarin 's zondags enkele tientallen kerkgangers samenkomen.
Meestal oudere mensen en vooral vrouwen. Het komt vaak voor dat predikanten voor vijf of tien mensen optredende koster en de organist inbegrepen!
Toen professor Schilder in Duitsland studeerde schokte hem het meest dat wanneer de vakanties voorbij waren en honderden theologische studenten in het universiteitsstadje neerstreken je daarvan in de slecht bezochte kerkdiensten niets kon merken ..
Er is wel één groot verschil tussen de kerkelijke situatie in de genoemde landen en die in ons land. In het buitenland wordt nl. voor de kerkelijke financiën door de overheid gezorgd. Via opcenten op de belastingen int de Fiscus de kerkelijke contributie en draagt die daarna aan de hoogste kerkelijke besturen af. Daarom profiteerde de kerk in Duitsland voor de volle honderd procent van het "Wirschaftswunder". Je kunt dat merken aan de majestueuze kerkelijke regeringsgebouwen die overal verrezen zijn.
Dat is bij ons - nog ! - niet het geval.
Wel wordt bij ons nu reeds, evenals in het buitenland, de gehele opleiding tot predikant of pastoor voor de Herv., Geref en R.K. kerk door de staat betaald. De inrichtingen daarvoor zijn nu van de soms lastige gemeenten en kerkleden onafhankelijk geworden.
Maar de kerken moeten nog steeds wel voor het overgrootste deel voor zichzelf zorgen. Er wordt aan gewerkt dat, evenals alle mogelijke andere organisaties, ook de kerken een forse greep in de subsidiepot mogen doen. En dan is het leed geleden!
Dan kan het kerkelijke bedrijf zich geheel en al naar de zin en wil van de kerkelijke managers ontplooien.
Ja, misschien gaat het in Nederland met de kerk wel dezelfde weg op als in Duitsland en Zwitserland. En wat je daar vindt is naar alle waarschijnlijkheid een overgangsfase naar de toestand in Frankrijk waar de kerk volledig machteloos geworden en op sterven na dood is.
Ja, misschien - het heeft er alle schijn van - gaat het in Nederland wel dezelfde weg op als in Duitsland, Zwitserland, Zweden, Engeland enz. Daar komen de gelovigen, die nominaal dikwijls nog bij de "grote" kerken blijven behoren in zalen en kapellen bijeen. Gedreven door de nood der tijden.
En uit honger naar het volle Evangelie, naar het brood des levens en het water des heils.
En zou dat misschien dan de overgang zijn naar de situatie van de kerk en de christenen in Rusland?
Want dit is zeker dat West-Europa met zijn materialisme, zijn onverzadigbare honger naar meer welvaart, zijn verziekte democratie, zijn protestakties en stakingen effectief bezig is zichzelf te annexeren ten faveure van Rusland.

Wanneer men mij vraagt wat de diepste oorzaak is van al deze kerkelijke ellende dan geef ik op die vraag onmiddellijk een antwoord, een antwoord ten opzichte waarvan ik de rotsvaste overtuiging bezit dat het juist, dat het Schriftuurlijk is.
Ik weet het, dat klinkt ongelofelijk eigenwijs en pretentieus. Maar dat risico neem ik, moet ik nemen!
Die grote, diepste nood van de kerk en de kerkmensen is dat zij de zonde, beter gezegd: hun eigen zonde, hun eigen zondigheid, verdorvenheid, verlorenheid niet kennen, niet herkennen, niet erkennen. Nee, het gaat daarbij niet om een juiste "opvatting" omtrent de zonde enz. Die is op zichzelf waardeloos.
Het gaat hierbij om een brok, een fundamenteel moment van de zelfkennis. En omdat er zo weinig van zulke zondekennis wordt gevonden, is er ook geen plaats voor, geen kennis van de genade van God die ons in Christus wordt geopenbaard.
Waarom is Jezus Christus in de wereld gekomen?
Omdat drie wereld - d.w.z.: de mensenwereld, wij zelf - door en door goddeloos is en het met ons een eeuwig fiasco worden zou, als Hij met tussen beide was gekomen.
En die zonde is dat wij God niet in ons leven dulden. Onze zonde is dat wij, ondanks misschien allerlei verheven godsideeën, actieve, aggressieve vijanden van God zijn. Onze zonde is dat wij met onze handen als met een paar klauwen grijpen naar de overweldigende rijkdom van wat God geschapen heeft - dat zijn eigendom is en blijft, dat hij van seconde tot seconde onderhoudt - en er dan mee doen wat wij willen.
Onze zonde is dat wij naar ons zelf toe gekromd staan en alles en allen exploiteren voor eigen bezit, macht, genot.
Omdat men de echte, werkelijke zonde niet kent, er geen rekening mee houdt, is allerlei kritiek op verschijnselen, machten, structuren veelal zo hopeloos oppervlakkig.
Om het zo konkreet mogelijk te zeggen: als ik allerlei maatschappijkritiek lees van mensen als Ter Schegget, De Pree, Reckmann, Kuiterj enz. dan overvalt mij steeds weer de gedachte: wat zijn jullie toch grenzeloos eenzijdig en oppervlakkig. Jullie kritiek gaat niet diep genoeg. Ze is niet scherp genoeg.
Ze richt zich alleen op symptomen van het kwaad, niet op de wortel daarvan.
Je merkt dat gemis aan echte zondekennis b.v. ook hieraan, dat vele maatschappijhervormers en pacifisten vaak zo ongelofelijk intolerant en aggressief zijn! In geen enkele partij in ons land hebben ze zoveel ruzie gehad als in die van de pacifisten, de vredemakers! Hun houding, hun gedrag is vaak een vernietigende kritiek op hun woord, op hun leuzen.

Omdat er zo bitter weinig echte, kennis van de echte zonde is, is er ook zo weinig echte kennis van en plaats voor Gods genade.
Nee, ook daarbij gaat het niet om een orthodoxe opvatting daarvan. Ook aan die heeft niemand op zichzelf iets. Het komt aan op die kennis van de genade die geboren wordt uit het overwonnen worden daardoor, uit het leven daaruit. En dat gebeurt alleen als we ondervonden hebben dat genade het meest vernietigende oordeel inhoudt dat over ons kan worden geveld. Zo ontstellend goddeloos en gebonden door Satan, zonde en dood zijn wij dat ons behoud alleen door Gods genade - dat wil zeggen: door Gods volkomen verbeurde Iiefde - mogelijk is.
Als ik aan Gods genade denk en er over preek staat mij vaak voor ogen wat je op een schoolplein kunt zien gebeuren. Als daar een paar jongens met elkaar vechten is het eind diikwijls zo dat de een de ander op de grond smijt en boven op hem gaat zitten. En dan zegt hij tegen de overwonnene: "zeg: genade!" Dat is de oproep om de nederlaag te erkennen en zo weer "vrij" te worden. En als dan de onderliggende partij om genade vraagt, erkent hij daarmee dat hij de nederlaag heeft geleden en wordt hij weer "vrij".
Welnu zo is de openbaring van Gods genade in Christus - juist omdat die waarachtig genade-openbaring is - de meest indringende prediking van onze totale verdorvenheid.
Maar zij is tegelijk de bewogen, de echt harts-tochtelijke oproep om zich door die genade te láten overwinnen! Ze is Gods doordringende oproep om daarin de toevlucht te nemen.

De nood, de grote nood van de kerk onzer dagen bestaat nu hierin dat deze kennis van zonde en genade, en de prediking daarvan, zo weinig wordt gevonden, ja vaak bewust en beslist wordt afgewezen.
Ik heb meer dan een jaar lang alle mogelijke preken en preekjes via de radio gehoord.
Maar wat de kern van de zaak betreft was wat i:k hoorde veelal allerdroevigst.
Ik hoorde wel vaak "mooie", "aardige", goed gestileerde en gedeclameerde stukjes. De prekers hadden het ook wel vaak over allerlei gebreken in de mens en in de samenleving.
Soms waren ze ook wel eens een beetje diepzinnig en geleerd. Maar er klonk niet in door de donkere diepten van zonde en schuld.
En daarom hoorde je ook zo weinig de stralende vreugde over de verlossing. Het was, om een woord van de oude Sikkel te gebruiken werk van tuinharkers en stukadoors, maar niet het machtige woord van de levende God, van zijn toorn over de zonde en van de wonderbaarlijke verlossing die Hij in Christus ons geeft!
Een van de weinigen van wie ik een heerlijke preek hoorde was bisschop Simonis! Ik ken de man niet. Ik las nooit één woord van hem. Ik weet alleen van de opschudding die zijn benoeming veroorzaakte. Bisschop Simonis sprak over de herders en de geboorte van Christus. De herders geloofden kinderlijk de boodschap van de engel. En ze geloofden op het woord van de engel dat het doodgewone kindje in de kribbe de beloofde Christus en de Verlosser was. En toen kwam in hen de verwondering en de grote vreugde.
Maar terwijl de herders met een loflied en grote blijdschap de wereld ingingen staat tegenwoordig de grote meute der theologen bij de kribbe met niets anders dan een levensgroot probleem. Het was heerlijk. Zo'n preek op de Kerstmorgen maakt in zo'n situatie de dag goed.

Wat voor de kerk in onze tijd broodnodig is heeft Bavinck eens zo gezegd: "Alle mens is leugenachtig; hij spreekt niet altijd onwaarheid, maar hij is onwaar; hij is leugenachtig in zijn bestaan zelf. Zijn en schijn, wezen en openbaring, innerlijk en uiterlijk zijn bij hem in tegenspraak. Terwijl de mond soms overvloeit van liefde en het gelaat niet dan vriendschap toont, komen uit het hart des mensen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererij en dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. Een heilige die de mens innerlijk kende en tot op de bodem zijns harten doorzag, zou van hem in ontzetting wegvluchten." De mensen leven eigenlijk bij zichzelf en bij anderen "in een waan en een inbeelding." En de verschrikkelijkste ellende van de zonde "bestaat niet daarin, dat wij blind zijn, maar zij is hierin gelegen dat wij blind zijnde, nochtans mensen dat wij zien. Zonde is schuld en smet en schande, maar zij is ook nog dwaasheid en onverstand."
We kunnen dit ook zó zeggen: de kerk moet weer met de oude gereformeerde kerken leren bidden - in die kerken werd het bij de aanvang van elke kerkdienst knielend gebeden: "Hemelse Vader, eeuwige en barmhartige God, wij erkennen en belijden voor uw Goddelijke majesteit, dat wij arme ellendige zondaren zijn, ontvangen en geboren in alle boosheid en verdorvenheid, geneigd tot alle kwaad en onnut tot enig goed; en dat wij ons zondig leven zonder ophouden uw heilige geboden overtreden (tegenwoordige tijd) waardoor wij uw toorn tegen ons verwekken (tegenwoordige tijd!) en naar uw rechtvaardig oordeel op ons laden (tegenwoordige tijd!) de eeuwige verdoemenis."
Pas als dat gebed waarachtig gebeden wordt kan komen de overweldigende vreugde over en de zekerheid van de verlossing en vangt het nieuwe leven aan!

Waar het op aankomt voor de kerk heeft Da Costa haar eens voorgezongen in een gedicht dat mij bij het schrijven van dit artikel steeds voor de geest stond en waarvan ik het volgende overneem: In diepten verzonken van leed en ellende, het hart in bedwelmende dromen verward, door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende, gedreven, gefolterd tot eindloze smart, heeft de aarde mij lang in mijn dorheid gedragen, in morrende wanhoop aan wereld en lot: een knagend verlangen verteerde mijn dagen, een woede van honger naar zielengenot ...

In diepten des onheils verzonken, verloren, versmachtte mijn ziel naar de levende God!
Maar ach! in de blindheid der zonde geboren, bleef rusteloze woeling mijn pijnigend lot!
Hoe zoude ook het schepsel zich nog onderwinden, den Schepper te zoeken in 't afgekeerd hert?
En waar is het licht, dat Hem weder doet vinden,
Wiens beeld door de zonde in ons uitgewist werd? ...
o God des ontfermens!
Gij zaagt op mij neder, en 'k werd tot een nieuwe bevatting herteeld!
In d' Eniggeborene keert God tot ons weder, in d' Eniggeborene, Zijn uitgedrukt Beeld!
Die Een'ge ... Zijn hand heeft mijn ogen bestreken, en 't hartenbewindsel des ongeloefs viel.
Ik zag Hem, ik. gaf mij!
De hel is - geweken; de hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel! ...
Ik zag Hem, de Godmens, die 't Al moest verklaren, door Israëls Zienders aan 't aardrijk verkond!
Ik zag Hem, de Wortel van Davids geslachte, zijn Heer en zijn Koning, en tevens zijn Zoon!
den God van hemel, d' op aarde
Verachte, geheiligd, verheerlijkt, door lijden en boon, mens met ons geworden voor mensenbehoefte.
voor mijn overtreding tot zonde gemaakt, geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte, aan 't vloekhout doorboord, van God zelve verzaakt!
Mijn Redder, mijn God, mijn Zondenvernieler, mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God!
mijn Onheilverwinner, mijn Levensbereider!
Gezegend, geheilligd, beslist is mijn lot!
Voor U wil ik strijden, voor U wil ik lijden, voor U wil ik de aarde doorgalmen met lof!
Aan U wil ik adem en levenskracht wijden, tot de Engel des levens mij slake uit dit stof.

C. Veenhof



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief