2 Samuel 2:1-11
1973-03-02
Van vragen word je wijs - Jaargang 17
- nummer 9
Hierna gebeurde het, dat David aan de Here vroeg: Zal ik optrekken naar één van Juda's steden? en de Here zei: ja, dat is goed.
David weer: Waarheen dan? en Hij: Naar Hebron!
Als wij het voor 't zeggen hadden, dan wisten we het wel! Maar als een messias het voor 't zeggen krijgt, weet hij het niet! Een christen is klaarblijkelijk de minst geëmancipeerde mens ter wereld. Natuurlijk, hij wil hiernamaals over alle schepselen regeren. Maar hij wil ook: hiernumaals tegen de zonde en de duivel strijden.
Zo'n christen was David nu. De messias wilde wel eerst knecht zijn en dan pas baas, eerst soldaat en dan pas koning. En daarom bad David tot de Here: Zàl ik gaan? En waarhéén zal ik gaan? Want dat is bidden toch: vragen naar de bekende weg.
"Ga maar naar de kerk", antwoordt de Here dan. Hebron is de kerk en Juda is de kerk. Ziklag niet, Ziklag is de wereld. De christen trekt op van de wereld naar de kerk. Vragenderwijs en stapje voor stapje.
Samen uit, samen thuis
Daar trok David toen heen, en ook zijn twee vrouwen: Ahinoam de jizreëlietische en Abigaïl de vroegere vrouw van de Karmeliet Nabal. Ook liet David zijn mannen die bij hem waren meetrekken, man en gezin, en zij gingen in de steden van Hebron wonen.
Natuurlijk, je gezin moet je meekrijgen. Anders glijd jij af, of zij glijden af. Jij loopt heen en weer te rennen, of van hen komt mets terecht. Daarom geen gemarchandeer: ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen.
Immers, als iemand zijn eigen huis niet eens kan besturen, hoe zal hij dan voor Gods gemeente zorgen?
God loont de moeite
En de mannen van Juda kwamen en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda.
Kijk nu toch eens aan! Daar komen je broeders en ze maken je zo maar koning! Gewone mensen zalven iemand die allang gezalfd is!
Zie je nu wel, dat het koninkrijk der hemelen een lonende zaak is?
God loont de moeite.
De geschiedenis ener gereformeerde kerk
Toen men David meedeelde, dat de mannen van Jabes in Gilead Saul hadden begraven, zond hij boden naar de mannen van Jabes in Gilead.
Het zijn echt mensen van de zelfkant, daar in Jabes. Ze geloven wel, maar ze geloven het ook wel.
Als de broeders en zusters hen nodig hebben, laten zij het afweten.
Maar als zij de broeders en zusters nodig hebben, schreeuwen ze moord en brand. En het gekke is: dan helpt de hele gemeente hen ook nog! Ja, zo gaat dat nu in de kerk: als één lid lijdt, lijden alle leden mee.
En daar zijn ze dan toch wel diep van onder de indruk. Alles doen ze, om te laten merken hoe dankbaar ze zijn.
Zo'n slag volk is het daar in Jabes.
Staatsman niet, evangeliebelijder
En David liet hun zeggen: Wat heeft de Here u gezegend, dat u deze verbondstrouw hebt bewezen aan uw heer, aan Saul, en hem begraven hebt. Nu dan: de Here zal u bij de voortduur zijn verbondstrouw bewijzen en ook ik zal u dit goede bewijzen, omdat u deze zaak bewezen hebt. Nu dan, laten uw handen sterk zijn en weest dappere mannen, al is uw heer Saul dood. En ook: mij heeft het huis van Juda tot koning over zich gezalfd!
Laat David zich hier even in de kaart kijken! Met die laatste zin!
Staat hij zichzelf even aan te prijzen! Ter wille van de smeer likt de kat de kandeleer.
Nee, zo'n diplomatenstreek is dit niet van David. Want - om een lang en ingewikkeld verhaal kort en duidelijk te maken - David zegt: "Dat uitgerekend jullie koning Saul zo'n eervolle begrafenis hebben gegeven! Dat is nu nog eens begrijpen en doen wat God van christenmensen vraagt! Dat hebben jullie ook niet van jezelf! Tsjonge, wat heeft de Here jullie gezegend!
Ja, zo doet de Here nu altijd. De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt. En in het houden van Gods geboden ligt rijke beloning.
Ik heb het zelf aan den lijve ondervonden. Stel je voor: ze hebben mij hier in Juda met z'n allen koning gemaakt!
En daarom, geliefde broeders, in dat spoor nu ook verder! Weest sterk, en jullie weten toch: als je zwàk bent, dàn ben je machtig.
Weest dapper, en dat betekent toch: volhardt in het geloof. Als vrome christenen strijden, 't zal hier haast zijn gedaan."
Zo leert David ook aan Overjordaanse zelfkanters de boog. De messias bedient de blijde boodschap.
Evangeliebelijder niet, staatsman
Maar Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Sata, nam lsboseth, de zoon van Saul, bracht hem over naar Mahanaïm en maakte hem koning over Gilead, de Aschurieten, Jizreêl, Efraïm, Benjamin en heel Israël.
En dàt doen ze daar in het Over jordaanse dan met de blijde boodschap: Niets! Ze bevestigen niet eens de goede ontvangst van "uw missive d.d. zoveel dezer". Maar ze verzètten zich tegen God, zijn messias en diens blijde boodschap.
Dat David de messias was, was een publiek geheim: in kerk en wereld beide. Het was de duidelijk geopenbaarde wil van God.
En dáártegen verzet Abner zich door Sauls vierde zoon koning te maken. Met een gedecimeerd legertje dringt hij een oppermachtige vijand terug. Ook Abner leert Gods volk de boog: niet door Gods Geest maar door geweld zal het geschieden! Dat zegt iemand die niet van genáde wil leven. Hij kan zelf wel. En hij kan het nog ook!
In het houden van Gods geboden ligt grote loon. Maar in het helpen van jezelf, ligt een veel groter loon. Israël, heel Israël!
De moraal van het verhaal
Isboseth, de zoon van Saul, was veertig jaar oud, toen hij koning werd over Israël, en hij regeerde twee jaar.
De gehele tijd, dat David te Hebron koning was over het huis van Juda, was zeven jaar en zes maanden.
Zo groot, het huis van Saul - en toch zo kort.
Zo klein, het huis van David - en toch zo lang.
Zo zie je maar weer: met God regeer je vier op één. De zegen des Heren, die maakt rijk. En die alleen. En die voor altijd: Ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om de naam van Jezus en om het evangelie, die ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven!