Burgemeester van het afgebrande dorp
1973-02-16
En het gebeurde - na Sauls dood en Davids terugkeer van de slachting onder Amalek - dat David in Ziklag zat, twee dagen.- Jaargang 17
- nummer 7
En het gebeurde ... dat David zat. Met andere woorden: het gebeurde, dat er helemaal niets gebeurde. Het was gebeurd met David.
De kerkelijke leiding moest hem niet: "David moeste vluchten voor Saul den tiran". De wereld moest hem niet: de Filistijnse legerleiding keurde hem af voor militaire dienst. En: de vossen hebben holen, de vogels hebben nesten, maar de zoon van Isaï heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. Geblakerd de huizen, triest de straten, verslagen het gemoed. En achter het zwarte Ziklag kleurt de schrijver de hemel van het slagveld rood. De helden in Ziklag zitten, de helden op Gilboa liggen: de messias is dood! De vijand bezet de steden en plundert het land. Feest in de straten van Gath en Askelon, jubeljaar der onbesnedenen.
En het gebeurde, dat David zat: Ben ik der vrouwen wens? Zie, zie aanschouw de mens!
De koning is dood, leve de koning!
Maar op de derde dag gebeurde het, kijk! daar kwam een man aan, uit de legerplaats, uit de omgeving van Saul, zijn kleren gescheurd en aarde op zijn hoofd. En het gebeurde, toen hij bij David kwam, dat hij zich op de grond neerwierp en voor hem boog.
Terug vliegen je gedachten naar de spelonk: je snijdt een stuk van de koningsmantel af; straks ren je ermee naar buiten en roept: "Mijnheer de koning!" De koning kijkt om en jij knielt met het aangezicht ter aarde en buigt je neer. Zo doe je dat voor de koning.
En zo doet deze man: hij werpt zich neer, hij buigt voor ... de kóning. En die koning ben jij, David!
Uw legitimatiebewijs, alstublieft!
Maar David vroeg: Waar kom je vandaan? Antwoord: Uit het legerkamp van Israël. Ik heb me nog net in veiligheid kunnen brengen.
David weer: Wat is er gebeurd? Vertel op! De man: Gevlucht is het volk uit de strijd! En ook: velen zijn gesneuveld uit het volk!
En ook: Saul en z'n zoon Jonathan zijn dood! David zei tot de jongeman die hem het bericht bracht: Hoe weet jij, dat Saul en z'n zoon Jonathan dood zijn?
Als het waar is wat hij zegt - denkt David - dan is het waar wat hij zegt. Dan ben ik de koning, in levenden lijve. Dus, vriend, hoe weet je dat allemaal zo goed? Laat me je papieren eens zien!
Daar heeft de man op gerekend. Per slot van rekening heeft hij een week de tijd gehad om erover na te denken. En dus doet hij zijn verhaal.
Op een presenteerblaadje
De jongeman die hem het bericht bracht, zei: Toevallig was ik op het gebergte Gilboa, en kijk! Saul voorover op zijn speer! En kijk, wagens en ruiters vlak bij hem! Hij draaide z'n hoofd om, zag me, riep me. En ik vroeg: Wat ts er van uw dienst? Hij antwoordde: Wie ben jij? Ik zei: Een Amalekiet. Hij weer: Help me toch en maak er een eind aan want hoewel ik nog helemaal leef, heb ik hevige kramp.
Toen hielp ik hem en maakte er een eind aan voor hem. Ik zag wel: nu hij een keer inde speer gevallen was, zou hij toch niet blijven leve . Ik nam de diadeem van z’n hoofd en de armband van zijn arm - die ik u bij dezen overhandig, meneer de koning!
Dat heeft ernaast gelegen! Weet David veel, dat deze man staat te liegen dat het gedrukt staat? Zo zou het best allemaal gebeurd kunnen zijn. En wat de deur dicht doet: de bewijsstukken worden overgelegd, armband en diadeem. Voor u, David! De koning is dood leve de koning! Het ìs met David niet gebeurd, nu gaat zijn leven pas goed beginnen. Zo zie je maar weer: als de nood 't hoogst is is de redding nabij. Vijftig kilometer, duizend jaar hier vandaan: even oud als zijn betovergrootvader is Hij. Al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid worden Hem getoond: "Dit alles zal ik u geven, als u zich neerwerpt en mij aanbidt." Maar Jezus Davidsz reageert: "Ga weg, satan! De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen."
Het hemels koningschap aanbieden op een presenteerblaadje - dat is duivelskunst.
Word ik, word ik zo koning? Is dit, is dit mijn kroning? Ga weg, satan!
'n Onbegriepelijk mens
Toen pakte David z'n kleren en scheurde ze kapot (qarak krak!) en alle mannen bij hem net zo. En ze weeklaagden, weenden en vastten tot de avond over Saul, over z'n zoon Jonathan, over het volk des Heren en over het huis Israëls, omdat zij door het zwaard gevallen waren.
Wat. een raar volk, die kerkmensen - zal de brenger van deze voor David toch zo blijde boodschap gedacht hebben. Rouw over de dood van wie je buiten de kerk zet!
Och ja, wat begrijpt een buitenstaander van de droefheid naar God?
Broeder Saul begreep het niet eens: "Mijn zoon, je bent rechtvaardiger dan ik". Lijden aan de kerk - wie kan dat verstaan dan wie zelf aan de kerk geleden heeft?
Het koninkrijk der hemelen
David nu vroeg de jongeman die hem het bericht had gebracht: Waar kom je vandaan? Hij antwoordde: Ik ben de zoon van een vreemdeling, een Amalekiet. Daarop zei David tot hem: Wat? Je hebt je niet ontzien, je hand uit te steken om de messias van de Here om te brengen! Toen riep David een van zijn jongemannen en gebood: Aantreden! Dood hem daar! Deze sloeg hem, zodat hij stierf. En David zei tot hem: Je bloed zij op je hoofd, want je eigen mond heeft tegen je getuigd, doordat je zei: Ik heb de messias van de Here gedood.
Wat dacht jij wel, Amalekiet? Mijn eigen rechterhand heb ik afgehouwen en haar aan mij geworpen: één, twee keer. "De Here beware mij ervoor, dat ik mijn hand zou slaan aan de messias van de Here." Hier worden lessen in praktijk gebracht, die David zelf in lange jaren heeft geleerd. De lessen van slagveld en spelonk. van weiland en woestijn. Hier tekent en bezegelt David de grondwet van zijn nieuwe koninkrijk.
Een koninkrijk dat werkelijk hemels van origine, hemels van mentaliteit is. Een koninkrijk van onvoorwaardelijk vertrouwen op God, onophoudelijk verloochenen van zichzelf.
Verteer u niet in toornige gedachten,
maar beid Gods tijd, wees stil, leer het verstaan
dat Hij het land geeft aan wie op Hem wachten
en dat wie kwaad doet kwalijk zal vergaan.