Bevrijding
1973-02-16
Tot de woorden, die momenteel druk in de handel zijn om het evangelie naar zijn eigenlijke essentie aan te duiden, behoort het woord, dat boven dit artikel staat: bevrijding.- Jaargang 17
- nummer 7
Woorden als verzoening, verlossing, vergeving, waarmee van ouds het genadewerk van Jezus Christus werd aangeduid, wijken achter dit woord terug.
Bij sommigen tenminste.
Dit is met name het geval in die kringen, die zich bizonder bezig houden met de politieke en sociale implicaties van het evangelie.
Daardoor krijgt het woord als vanzelf een politieke en maatschappelijke kleur. Niet dat het persoonlijke element in de verlossing ontkend wordt of dat de betekenis van het werk van Christus voor het eeuwige leven wordt afgewezen - zeker niet door allen - maar de nadruk valt daar toch niet op. "De bevrijding in Christus moet het herstel van alle relaties zijn. De relatie met God, maar ook de relaties tussen mensen. De persoonlijke en de gemeenschappelijke relaties, ook de sociale, de economische, de raciale, de politieke".
Zo zei prof. dr J. Verkuyl in een toespraak op een oecumenische zendingsdag in het Congresgebouw te Utrecht. 1) Het accent is hier duidelijk.
Intussen, daar gaat het nu in eerster instantie niet om in dit artikel. We moeten het persoonlijke niet tegenover het gemeenschappelijke gaan uitspelen en dat is hier ook de bedoeling niet. Er is alleen het gevaar dat wanneer het persoonlijke verdwijnt in het collectieve, de richting van het denken zo horizontaal wordt, dat de inhoud van de boodschap van het evangelie daardoor bedreigd wordt en de verticale dimensie wordt geabsorbeerd door de horizontale.
Dit laat zich demonstreren in het gebruik van het woord bevrijding. Dit woord is bij uitstek geschikt om een aardse "verlossing" aan te duiden; nl. van uitbuiting, onderdrukking, gediscrimineerd worden wegens ras of huidskleur en wat hiermee op één lijn staat.
Allemaal zaken, inderdaad, die vanuit het evangelie afgewezen moeten worden.
Daarover is wel geen verschil van gevoelen onder christenen mogelijk. De christelijke visie op het menselijke leven is niet louter verticaal gericht en sluit niet in een zich niet bekommeren om aardse aangelegenheden.
Maar zij ziet deze nimmer als zaken op zichzelf, maar altijd in het licht van de verhouding tot God. Daarom gaat de boodschap van het evangelie niet op in een aardse Messianiteit.
Ja, zij heeft deze zelfs niet tot inhoud, voor wat onze aardse bedeling, de tijd voor de wederkomst van Christus, betreft. Het Nieuwe Testament weet wel van een kerk in lijden en verdrukking, maar niet van een kerk, die deze wereld hervormt tot een Godsrijk op aarde. Daarmee is niet gezegd, dat het evangelie niet van betekenis is voor het leven van de volken, voor de aardse verhoudingen.
De Here kan in bepaalde tijden rijke vrucht daarvan geven. Wij hebben zelfs de roeping om daar ons voor in te zetten: het zuurdeeg in het meel te doen. Misschien nog beter gezegd: zelf dat zuurdeeg te zijn; het zout der aarde, Gij zijt dat, zegt Christus zelfs tot z'n discipelen in de Bergrede.
Maar dit staat in een bepaald raam: niet dat van de triumfantelijke levenshouding en van een triumfantelijke theologie, maar in dat van het vervolgd worden om der gerechtigheid wil en het gesmaad worden, Matth.
5 : 10-12.
"In het Oude Testament slaat het begrip bevrijding vrijwel uitsluitend op politieke nood", volgens de mening van prof. Verkuyl in genoemde toespraak. Een onlangs afgesloten uitgave van een woordenboek op het Nieuwe Testament poneert dat de Griekse vertaling van het Oude Testament het woord vrijheid' nooit in politieke zin gebruikt; 2) en evenmin in samenhang met de bevrijding van Israël uit Egypte noch uit de Babylonische ballingschap.
Blijkbaar ligt het met het gebruik van het woord bevrijding dus wel ingewikkelder dan prof. Verkuyl doet voorkomen. Zijn stelling is om twee redenen m.i. niet te handhaven.
Het begrip "politieke nood" komt in het Oude Testament zo niet voor, maar altijd in verbinding met het van God vervreemd zijn en Hem verlaten hebben. Politieke nood voor het volk van God zonder meer kent het Oude Testament niet. Het is ook geen politiek, maar een door en door religieus boek. Daarom kent het ook geen horizontalistische boodschap van zuivere politieke bevrijding, maar slechts die van vak "politieke" bevrijding door de bekering tot God en het leven in Zijn gemeenschap. Dit geldt dan het oude Israël.
Een korte blik op een concordantie leert verder dat het woord "bevrijding" voorkomt voor verlossing uit allerlei noodsituaties: uit de dreiging van de bloedwreker, uit een twist, van het dodenrijk, van de bozen, van slavernij enz.
In het Nieuwe Testament ligt de zaak nog wat anders. Prof. Verkuyl zegt hiervan: "In het Nieuwe Testament worden de noden der mensen, waaruit bevrijding nodig is, tot in de diepste diepten uitgewerkt, maar wij moeten ook in de nieuwtestamentische tijd niet vergeten dat de nood van discriminatie, armoede, honger wel degelijk behoort tot het geheel van wat in de boodschap van de bevrijding besloten ligt."
Opvallend is hier het aarzelend en voorzichtig spreken: "wel degelijk besloten ligt".
Een onbevangen lezer kan moeilijk anders concluderen dan: dat is niet het eigenlijke van het evangelie, maar ligt er ook wel in.
Maar om dan het bijbelse woord bevrijding daarop toe te spitsen en op te roepen om me te doen aan het bevrijdend handelen.
van God met deze wereld, dat komt zo toch wel in een eigenaardig licht te staan.
Het Nieuwe Testament gebruikt inderdaad het woord bevrijding, naast vrijheid en vrij zijn en dat zelfs vrij frequent, samen 41 keer.
Daarbij moet ons opvallen dat het in twee betekenissen nooit wordt gebruikt.
Allereerst nooit in de profane, Griekse betekenis van uitwendige, politieke vrijheid.
Bij de Grieken is vrijheid in eerster instantie een politiek begrip, geboren uit de situatie van de stadstaat als gemeenschap der vrijen, waartoe de slaven niet gerekend werden.
In de tweede plaats wordt het in het Nieuwe Testament nooit gebruikt in de filosofische betekenis, die er later aan werd toegekend, nl. die van het onafhankelijk van de uiterlijke omstandigheden zelfstandig over zichzelf beschikken. Het zou ons te ver voeren, hier nader op in te gaan, maar de tendens van deze opvatting is duidelijk: hier is de mens in beeld, die zich zelf genoegzaam is - daarin bestaat zijn vrijheid. Het tragische hier is dat dit tegelijkertijd als slechts voor enkelen bereikbaar wordt geacht.
Zoals gezegd, in deze twee betekenissen wordt het woord in het Nieuwe Testament nooit gebruikt. Daarin wordt het gebruikt van vrijheid van de wet, van de zonde, van de dood, die van de zonde het gevolg is. Dit is dus niet de vrijheid van uiterlijk geweld en onderdrukking. Wie daaraan onderworpen is - de slaaf - is door het geloof toch een vrijgelatene des Heren, 1 Cor. 7: 22. Niet dat Paulus de slavernij aanprijst of verdedigt, dat allerminst. Hij zegt tot de slaaf: Zijt ge als slaaf geroepen - door het evangelie - bekommer u daarover - over dat slaaf zijn - niet, maar als ge ook vrij kunt worden, maak er dan temeer gebruik van, vers 21. De uiterlijke vrijheid is voor Paulus niet een onverschillige zaak, maar behoort niet tot de kern van zijn prediking.
Wel kent Paulus ook de bevrijding van alle uiterlijke nood als een heilsgoed van Christus, maar dan als een eschatologisch goed, dat geschonken zal worden in de grote toekomst van Christus: de bevrijding van de vergankelijkheid, van alle zuchten en tranen van alle vruchteloosheid. Hij geeft daarvan getuigenis in Rom. 8, één van de machtigste hoofdstukken van het Nieuwe Testament en daarom ook bekend en bizonder geliefd. Hij spreekt daarin over het bevrijd worden van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods, vers 21, d.i. de verlossing van ons lichaam, vers 23. Dit is duidelijk een heilsgoed van eschatologisch karakter, geschonken bij de wederkomst van Christus. En het is Gods gave. Wij kunnen onszelf met het oog op die gave bewaren, maar haar niet bewerken of mee bewerken. Deelname aan Gods bevrijdend handelen in deze zin is er werkelijk niet bij.
Trouwens ook niet in de andere zin van het woord: als bevrijding van de wet, de zonde en de dood. Die vrijheid is eveneens Gods gave, Christus' werk, Gal. 5 : 1: Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt.. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet, Gal. 3 : 13.
De werkelijke vrijheid, zoals het evangelie daarover spreekt, bestaat niet in de beschikking over onszelf, zoals de Grieken die begeerden.
Zij kenden geen hoger ideaal dan déze vrijheid in de vrije staat. Maar wie als vrije geroepen werd, is een slaaf van Christus, zegt Paulus, die voor de Heer te leven heeft, in welke uiterlijke omstandigheden hij ook verkeert. Die zijn per slot van rekening voor de ware vrijheid niet doorslaggevend.
Wanneer er gesproken wordt over de bevrijding als boodschap van het evangelie, moeten we wel toezien hoe we dit woord gebruiken en welke betekenis er in gelegd wordt. De betekenis verschuift, wanneer het wordt betrokken op uiterlijke omstandigheden van mensen, rassen, volken en niet als heilsgoed van de gemeente wordt gezien, We komen dan gemakkelijk op de horizontalistische lijn als deelnemers aan het bevrijdend handelen van God. Ja, we komen daar dacht ik op de duur onherroepelijk op. De diepere, geestelijke en eschatologisch boodschap der bevrijding niet centraal stellen en dat in onafscheidelijke verbondenheid met woorden als vergeving, verzoening, rechtvaardiging van de goddeloze, zal zeker bij de hoorders het komen op die horizontalistische lijn bewerken en de gemeente geestelijk leeg laten.
De vrijheid van het evangelie daarentegen betekent bevrijding van de dienst aan deze wereld en bewerkt zo het oefenen van gerechtigheid ook in de samenleving. Daarop mag en moet in de verkondiging gewezen worden. Want gij zijn geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkaar door de liefde, Gal. 5 : 13. Daar waar het geloof heerst, daar is de ware vrijheid en het liefdebetoon. Dat heeft in de gemeente zo te zijn. En van daaruit heeft het licht in deze wereld te schijnen, door woord en daad, Matth. 5: 14-16. Wanneer God het geeft, dan worden daardoor de harten veranderd en zelfs goddeloze strukturen opgegeven. Maar dit leven van het gelóóf in zelfverloochening en dienst is wat ànders dan een politiek evangelie en het meedoen aan aktie-groepen.