KERKELIJK LEVEN

1973-03-02
  • Jaargang 17
  • nummer 9
We zagen in het nummer van 16 februari jl. dat het woord bevrijding in onze tijd een kleur ontvangt, die het in het Nieuwe Testament niet heeft. Daarin duidt het de bevrijding aan van zonde, wet en dood, terwijl het tegenwoordig op de uiterlijke omstandigheden wordt betrokken en een politieke kleur ontvangt. Hetzelfde geldt van aanverwante woorden als vrijheid en vrij zijn ..
Vrijheid van zonde, wet en dood, van deze drie in hun onderlinge verhouding.
Wat is nu, om daarbij te blijven, deze vrijheid van de wet? Zij is bij Paulus een bij uitstek religieuze aangelegenheid. Een vrijzijn van de vloek der wet. Dit allereerst.
Christus heeft ons losgekocht van de vloek der wet, Gal. 3 : 13. Paulus gebruikt hier een werkwoord van een andere stam, maar de gedachte van de bevrijding zit er toch wel degelijk in Christus heeft dat in Zijn grote liefde voor ons gedaan door Zelf voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. Hij citeert hier Deut. 21 : 23.
Maar de vrijheid van de wet heeft nog een ander, hoewel met het voorgaande samenhangend aspect. Christus heeft ons ook van de wet bevrijd als van de weg der zelfverlossing zoals die door de Joden gesteld werd.
Het is Paulus vrij onverschillig, of iemand de Mozaïsche wetten onderhoudt of niet. Hij maakt daar nooit drukte over, behalve in één geval. Wanneer dat nl. als een voorwaarde wordt gesteld om zalig te worden. Dan verzet hij zich daartegen met kracht, want dan jaagt de mens naar een eigen gerechtigheid voor God, in plaats van door het geloof geheel te vertrouwen op de gerechtigheid van God in Christus. Dan wordt tekort gedaan aan Christus' verlossingswerk. En dan komt de mens opnieuw te liggen onder de vloek van de wet, want hij kan haar immers tóch niet volkomen houden, Gal. 3 : 18.

Dwaalleraars zochten de Galaten onder het juk te brengen en ze hadden een aanvankelijk succes, 3: 1-4. Maar zo gaat hun van Christus verkregen vrijheid van de wet verloren.
Daarom geeft Paulus in de aan hen gerichte brief een brede en diepe uiteenzetting van deze vrijheid en roept hij hen met hartstocht op in de vrijheid van Christus stand te houden en zich niet weer een slavenjuk te laten opleggen. Daarbij gaat het dus om het juk van de wet als een regel om daardoor je zelf de zaligheid te verwerven.
Gij zijt los van Christus, als gij door de wèt gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij, Gal. 5 : 4. We moeten deze betekenis van de vrijheid, die Christus voor ons heeft verwonnen en die Hij ons schenkt, goed tot ons laten doordringen om - èn van de term èn zaak een goed gebruik te maken, in die vrijheid stand te houden.

Deze vrijheid raakt ook de gemeente van Christus in haar kerkelijke leven en de inrichting daarvan. Art. 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt daar duidelijk over.
Het begint met de erkenning dat het goed is dat de regeerders van de kerk onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam van Christus, maar voegt daaraan direkt toe - en daarop ligt het accent - dat zij zich wel moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft. En daarom - zo staat er letterlijk - "verwerpen wij allen menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren om God te dienen, en door deze de consciëntiën te binden en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn." Er volgt dan nog: "Zo nemen wij dan alleen aan, hetgeen dienstig is om eendrachtig en enigheid te werken en te bewaren en alles te onderhouden, in de gehoorzaam/ heid Gods". Daartoe wordt dan de excommunicatie gerekend met hetgeen daaraan hangt.
Zoals bekend is sluit de Nederlandse Geloofsbelijdenis zich nauw aan bij de Franse, en staat zij daardoor onder de direkte invloed van Calvijn. Zo worden we voor de verklaring van dit artikel als vanzelf naar de Institutie van Calvijn verwezen, schrijft ds Vonk terecht. 1) Dit artikel sluit zich nl. zeer nauw bij de Confessio Callicano aan.
Graag geef ik hier iets uit Vonk's pittig except van de Institutie op dit punt door: "We zien hier, dat Calvijn niet zo dwaas handelde als de Wederdopers, die uit afschuw voor de verkeerde Róómse wetten en inzettingen met het badwater het kind wegwierpen, zoals men wel eens zegt, en in 't geheel van geen orde wilden weten. Hij kan die afkeer best begrijpen, maar waarschuwt toch uitdrukkelijk tegen ordeloosheid IV, 10, 27, 28. Men moest immers onderscheiden tussen goede en verkeerde bepalingen. In elke gemeenschap is nu eenmaal een zekere regering nodig om vrede met elkaar te houden en eendracht te bewaren. Zal het met de kerk goed gaan, dan moeten we dus het bevel van Paulus ter harte nemen: Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden, 1 Cor. 14: 40. Want het is bij ons, mensen, nu eenmaal zo; zoveel hoofden, zoveel zinnen.
Wij denken er dus niet aan alle wetten voor orde en regel af te keuren. Zonder die zouden de kerken van zenuwen beroofd zijn. Alleen mogen zulke bepalingen dan nooit gelden als onmisbaar ter zaligheid. Dat zou inderdaad zijn: de consciënties op onbetamelijke wijze te binden. En ook moeten het geen voorschriften zijn, die op de Godsverering betrekking hebben, zodat de mensen gaan denken, dat in de waarneming van zulke voorschriften eigenlijk de ware godsvrucht bestaat."
Ds Vonk merkt op dat men dezelfde twee gedachten weer vindt in ons art. 31, bedoeld zal zijn art. 32 van de N.G.B., pag. 177 en schrijft vervolgens dat dit artikel het meest waarschuwt tegen het maken van een massa vroomheidsregels, waardoor het kerkwerk onder het juk van eigenwillige godsdienst gekomen was, 179. Ik citeer hem nu weer even letterlijk: "Welnu, de kerkelijke bepalingen, die in de eeuw der kerkhervorming door de bevrijde kerken inderdaad en terecht gemaakt zijn, hebben niet geleid tot het kwaad, dat men aanvankelijk het méést gevreesd heeft. Inderdaad hebben de kerken voor de orde in eigen gemeente en voor het ordelijk omgaan met elkaar wel regelen opgesteld.
Zo kwamen de Franse kerken, gelijk
we bij het vorige art. al opmerkten, reeds op haar eerste synode, van Parijs 1559, overeen zich te houden aan een "ordonnance ecclesiastique", d.w.z. een kerkenordening of kerkorde.
De Nederlandse kerken volgden dit voorbeeld. Maar nimmer hebben de bepalingen van deze kerkenordeningen geleid tot zulk kwaad als het Roomse bijgeloof met z'n 1) Ds C. Vonk, De voorzeide leer, III b, 176.
ontelbare godsdienstige inzettingen (vasten, enz.). Niet dus tot het éérste kwaad, nl. eigenwillige godsdienst. Wel echter tot het tweede, nl. tyrannie".
Op dit tweede kwaad komen we terug.
Volgens Calvijn en de N.G.B. is het maken van kerkelijke regelingen nuttig om de orde en de eendracht te dienen. Calvijn is zich bij het schrijven hierover terdege bewust geweest dat "de geestelijke vrijheid, die op God ziet", voor ons ongeschonden moet blijven (Inst. Sizoo, IV, X, 1). Daarom wil hij dat men bij die regelingen (wetten, noemt Calvijn ze) als voorwaarde stelt dat men niet gelooft, dat ze ter zaligheid noodzakelijk zijn en ten tweede, dat men ze niet betrekking doe hebben op de dienst van God en zo de vroomheid in hen gesteld wordt (IV, X, 27).
Het zou interessant zijn dieper in te gaan op wat Calvijn over de kerkelijke wetten <schrijft, maar dat zou ons te ver van ons onderwerp afvoeren. Slechts dit: Calvijn onderscheidt twee soorten: de een heeft betrekking op gebruiken en ceremoniën.. de andere op tucht en vrede.
Van belang is voor de kwestie van de christelijke vrijheid nu, dat Calvijn niet van oordeel is dat alle kerkelijke regels letterlijk aan de Heilige Schrift ontleend moeten zijn.
Hij schrijft: Maar aangezien de Here "in de uiterlijke tucht en de ceremoniën niet stuk voor stuk heeft willen voorschrijven wat wij volgen moeten (omdat Hij voorzag, dat dit afhangt van de tijdsomstandigheden, en veroordeelde, dat één vorm niet past voor alle eeuwen) moeten wij hier de toevlucht nemen tot de algemene regelen, die Hij gegeven heeft, om daarnaar te onderzoeken alle geboden, welke de noodzaak der kerk zal eisen tot onderhouding der orde en der betamelijkheid".
Hoe echt hij dit meent, blijkt uit het volgende: "Tenslotte, omdat Hij daarom niets uitdrukkelijks geleerd heeft, omdat deze dingen ook niet noodzakelijk zijn tot de zaligheid, en naar gelang van de zeden van ieder volk en iedere tijd op verschillende wijze moeten worden toegepast tot stichting der kerk, zal het passend zijn, al naarmate het nut der kerk het eist, zowel gebruikelijke inzettingen te veranderen en af te schaffen, als nieuwe in te stellen". Wel erkent Calvijn dat men daarbij alle lichtvaardigheid moet vermijden; de Liefde zal hierbij leiding moeten geven.

Calvijn erkent hier dus ten volle de mondigheid van de Nieuwtestamentische kerk, die in zaken die niet direkt op de zaligheid betrekking hebben, niet door een menigte van wetten en voorschriften is omgeven, als een klein kind bij de hand wordt gehouden.
Zij heeft naar de eis van volk en tijd te beoordelen welke kerkelijke regelingen het best de eendracht en de orde dienen, mits ze daarbij de algemene regelen, die God in Zijn Woord gegeven heeft, in acht neemt. Die mondigheid van de Nieuwtestamentische kerk brengt daarom ook mee, dat afgezien wordt van een veelheid van bepalingen, die het leven in een nauw keurslijf zouden dwingen.
Men zal zich moeten beperken tot wat de eendracht en de goede orde dient. De ene kerk zal de andere zelfs niet mogen minachten "wegens de verscheidenheid der uiterlijke regeringêê, zegt Calvijn. Zo ver is hij er vandaan, dat hij zou menen dat we voor elke kerkelijke regeling een letterlijke bepaling in de Bijbel zouden moeten hebben.
Daarvoor had hij een te scherp inzicht in de aard van de Nieuwtestamentische bedeling en in de mondigheid en dus de vrijheid van de Nieuwtestamentische gelovigen.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief