OOK LEES-DIENST IS ERE-DIENST
1973-01-26
Vandaag vindt u eens geen artikel van mij. Vandaag mag een ander u de waarheid zeggen. Ik trof het volgende in een onverdacht blad, daarin overgenomen uit een ongedachte hoek. En de waarheid, zowel als de oorspronkelijke zegging, leken mij zo belangrijk dat u - van welke staat of kwaliteit u ook zijn moge - dit maar eens ter harte moest nemen. Hier volgt dus een artikel van vreemde hand.- Jaargang 17
- nummer 4
Onder èen "leesdienst" verstaan wij een samenkomst van de gemeente, waarin de bediening van het Woord niet kan worden waargenomen door een predikant - en waarin dientengevolge ook geen bediening van de sacramenten kan plaats vinden.
In plaats van een door een predikant uitgesproken preek van eigen makelij wordt de inhoud van het Woord van God in zo'n geval gebracht door middel van het voorlezen van een gedrukte preek van een in het kerkverband erkende predikant. En deze voorlezing geschiedt in de regel door een ouderling.
Of vanwege deze bizonderheid de gehele samenkomst de naam "leesdienst" moet dragen, valt ernstig te betwijfelen.
Mijns inziens is hier enige reformatie van ons spraakgebruik niet overbodig.
Want er gebeurt nog wel wat meer dan alleen "lezen". Er wordt gebeden, gezongen en beleden. En ook de Heere doet door de Heilige Geest zijn werk aan de gemeente, in de verkondiging van zijn. beloften en geboden.
Al deze rijke zaken kunnen wij niet afdoen met te zeggen: volgende week is er leesdienst.
Nu is meer dan eens de vraag gesteld: of een ouderling gerechtigd is, het woordeke "u" te gebruiken in de groet aan het begin - en de zegen aan het slot van de dienst. Mag hij zeggen: "genade en vrede zij u" - en "de Heere zegene en behoede u"?
Voor het besef van zeer velen (gemeenteleden en ouderlingen) zou dat een aanmatigend optreden zijn van een ouderling, tijdens een "leesdienst". Een predikant mag ambtelijk namens Christus de gemeente groeten, bijvoorbeeld met de woorden uit Openb. 1: 4-6; maar dit valt buiten de bevoegdheid van de voorganger-ouderling.
Persoonlijk geloven wij hiervan niets.
Wij zijn integendeel van mening, dat wij ons hier schuldig maken aan een geenszins noodzakelijke verarming van het samenzijn van Christus' gemeente, bij ontstentenis van een predikant.
Want wat doen wij eigenlijk, wanneer wij het "genade zij u" ombouwen tot "genade zij óns"?
Dan maken wij van de zegengroet een gebed.
Christus groet (dan) niet, door de mond van de voorganger, zijn gemeente; maar de gemeente bidt, door de mond van de voorganger, tot God en Christus.
Maar wij vragen: is Christus door zijn Geest dan niet present in een zogenaamde leesdienst?
Is dat samenzijn dan niét een gemeenschapsoefening met Christus? Wordt een kerkdienst een zaak-onder-ons, zodra de predikant niet aanwezig kan zijn?
Waarom mag een dienstdoend ouderling aan het begin van de dienst niet de gemeente aanspreken ("genade zij u") en een paar minuten later wél "gij" zeggen, in het kader van de voorlezing der Tien Geboden? Waarom mag hij wél Ex. 20 : 1-17 letterlijk voorlezen en niet Numeri 6 : 24-26 of 2 Cor. 13 : 13 of Openb., 1 : 4-6?
Een predikant heeft, tijdens de ontmoeting tussen de Heere en zijn volk, zijn eigen plichten en rechten; en hij is daartoe geroepen en gemachtigd. Die machtiging en die roeping heeft hij niet ontvangen van de Hogeschool, waaraan hij - in onderscheiding van andere ambtsdragers - zijn candidaatsexamen met goed resultaat heeft afgelegd; maar die roeping en machtiging ontving hij van de kerkeraad. Het eigen karakter van de rechten en plichten van de predikant blijkt in het onderdeel van de bediening van het Woord en van de sacramenten.
Maar wanneer diezelfde kerkeraad een ouderling machtigt, en opdracht verleent om voorganger in de eredienst te zijn, verandert er terzake van die bediening van het Woord metterdaad iets (en terzake van de bediening van de sacramenten zeer veel), maar overigens is en blijft die eredienst een zaak van ontmoeting tussen de Heere en zijn volk. Dat blijkt ook hieruit: dat de voorganger-ouderling zélf de woorden van gebed en voorbede en dankzegging mag kiezen.
Wanneer wij dit alles bijeenvoegen en in deze zin overwegen, kan het ons niet duidelijk worden waarom een ouderling verplicht zou zijn het "u" in de daareven genoemde woorden van God te veranderen in "ons".
Zoals het ons ook niet duidelijk kan worden, waarom in gemeenten, die langdurig "vacant" zijn ten aanzien van de predikantsarbeid, en in verre streken of grote afzondering leven (kerken in kolonies of emigratiegebieden of in oorlogssituaties) het onmogelijk zou zijn: ambtsdragers te bevestigen, openbare belijdenis af te leggen en huwelijken kerkelijk te bevestigen.
Tot zover dit gevonden artikel. Van wie?
Van niemand minder dan van dr C. Trimp.
In welk blad oorspronkelijk geschreven? In "De Reformatie", ons nog wel bekend van vroeger jaren. Door wie met instemming overgenomen? Door ds B. Telder in het kerkblad van Breda: En deze laatste schreef er boven: "Terecht".
De visie, die de laatste tijd meermalen in deze kolommen is aangetroffen, wordt dus ook door dr Trimp, zich bevindende binnen het oude verband der vrijgemaakte kerken, gedeeld. Dat doet me genoegen. En een deel van dat genoegen bestaat in het plaatsen van drie kanttekeningen.
Eerst over die preek. Dr Trimp stelt dat de voorgelezen preek van de hand "van een door het kerkverband erkende predikant" moet zijn. Of hij dat zelf zo vindt, dan wel of hij hiermee het standpunt van de aangesprokene weergeeft, is niet geheel helder. Voor ons, die buiten dat kerkverband zijn gestoten, geldt deze definitie natuurlijk sowieso niet meer. Blijft de vraag: of een voorgedragen preek bepaaldelijk van een "erkende predikant" moet zijn. Ik heb van mijn leven zo'n 1200 preken verslagen in een kerkblaadje; dat wil zeggen: ze naar vorm' en inhoud nauwkeurig gevolgd. Daar was een groot aantal uitnemende preken bij. Daar was een aantal waardeloze preken bij; sorry om het te zeggen. Afgedacht van het feit, dat een predikant vandaag "erkend" kan zijn en morgen niet - spitst de kwestie zich toe op de vraag: moet een preek bepaaldelijk van een predikant afkomstig wezen om goed te zijn? Is de woordverkondiging per monopolie in handen van afgestudeerde theologische candidaten gesteld?
We hoeven maar even de Handelingen in te zien, om te weten dat godvruchtige vissers evengoed Gods beloften en vermaningen kunnen doorgeven als intellectuelen. En we !hoeven de "predikbeurten" in onze kerkblaadjes maar in te zien om te weten, dat meer dan eens broeders - geen predikanten voorgaan in de kerkelijke samenkomsten; hetzij met preken van predikanten, hetzij met de vruchten van eigen Schriftonderzoek.
Hoe dichter een gemeente bij het Evangelie leeft, des te meer vrijheid ontvangt zij.
Slechts een kerkverband zou haar deze vrijheid willen beknibbelen.
Het zal niemand verbazen wanneer ik pleit voor het instituut van de leke-preker. Niet omdat mijn preken zo goed zijn - maar omdat ik broeders ken, die uitnemend het Woord bedienen zonder nochtans predikant te zijn. En omdat onze kerken te weinig predikanten bezitten. En omdat die predikanten al te zwaar zijn belast. En omdat een preek, waar een maand studie aan vooraf kon gaan, waarschijnlijk meer inhoud heeft dan een, die na zesdaagse vlijt in tweevoud ter wereld moest worden gebracht: "als een ontijdige geboorte", om met Paulus en met Petrus Dathenus te spreken.
Dan over die sacramenten. Het is weer niet helemaal duidelijk, of dr Trimp de sacramentsbediening aan predikanten voorbehoudt - dan wel of hij hier het standpunt van anderen weergeeft. Een van zijn collega's, nog steeds binnen het oude kerkverband besloten, werd dringend verzocht een aanstaande zondag bij ons voor te gaan, aangezien wij een avondmaalsviering op het program hadden staan en bij verhindering van een andere predikant in nood zouden raken.
Zijn antwoord was: hebben jullie dan geen ouderling, die het avondmaal kan uitreiken?
Die vraag was meer dan een grap. Die vraag had de rijke inhoud: leven ook jullie dan nog in de waan, dat alleen de priesterstand gerechtigd is, sacramenten te bedienen? En denk eens na. Wat is meer: het Woord van de sprekende God - of het sacrament, dat dit Woord illustreert? Het Woord zegt wel iets over het sacrament - het sacrament zegt niets over het Woord. Het Woord staat boven het sacrament. Zonder het sacrament kunnen wij leven; zonder het Woord gaan wij dood.
Dan volgt de conclusie: wie het Woord mogen bedienen mogen zéker het sacrament uitreiken.
Niet de "wijding" van de "priesterstand" maakt water, brood en wijn tot "genademiddelen".
Maar de Heer der kerk, die ons opdraagt: doet dat tot Mijn gedachtenis, geeft inhoud aan deze gebruiken. Ziedaar water, sprak eens een bekeerling, wat verhindert mij gedoopt te worden? De aanwezigheid van het middel was voldoende. Daar is geen uitzonderingstoestand voor nodig.
Waar hebben we nog kolonies? Waarom ondoordringbare gebieden of oorlogssituaties?
Gods opdracht lijkt voldoende.
Tenslotte over die zegen. Terecht zegt dr Trimp duidelijk, dat elke gemachtigde ouderling die zegen moet uitspreken. Het miserabele gebruik, om Gods zegen in een gebedje om te zetten, is weer van predikanten afkomstig; en die hebben. waarschijnlijk het oude roomse zuurdeeg niet genoeg uitgebannen.
Wat drommel, zou een predikant zich die zegen wel mogen aanmatigen en een ouderling niet? Die zegen ligt niet verankerd in de aanmatigende kwaliteit van de spreker - maar in de zegenenden God!