Boekbespreking
1973-02-09
Dr K. Runia, Prediking en Historisch-Kritisch Onderzoek. - Jaargang 17
- nummer 6
Rede, uitgesproken op 27 jan. 1972, bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de ambtelijke vakken aan de Theologische Hogeschool te Kampen.
Kamper Cahiers no. 19.
J. H. Kok N.V. Kampen 1972.
Dr Runia heeft in zijn inaugurele oratie aan de Hogeschool Oudestraat te Kampen een hoogst actueel onderwerp aangesneden, namelijk de hermeneuse. Dit vreemde woord, dat zoiets als wijze van verklaring betekent, komt in de titel weliswaar niet voor, maar dát is toch de zaak waarom het hier gaat. En die zaak is actueel.
Ik herinner aan een aantal publicaties van de laatste twintig jaren: G. Visee, Over het "anthropomorphe" spreken Gods in de Heilige Schrift, De Reformatie 28, 1952-1953, no's 34-43; H. M. Kuitert, De mensvormigheid Gods. Een dogmatisch-hermeneutische studie over de anthropomorhismen van de Heilige Schrift. Dissertatie, Kampen 1962.
H. M. Kuitert, Verstaat gij wat gij leest? Over de uitleg van de Bijbel, Kampen 1968 2; G. Visee, Verstaat prof. Kuitert wat hij leest?, Barendrecht 1969; P. den Ottolander, Deus immutabilis. Wijsgerige beschouwing over onveranderlijkheid en veranderlijkheid volgens de theo-ontologie van Sint Thomas en Karl Barth, Diss. Assen, 1965; Een aantal studies van S. U. Zuidema: Van Bultmaan naar Fuchs. Een studie over de studeerkamer van de predikant, Franeker, zonder jaartal (is van 1965); De Christus der Schriften en oecumenische theologie, Amsterdam 1965, waarvan hoofdstuk 2: "De Heilige Schrift en haar sleutel" ook in het Engels verscheen, in International Reformed Bulletin 11, 1968, pp. 49-60; Existentie-theologische hermeneutiek, Philosophia Reformata 32, 1967, pp. 1-25 en 81-110; Een tweeslachtige theologische hermeneutiek, Philosophia Reformata 33, 1968, pp. 45-90; Hermeneutiek in contemporaine theologieën, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie 60, 1968, pp. 39-64 (ook verschenen, in Engelse vertaling, in Communication and Confrontation, de bundel verzamelde artikelen, prof. Zuidema aangeboden ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag, tevens de datum van zijn aftreden om gezondheidsredenen, Kampen 1972, pp. 346-376); B. J. Oosterhoff, Hoe lezen wij Genesis 2 en 3?
Een hermeneutische studie, Kampen 1972.
De zaak is echter niet pas van na de oorlog, zij is aloud. De oude christelijke kerk kwam, nadat de definitieve scheidslijn tussen Jodendom en Christendom getrokken was, praktisch voor de vraag te staan: Wat moeten we als christelijke kerk met het Oude Testament? Er is een geschrift uit die oudheid, de Brief van Barnabas genaamd, dat zich intensief met deze vraag bezighoudt.
In dit geschrift kan men de wonderlijkste verklaringen van Oudtestamentische Schriftplaatsen vinden, welke verklaringen ten doel hebben het Oude Testament zin en betekenis te doen hebben voor de christelijke kerk.
Het Oude Testament wordt in dit geschrift "christelijk" gemaakt. Een van de meest merkwaardige uitleggingen is die van het getal 318 in de geschiedenis van Abrahams strijd tegen de vorsten uit het Oosten en Klein-Azië (Gen. 14).
Wanneer men het getal 318 in het Grieks schrijft - waarin, evenals in het Hebreeuws, Ietters : voor cijfers gebruikt worden -, dan komt men tot TIH. De laatste twee letters zijn het begin van de naam Ièsous (Jezus), waarbij ter verduidelijking even moet opgemerkt worden dat de Griekse H de klank è weergeeft, terwijl voorts de T een voorstelling is van het kruis (een rechtopstaande paal met twee zij armen), een in de oude christenheid veel gebruikt symbool. Dit is natuurlijk je reinste dwaasheid, alleen al op grond hiervan dat het verhaal van Abraham in het Hebreeuws geschreven is en pas veel later in het Grieks is vertaald.
De in vette grond geplante boom van Psalm 1, waarmee de rechtvaardige vergeleken wordt, voert Barnabas in de kortste keren linea recta naar het hout van het kruis. En zo is er nog veel meer! De vraag die hij telkens stelt is: Wat is de gnosis, de kennis, de lering? En dan is het voor Barnabas niet principieel van belang of datgene wat in het Oude Testament als historisch verhaald wordt ook werkelijk (zo) gebeurd is.
Wij lachen natuurlijk om de uitleggingen van Barnabas. Maar we moeten ons toch even verplaatsen in die oude tijd: De Oudtestamentische geschiedenis en profetie hadden hun vervulling gevonden in Christus, de Joodse eredienst had afgedaan enz. - wat moest de christenheid nu met het Oude Testament, dat het heilige boek bleef van de Joden met wie het conflict definitief geworden was? Dat was inderdaad een probleem, en dat men daarvoor niet direct de juiste oplossing heeft gevonden, ja allerlei vreemdsoortige oplossingen - o.a. allegorische uitlegging heeft voorgeslagen, dat moet ons niet al te zeer verwonderen,. In het voorbijgaan zij vermeld dat Koole, hoogleraar Oude Testament Oudestraat, een dissertatie geschreven heeft over De overname van het Oude Testament door de christelijke kerk.
Vreemde oplossingen van het probleem zijn trouwens odk in onze eeuw nog wel gegeven. In de twintiger en dertiger jaren is nog al wat geschreven over het getuigenis van het Oude Testament omtrent Christus, over de vraag: Hoe moeten we over het Oude Testament preken?
Er is gestreden over exemplarische en heilshistorische prediking. En in die tijd zijn er soms erg rare en wilde dingen gezegd.
In onze dagen vooral is nu naast het Oude Testament ook het Nieuwe in de lichtkring getrokken.
Bij vele hedendaagse theologen doet opgeld de gedachte dat we moeten vragen naar de boodschap! U ziet het: precies zoals Barnabas vroeg naar de lering! Er is niets nieuws onder de zon. En deze boodschap moet dan ontdaan worden van haar verpakking, zij moet daar uitgepeld worden. Want de schrijvers van het Nieuwe Testament zaten bevangen in allerlei ideeën, waarvan wij nu wel weten dat ze onjuist waren!
We moeten het Nieuwe Testament ontmythologiseren, we moeten het kèrugma, de verkondiging, de boodschap ontdoen van de mythen waarin zij verpakt zit. We moeten b.v zoeken naar de boodschap van het opstandingsverhaal, en het is in wezen niet relevant of de opstanding van Christus een historisch feit is of niet.
Er zit natuurlijk wel een element van waarheid in deze gedachtengang. In het Nieuwe Testament komen we tegen dat Jezus de boodschap van Zijn koninkrijk verpakt, verhult in gelijkenissen.
Dat deed Hij met een bepaald doel, nl. om scheiding der geesten te bewerken. Hij werd door velen gevolgd, met graagte gehoord, men bewonderde Hem om Zijn tekenen, maar hoe was het nu eigenlijk met die massa gesteld? Toen ging Hij preken in gelijkenissen, die op het eerste horen niet zo maar begrijpelijk waren. Daarop keerden velen zich van Hem af: we kunnen Zijn preken niet meer volgen!, maar anderen werden juist geprikkeld tot vragen: wat betekenen die gelijkenissen?, en die werden toen verder ingeleid in de verborgenheden van het koninkrijk. Jezus zélf pakte de boodschap uit!
Ook in andere gevallen moeten we de boodschap "uitpakken". Wanneer in het Oude Testament staat dat men een hek behoort te maken rondom het dak van een huis, en dat degene die dit nalaat schuldig staat wanneer iemand van het druk afvalt, dan staat dat gebod in het cultuurpatroon van die tijd en die omgeving. Men had de gewoonte tegen het vallen van de avond in het warme klimaat verkoeling te zoeken op het dak. Men bracht er zelfs wel de nacht door.
Het dak behoorde daar bij het woongedeelte van het huis. En dáárom moest een beveiliging aangebracht worden. Dat was een heel concrete uitwerking van het gebod: gij zult niet doodslaan, dat op zijn beurt weer een onderdeel is van het generale gebod: gij zult Uw naaste liefhebben als uzelf. Maar dit gebod betekent niet dat wij, die een geheel ander cultuurpatroon en een geheel ander leefklimaat hebben, rondom het
platte dak van onze bungalow een hek moeten
aanbrengen. Wij gáán nu eenmaal niet op het dak zitten en wij gáán daar niet slapen. We moeten wat in dit gebod gezegd wordt "vertalen, overzetten, overbrengen" in onze tijd en onze omstandigheden. We zullen er b.v. aan moeten denken wanneer we ons als automobilist op weg begeven. Ons rijden moet zo zijn dat we bedacht zijn op het leven van de naaste.
Maar dit "uitpakken" van de boodschap is toch wel iets anders dan wat door vele hedendaagse theologen bedoeld wordt, die zeggen dat we moeten zoeken naar "de zaak". En die "zaak" is niet in de boeken van Oud en Nieuw Testament te vinden, maar eráchter Wat in de teksten staat kan vrijelijk voorwerp van historisch kritisch onderzoek zijn, precies zoals men andere oude documenten historisch-kritisch onderzoekt, ze beproeft op hun juistheidsgehalte. Resultaat van zulk een onderzoek kan eventueel zijn dat de historische mededelingen die de Schrift doet volkomen onjuist bevonden worden. maar dat doet dan niets af - altijd volgens allerlei hedendaagse theologen - aan de waarde van de boodschap. Het wordt juist op déze manier, zoals een van die theologen beweert, helemaal een kwestie van "door het geloof alleen". Ik heb geen enkele garantie in m'n handen, ook niet in dat “heilige boek", in het Evangelieverhaal. Of Jezus werkelijk is opgestaan kunnen we niet weten. Uit het Nieuwe Testament weten we alleen maar dat de vroege christenheid Hem als de Opgestane heeft beschouwd.
Runia gaat op indringende wijze op deze hedendaagse beschouwingen in, waarbij hij de nadruk legt op het werkelijkheidsbegrip waarvan zij uitgaan, dat zij hanteren, een verwereldlijkt werkelijkheidsbegrip, en waarbij hij voorts onderstreept dat het in het christelijk geloof bij uitstek gaat om historische feiten, de heilsfeiten.
Het bekende hoofdstuk 15 van de eerste brief aan de Korinthiërs toont dat overduidelijk.
Paulus voert daar getuigen aan die de Opgestane gezien hebben, en vervo1gt met te zeggen dat, als Christus niet opgestaan is, ons geloof ijdel is. Men kán en mág de boodschap niet los maken van de feiten. Feit en boodschap zijn onlosmakelijk met elkaar verstrengeld. Het is waar dat de Bijbelschrijvers een bepaald doel voor ogen stond. Zij geven geen dorre opsomming van feiten. Er zijn verschillen tussen de vier Evangelisten.
Zij schreven elk vanuit hun eigen gezichtshoek en met hun eigen doel. Er zijn verschillen tussen de boeken der Koningen en die der Kronieken: in de laatste draait alles veel meer om het huls van David. En getrouwe, nauwgezette bestudering van de Schrift en van haar verschillende boeken zal het oog voor deze dingen meer en meer openen, hetgeen tot verrijking van de prediking kan dienen. Voor deze wat men wel noemt "menselijke factor" in het tot stand komen van de Heilige Schrift zijn in de loop van de tijd in Gereformeerde kring de ogen meer opengegaan. Volkomen terecht. Maar dit neemt niet weg dat we in de Schrift te doen hebben met het betrouwbare Woord van God.
Het is ni.et doenlijk in kort bestek het betoog van Runia na te vertellen. Het hier gezegde moge ertoe prikkelen het met gespannen aandacht te lezen.
Groningen. B.Jongeling
• 't Leek al glorie en victorie
Reeds geruime tijd geleden is er een boek verschenen dat meer dan gewone aandacht verdient.
Het is van de hand van L. Kalsbeek en heeft tot titel. De Wijsbegeerte der Wetsidee, Proeve van een christelijke filosofie. Het verscheen als deel 16 in de reeks Christelijk Perspectief, Aspecten der werkelijkheid, wijsgerig en bijbels belicht.
De uitgeefster ervan is de firma Buijten en Schipperheijn. Aan ondergetekende werd door de redactie gevraagd dit boek te recenseren.
Graag heb ik dat verzoek aanvaard. Want ik ben er bizonder mee ingenomen.
Toen lk over die te geven recensie nadacht kwam bij mij de idee op daarin iets naders in te gaan op de Wijsbegeerte die in dit boek besproken wordt. En dan wel speciaal zo dat ik iets probeer te zeggen over het geestelijk milieu waarin ze ontstond, de fundamentele motieven ervan, de reaktie die ze opwekte enz. enz. Dit leek me vooral belangrijk met het oog op de jongeren die de tijd waarin deze filosofie geboren werd niet hebben meegemaakt. Ook van deze filosofie geldt namelijk, dat men haar het best verstaat vanuit het denkklimaat waarin ze ontstond. En de plaats die ze daarin innam. Deze "recensie" zal ten gevolge van deze opzet wat langer worden dan normaal. Daarom zal ze over meer dan één nummer van Opbouw worden verdeeld. Wat er precies In zal voorkomen weet ik nog niet. Ik ga namelijk beginnen "niet wetende waar ik komen zal." Ieder stuk dat ik zo schrijf zal evenwel zo veel mogelijk een afgerond geheel vormen. Dan kunnen de lezers er naar eigen believen In Instappen en er ook weer uitstappen als ze dat willen.
Zoals de titel van het genoemde boek aangeeft gaat het daarin over wijsbegeerte ook wel filosofie genoemd. En dan nader over de wijsbegeerte der wetsidee. Zo'n bijvoeging is wel nodig.
Want er zijn bijna net zoveel filosofieën als er filosofen zijn geweest. En daarom is een nadere typering daarvan nodig.
Ik wil beginnen met er op te wijzen dat de leidende figuren van het z.g. "Calvinistische reveil"
uit de vorige eeuw - Algra sprak van "het wonder der negentiende eeuw" - mannen als Kuyper, Bavinck, Woltjer, Geesink, Honig, Hoekstra er herhaaldelijk op hebben gewezen dat voor de ontwikkeling van een echt christelijke wetenschap en niet minder voor de bloei van het christelijke leven een authentiek christelijke filosofie van het allergrootste belang, ja, feitelijk gebiedend noodzakelijk is. En dat zal ieder christen die een meer dan oppervlakkige kennis van het geestelijk leven van een volk of de mensheid bezit van harte moeten beamen.
Het is immers een niet te loochenen feit dat het leven der mensen altijd op diepgaande, ja soms beslissende wijze door een of andere filosofie wordt beïnvloed. Men denke, om zich dit te realiseren, maar eens aan een figuur als Karl Marx.
In onze dagen worden honderden miljoenen men sen door de filosofie die deze denker ontwierp In heel hun leven en denken voluit beheerst. In het westen heeft de z.g. existentiefilosofie door o.a. de wenken van Sartre een enorme invloed uitgeoefend. Deze heeft zijn troosteloze leer vooral ook gepredikt - inderdaad was wat hij deed prediken! - door zijn romans en toneelstukken.
Men kan zonder vrees voor tegenspraak zeggen dat de angst, het besef van de zinloosheid van "alles", die dominante momenten in het levensgevoel van onze tijd vormen mee het effect zijn van het optreden van Sartre en zijn geestverwanten. Via allerlei kanalen drong wat hij leerde in alle lagen der bevolking door.
Enorm groot is ook nog steeds de invloed van de pragmatistische filosofie, de leer van "wat nuttig is is goed." Een politieke partij als D '66 is daar een concrete belichaming van. En om niet meer te noemen: de filosofie van het historisme die van geen vaststaande normen, van geen blijvende scheppingsordeningen en -structuren weten wil is één van de drijvende krachten van de z.g. "nieuwe theologie" ten gevolge waarvan de christenen van veile door God zelf geschonken vastigheden voor het mensenleven worden beroofd.
Omdat mannen als de genoemden diep beseften hoe allerlei filosofie het leven der mensen beheerst en in menig opzicht bederft streefden ze naar een christelijke, een schriftuurlijke -, beter gezegd: Schriftmatige - filosofie, een filosofie die van het begin tot het eind ernst maak, met het in de Schrift naar ons toekomende en ons aangrijpende Woord van God. Ongetwijfeld wisten ze heel goed, ze hebben dat ook meermalen gezegd, en vooral ook ervaren, dat een intensieve omgang met het Woord van God en een daardoor gevoed worden de christenen voor een groot deel immuniseert voor de geestelijke boosheden die zich ten gevolge van de doorwerking van afvallige filosofieën in het volksleven openbaren. Maar ze beseften daarbij terdege dat het ook van het hoogste belang is de gangbare filosofieën om zo te zeggen op eigen terrein te ontmoeten en te weerstaan.
In iedere filosofie gaat het Immers over de laatste, de diepste vragen omtrent de wereld en het mensenleven die door de mensen kunnen en ook moeten gesteld worden. Filosofie is de wetenschap die zich juist en speciaal met die vragen bezig houdt. Het gaat daarin over de fundamentele structuren van de geschapen werkelijkheid, over de oorsprong, de zin, het doel van het leven van wereld, mens en mensheid. En daarom gaat het in de filosofie ook over de grondslagen, de beheersende motieven, de methoden, de grenzen en de onderlinge relatie van de bizondere wetenschappen, de z.g. vakwetenschappen: van wiskunde, physica, biologie, psychologie, logica, sociologie, de wetenschap van de historie, het recht enz., enz.
Het is, nog eens, met het oog op dit alles werkelijk geen wonder dat Kuyper en zijn wetenschappelijk gevormde geestverwanten meermalen uitspraken dat het met het oog op de geestelijke worsteling waartoe de christenen geroepen worden en die, dat doorzagen ze zeer scherp, in de toekomst steeds zwaarder zou worden, een christelijke filosofie gewenst, ja, zelfs noodzakelijk was. In de eerste plaats om de grondvragen dip.
er ten opzichte van de kosmische werkelijkheid opdoemen bij het licht van Gods Woord op wetenschappelijke wijze te doordenken en andere filosofieën daarmee te confronteren. Vervolgens om aan de vakwetenschappen de behulpzame'!
hand te bieden bij de bezinning op hun uitgangspunten, methoden, grenzen enz. En, last but not least, om aan de medegelovigen die midden in de praktijk van het leven staan en daar in allerlei verband en positie hun christenroeping moeten vervullen, steun te bieden bij het volbrengen van hun taak, niet het minst door hen te helpen bij het vooral voor hen zo broodnodige "beproeven van de geesten of ze uit God zijn".
In de jaren twintig en dertig vormde uiterlijk gezien de gereformeerde volksgroep een hecht aaneengesloten, krachtig geheel. Zij stond zelfbewust, en ook wel wat zelfverzekerd, midden in het volksleven en ontplooide een grote activiteit.
Wat het politieke leven betreft: de antirevolutionairen vormden een hechte, misschien wel de best georganiseerde politieke partij in ons land.
Een op internationaal niveau steeds in autoriteit en invloed groeiende figuur als Colijn was de hoog vereerde en trouw gevolgde leider. Na de dood van Kuyper had de opbrengst van het schitterend geslaagde "miljoenplan" de partij in staat gesteld een goed geoutilleerd en geleid wetenschappelijk en organisatorisch centrum in het leven te roepen. Niet minder dan twee tijdschriften, één om het kwartaal verschijnende wetenschappelijke en één meer populaire maandelijkse periodiek, gaven alzijdige principiële en praktische voorlichting. Bij het gouden jubileum van de partij in 1929 verscheen een monumentaal gedenkboek, waarin haar positie en taak in de nieuwe situatie waarin ook ons volk na de eerste wereldoorlog was gekomen door haar prominenten werd beschreven. "De Standaard" zag zijn abonnementental klimmen tot een veelvoud van wat dit dagblad onder Kuyper's leiding in dit opzicht had bereikt. In de jaren dertig zou de antirevolutionaire partij een machtspositie bereiken als zij na de invoering van de evenredige vertegenwoordiging nimmer had bereikt.
In 1937 beschikte zij over niet minder dan zeventien zetels in het parlement. Als de Tweede Kamer toen 'honderd vijftig zetels had geteld zouden dat er zes en twintig zijn geweest!
Een groots opgezette en volledig geslaagde financiële aktie had voorts de Vrije Universiteit in staat gesteld een nieuwe faculteit, de wis- en natuurkundige, te openen. Dat was nodig zou zij haar "civiel effect" - de wettelijke erkenning van de door haar verleende academische graden - niet verliezen. Maar het was, dank zij de grote offervaardigheid van Kuyper's "kleine luyden" nu ook metterdaad gelukt! Met overtuiging was daarbij de idee Van "staatssteun" ook al werd die door niemand minder dan Colijn zèlf verdedigd - afgewezen. Ook de andere faculteiten werden versterkt. Het aantal studenten groeide daarbij van jaar tot jaar. Het leek er op dat het ideaal dat Kuyper bij de opening van zijn Universiteit voor ogen stond een grote stap dichter bij haar verwerkelijking was gekomen.
Met grote beslistheid werd er voorts door alle bij de Universiteit betrokkenen betoogd dat het gereformeerd karakter van deze inrichting het koste wat het koste gehandhaafd diende te worden.
Ook met de Gereformeerde Kerken ging het van buiten gezien alles naar wens. De spanningen die daarin, na de vereniging van de "Afgescheiden" en de "Dolerende" kerken in 1892, waren ontstaan verloren langzamerhand hun scherpte. De uit de genoemde kerkengroepen voortgekomen 1Jheologische controversen waren, na lange jaren van soms zeer fel gevoerde discussies, tot een naar het leek allen bevredigende oplossing gekomen. Dat was geschied op de synode van 1905. Deze componeerde namelijk een compromisformule waarin allen zich konden vinden.
Bovendien werden langzamerhand de Theologische School en de theologische faculteit van de Vrije Universiteit, na de kloof die er tussen beide door het vertrek van de hoogleraren Bavinck en Biesterveld van Kampen naar Amsterdam was ontstaan; geleidelijk door alle kerken als gelijkwaardige opleidingsinstituten voor predikanten erkend. De "grote theologen" Kuyper en Bavinck, die als hoge torens boven het kerkelijke en thheologische leven van Nederland van hun dagen uitstak, hadden voorts aan het religieuze en theologische leven en denken der kerken een nieuwe vorm gegeven en dat in vaste banen geleid. Naar veler overtuiging leverden dezen daarin een prestatie die de eeuwen zou trotseren. Hepp voorspelde zelfs dat de meditaties van Kuyper tot de jongste dag toe zouden worden gelezen! Als tolk van duizenden legde dr Dijk bij de begrafenis van Kuyper de belofte af dat zij de banier die de van God gegeven leider hun in handen gegeven had nimmer zouden loslaten. Wat de leerontwikkeling betreft behoefden de kerken niets anders te doen dan de erfenis van Kuyper en Bavinck conserveren en tegenover nieuw opkomende dwalingen verdedigen.
Dr Dijk begon daar dadelijk mee door in De Heraut een indrukwekkend lange reeks hoofdartikelen te schrijven - Om het eeuwig Welbehagen - over de uitverkiezing waarin hij Kuyper's en Bavinek's opvattingen daaromtrent samenvatte, uitwerkte en populariseerde. Het conflict-Netelenbos en later de procedure-Geelkerken veroorzaakten wel deining, vooral ook buiten de gereformeerde kring, maar de overgrote meerderheid van de kerken en de kerkleden schaarden zich con amore achter de synode van Assen, Voorts werd de zending in Nederlands Oost-Indië krachtig aangepakt en werden allerwege pogingen ondernomen om het tot een efficiënte evangelisatie te doen komen. Wat de offervaardigheid betreft stonden de Gereformeerde Kerken aan de spits van kerkelijk Nederland.
Ook op het terrein van het lager en middelbaar onderwijs stond alles in volle bloei. In het verleden waren grote dingen geschied. De "schoolstrijd", die tachtig jaar had geduurd en in 1920 leidde tot de gelijkstelling van "openbaar" en "bizonder" onderwijs gaf ook aan de gereformeerden een krachtige impuls tot het oprichten van eigen scholen. Zij maakten, in samenwerking met gereformeerden van andere kerkformaties, een dankbaar gebruik van de nieuwe mogelijkheden.
Veel gereformeerde scholen, ook middelbare en gymnasia waren reeds voor de gelijkstelling opgericht. Vele volgden na 1920.
In de eerste decenniën van deze eeuw gaven mannen als prof. J. Woltjer en prof. Bavinck door persoonlijke leiding en publicaties de toon aan op het gebied van de christelijke paedagogiek.
En de door hen gestempelde onderwijsmannen bepaalden in belangrijke mate het principiële karakter van het christelijk onderwijs.
Zo oefenden de gereformeerden ook in het schoolwezen een dominerende invloed. Als bekroning en consolidatie van deze stand van zaken werd in 1926 bovendien aan de Vrije Universiteit een katheder ingesteld voor de wetenschappelijke beoefening van de gereformeerde paedagogiek, In dit verband moeten ook de gereformeerde jeugdorganisaties worden genoemd. Zij waren de onwaardeerbare instituten voor de vorming van een goed toegerust "leger" voor de geestelijke worsteling op "het terrein van kerk, staat en maatschappij". Ze groeiden van jaar tot jaar en waren rusteloos bezig met de perfectionering van het werk der jeugdverenigingen. Ook deze organisaties bezaten hun eigen bureaus en ze zonden een ononderbroken stroom van leiddraden en andere geschriften in het licht. De massale "bondsdagen" daarvan waren manifestaties van het élan en de kracht van de jonge generatie der gereformeerden. Men noemde ze wel met kwalijk verholen trots de "wapenschouw" van de recruten in het leger dat de strijd voerde voor het Koninkrijk Gods!
Gerekend naar wat ervan openbaar werd stond het er met de gereformeerde volksgroep zo om en de bij 1930 in velerlei opzicht goed voor. Er was leven en aktiviteit. De organisaties bloeiden.
De kerkdiensten werden globaal genomen goed bezocht. Krachtig streed men voor de handhaving van de belijdenis. Wat dat betreft wist men van geen transigeren. Dat hadden procedures als die tegen ds Netelenbos en dr Geelkerken duidelijk bewezen! Geen wonder dat men met groot enthousiasme een reeks "gedenkdagen" vierde. In 1930 het vijftigjarig jubileum van de Vrije Universiteit. In 1934 herdenking van de Afscheiding. In 1936 die van de Doleantie.
In 1938 het gouden feest van de Jongelingsbond.
Het waren groots opgezette feesten. Zelfs "ministers der Kroon" namen er aan deel! Welk een verschil b.v. met 1834 en 1886! De gereformeerden waren tot een macht geworden in den lande!
't Leek al glorie en victorie!
C.V.
• "Inzicht en inzet".
Onder deze titel heeft het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond een bundel schetsen over arbeid en maatschappij uitgegeven. Ds Joh. Francke en J. A. Knepper schrijven over arbeid en beroep, D. Smilde over de ondernemingsstruktuur en H. P. de Roos over de vakbeweging.
Ook de demokratisering van de onderneming (mr N. E. Nieboer) en de werkstaking (mr E. Bos) komen in deze bundel aan de orde.
In het kort een paar opmerkingen over de schets "het gezag" van de heren Francke en Van Leeuwen.
Zij bekritiseren m.i. terecht de opvattingen over het gezag van Van Zuthum en Augustijn.
Zij willen de bijbelse notie, dat het gezag een instelling van God is, ten volle serieus nemen.
Het onderscheid tussen het gezag als "instelling" in de samenleving (de gezagspositie) en de manier waarop gezagsdragers het gezag uitoefenen had scherper gemaakt kunnen worden.
Wanneer gezagsdragers er niets van terecht brengen, kan men dat niet bagatelliseren met: het zijn nu eenmaal gezagsdragers. Te vaak is men geneigd bestaande verhoudingen in stand te houden met een onjuist beroep op "gezag".
Het gezag is een zo serieuze zaak, gezien zijn Oorsprong, dat het (in de wijze waarop het uitgeoefend wordt) voortdurend kritisch gevolgd moet worden door allen die er mee te maken hebben.
De schrijvers besteden in dit verband te weinig aandacht aan de betekenis van de woorden "u ten goede".
Niet elk verzet tegen gezagsdragers kan afgedaan worden met: ongeloof en revolutie. Juist wanneer het (effektief) kritisch volgen van gezagsdragers ontbreekt, ontstaan het gemakkelijkst onrechtvaardige situaties. De schrijvers duiden ook enigszins op dit probleem, maar het komt er niet goed uit. En het doet schamel aan, wanneer zij zeggen dat niet alleen van werknemers maar ook van de werkgevers verwacht moet worden, dat zij trouw blijven aan onderling gemaakte afspraken. Is er niet iets fundamentelers te zeggen? Het is belangrijk om trouw te zijn en aardig te doen, maar het werken aan rechtvaardige verhoudingen gaat dieper. Ook in vorige eeuw zijn er wel barmhartige werkgevers geweest, maar het zat met de maatschappelijke verhoudingen grondig fout. Daden van barmhartigheid scheppen nog geen rechtvaardige verhoudingen.
Dit brengt me tot een ander onderwerp: maatschappijkritiek.
Hierover heeft ds P. Lok een schets geschreven. Hij wil geen revolutionaire, maar een reformatorische maatschappijkritiek.
Hij zegt: "we beogen wèl de verwijdering der zonden, maar niét de omverwerping van Gods instellingen". Dat is natuurlijk prachtig, maar welke handreiking biedt hij zijn lezers? Hij wijst Marcuse e.a. radikaal af. Voor een belangrijk gedeelteterecht, maar heeft Marcuse in alles ongelijk? Is zijn analyse van de problemen in de westerse wereld in veel opzichten niet juist? Ds Lok maakt wel veel belangrijke opmerkingen (vooral van theologische aard), maar wat hij biedt aan bruikbaar inzicht voor maatschappijkritiek is minimaal.
Mijn kritiek: op deze bundel is echter niet overheersend.
Er worden immers schetsen geboden.
Het is de schrijvers niet mogelijk geweest op veel onderwerpen uitgebreid in te gaan. De schrijvers leggen in hun schetsen getuigenis af van het feit dat zij met een open bijbel gestudeerd hebben. Er wordt een goede oriëntatie gegeven, waar velen met vrucht gebruik van kunnen maken.
"Inzicht en inzet"
Uitgave G. M. V. 1972 (150 blz.).
Postbus 247, Zwolle.
• Over subsidie
In de kring van de vrijg-geref. kerken (binnenverband) zijn de afgelopen jaren twee kongressen gehouden over overheidssubsidie. Het eerste kongres werd in 1970 gehouden en de referaten (met de besprekingen) zijn nu gepubliceerd.
Dr A. J. Verbrugh schrijft over de bevoegdheidsgrenzen van de overheid en het ontstaan van de groei van de subsidie-omvang. De ekonoom drs K. Wezeman schrijft over de aard en de omvang van het overheidsingrijpen in de nederlandse economie. De derde schrijver is ds Joh. Francke, die drie standpunten beschrijft, die men tegenover overheidssubsidie kan innemen.
Hoewel deze onderwerpen hier en daar specialistisch uitgewerkt zijn, is deze bundel in haar geheel zeer goed leesbaar en naar ik aanneem voor geïnteresseerden bruikbaar.
A. J. Verbrugh e.a.,
Autarkie of subsidie.
Uitgeverij De Vuurbaak, Groningen 1972 (200 blz.).
• Wapenveld: over maatschappijkritiek
In het bovenstaande liet ik me enigszins teleurgesteld uit n.a.v. hetgeen ds Lok schreef over maatschappijkritiek. Dit is tegenwoordig een belangrijk onderwerp. Juist omdat iedereen de mond vol heeft over maatschappijkritische problemen, is het noodzakelijk om niet in algemene kreten, maar in duidelijke bewoordingen er over te spreken.
"Wapenveld", blad van de reünistenvereniging van de C.S.F.R., heeft in september 1972. een themanummer over maatschappijkritiek uitgegeven.
Gezien de schrijvers, de onderwerpen en de wijze van behandeling van deze onderwerpen is dit septembernummer van Wapenveld zeer waardevol en het aanbevelen waard.
Een wijsgerige behandeling van het onderwerp is door prof. A. Troost gedaan. Dr J. J. Buskes schrijft over de maatschappijkritiek naar aan-· leiding van Micha 7: 3, terwijl prof. C. Graafland schrijft over de vraag "wat zegt de bijbel over de maatschappij." Verder nog enkele artikelen van Meyers, Van Leyenhorst en Van der Waal.
Het september-nummer van "Wapenveld" is te bestellen bij de administratie: Arthur van Schendelplein 63, Delft.
• Politieke partijen
Hoewel de verkiezingen voorbij zijn, de problemen van de kabinetsformatie konfronteren ons voortdurend met de verschillen tussen de partijen.
Er wordt zelfs gesuggereerd, dat wij over een jaar of anderhalf weer naar de stembus moeten.
De verschillen tussen de partijen blijven dus onze aandacht vragen. Drs E. G. Hoekstra wil de nederlandse burgers behulpzaam zijn met zijn brochure over "de nederlandse politieke partijen". In 38 bladzijden legt hij uit wat een politieke partij is, wat te verstaan is onder liberalisme, socialisme, katholicisme e.a. Alle partijen, die wij vandaag in ons land tegen komen worden vervolgens kort besproken.
Het is duidelijk, dat Hoekstra veel minder informatie · biedt dan bijv. te vinden is in de publikaties op dit terrein van drs H. G. Leih en dr A. J. Verbrugh.
Laat niemand zich ontmoedigd voelen door de veelheid van partijen. Het valt wel een beetje mee. Deden aan de laatste verkiezingen bijna twintig partijen mee, aan de verkiezingen van 1922 deden niet minder dan vijftig partijen mee.
Drs E. G. Hoekstra. De nederlandse politieke partijen.· Uitg. Kok, Kampen. 38 blz., geïllustreerd.
Prijs f 3,25.
H.E.S.W.