Twee lifters
1973-03-23
Voor de overweg van Nunspeet stonden ze.- Jaargang 17
- nummer 12
Mannen met baarden. Geen gewenste passagiers.
Ze klopten al aan mijn raampje, voor ik ze geklasseerd had. Of ze mee mochten naar Vierhouten. Hoe wisten die kerels, dat ik naar Vierhouten zou gaan, op vrijdagavond, doodmoe na een onmogelijke werkdag?
De normale argwaan voor langharigen groeide: je vertrouwt vandaag geen enkele lifter meer. Waar ze dan wezen moesten in Vierhouten? Aan de Elspeterbosweg. Hoe wisten die kerels, dat ik aan de Elspeterbosweg woon? Moesten ze mijn autootje hebben -- en hadden ze de zaak goed voorbereid?
De argwaan groeide gestadig. Welk nummer eigenlijk aan de Elspeterbosweg?
Ze wisten het nummer precies -- en ik wist, dat het snor zat. Want dat nummer ligt heel niet aan onze weg -- maar een eind daarachter, aan de heiderand. En ik wist ook, dat dit een soort conferentieoord of zo moest zijn.
Dies stapten ze in. De bomen gingen omhoog en wij schakelden op één. De lifters waren dus studenten en ze hadden de uurbus gemist.
Die bus gaat wel vaker weg, juist voor de trein aankomt. En zo begon het gesprek; want ik vind dat elke lifter als vergoeding een gesprekje schuldig is.
-- U gaat het weekend aan de heide doorbrengen?
-- Ja, dat was de bedoeling.
-- Een congres?
-- Ja, zo iets.
-- Met de meisjes?
-- Nee, dit was alleen voor mannen.
-- Wel zo. Een tikje wetenschap bedrijven?
-- Niet direct, maar toch wel verwant met de studie.
-- Welke studie? (We zaten nu in de vierde versnelling en konden rustig converseren.) -- De een was psycholoog-in-aanbouw en de ander deed politicologie.
-- Het ene vak even ongrijpbaar als het andere!
-- Waarom dat?
-- Laten we zeggen: omdat de grenzen zo vaag zijn, dat je er zo wat alles onder kunt vangen.
-- Hoe bedoelt u dat?
-- Wel, van de ambassades en de ministeries af tot het studentenverzet toe luidt de klok: politicologie. Is het niet waar?
-- Ja, dat kon wel eens waar zijn.
-- Jullie natuurlijk ook een tikje politiek geengageerd?
-- Daar ontkom je vandaag niet aan. Met zó'n maatschappij!
-- Voor of tegen de duizend pegulanten van Veringa?
-- Tégen natuurlijk, maar het zal wel moeten.
-- Waarom moeten?
-- Omdat je anders niet verder kunt studeren.
-- A zo, vanwege de utiliteit dus betalen --
maar politiek tegen?
-- Ja, zo iets.
-- Weten de heren ook, wat ze aan ons land hebben gekost wanneer ze eenmaal afgestudeerd mochten raken?
-- Geen flauw idee. En geen belangstelling ook.
-- Maar als wij, kiezers en betalers, daar ook geen belangstelling voor zouden hebben -- wat kwam er dan van jullie studie terecht?
-- Stilte. Bezinning. Glorend inzicht.
"Dan zouden wij wel wat anders moeten worden".
Heel goed. En nu kwam het gesprek op gang.
We waren bij het gehucht Halfweg de weg naar Vierhouten ingeslagen, reden door de statige dennebossen. Hun bezwaren tegen de duizend gulden collegegeld kwamen nu ook wat anders uit de verf.
-- Och ja, dat collegegeld was misschien ook wel billijk -- daar studeerden ze voor.
Maar het verzet diende eigenlijk voor de minderheid, wier ouders het niet konden opbrengen.
-- A zo, maar als ouders iets niet kunnen betalen -- _mogen kinderen het dan wel eisen?
-- Afkeurende stilte.
-- Ja sorry, maar ik ben van voor de oorlog, vrienden. Bij ons hield alles op, wanneer het gezinsbudget geen ruimte bood voor meer.
-- Maar vandaag zijn de universiteiten openbaar, meneer. Ieder kan er terecht.
-- Dat is waar. Dank zij ons belastingstelsel kan iedereen, uit welk sociaal milieu ook, studeren. Vroeger werd je geselecteerd naar draagkracht en milieu en intelligentie.
Vandaag naar het een noch naar het ander.
-- En vindt u dat onjuist?
-- Betrekkelijk, ja.
-- En waarom dan wel?
-- Ik weet niet aan welk soort arts ik straks mijn levensgeheimen moet vertellen. Ik kom advocaten tegen, die meer met de misdadiger begaan zijn dan met de openbare orde. Ik spreek economen, die meer voelen voor winst verdelen dan voor winst verdienen. Ik hoor van tandartsen, die de helft van hun inkomen in het handje ontvangen en daardoor in niets van zwarthandelaars verschillen. Ik ken dierenartsen, die bij contante betaling een ander tarief rekenen dan wanneer ze een nota moeten indienen. Ik weet dat meer dan vier miljard guldens in de ondergrondse zijn verzeild. Ik lees van hoogleraren, die meer van de politiek bezeten
zijn dan van hun vak. En - de goeden niet te na gesproken - er zijn langzamerhand veel te veel academisch gevormde nederlanders, die het gezicht op een gezonde maatschappij hebben verloren.
- Wat bedoelt u vandaag met een gezonde maatschappij? (We waren nu door het durp Vierhouten gereden en gingen langzaam de Elspeterbosweg op). Een gezonde maatschappij? Een gezonde maatschappij heeft naar mijn mening behoefte aan een bovenlaag van goed on<1eleide mensen, die de sleutelposities bezetten, vakkennis bezitten en vooral zoveel karakter, moraliteit en verantwoordelijkheidsbesef hebben ontwikkeld, dat ze die sleutelposities waard zijn.
- Om hoge inkomens te krijgen?
- Niet daarom - hoewel het een plezierige en welverdiende bijkomstigheid zou kunnen zijn. Dat erkent vooral Rusland. Prijzen worden nog altijd bepaald door kwaliteit, nut en zeldzaamheid, geloof ik. Maar afgezien van die bijkomstigheid: waarom sleutelposities? Omdat ze verantwoordelijk staan voor werkgelegenheid, loon, geluk en welvaart van velen, die van hen afhankelijk zijn.
- U bent een idealist, meneer. (We stonden nu stil op de plek, waar zij rechts en ik linksaf moesten.) - Idealist zei u. Dat is geen scheldwoord.
Maar ik meen ook realist te zijn. Daarom zie ik deze maatschappij economisch, sociaal, politicologisch en psychologisch naar de knoppen gaan. Tenzij wij drieën en de anderen tijdig het roer omgooien.
- U denkt aan kolonels, nietwaar?
- Jullie denkt aan arbeidersraden, nietwaar?
Maar wat het ook zal worden - alleen door hard geweld is er nog orde te scheppen.
En met dat geweld maken we ons vandaag vertrouwd. Het gaat om jullie toekomst - meer dan om de mijne. Misschien is dat wel een goed thema voor jullie weekend-congres. Laat je psychologische en politicologische vooroordelen een weekend rusten. Vertel eens dat je een vooroorlogse idealist hebt gesproken. Iemand, die twee oorlogen heeft overleefd, die midden in de chaos van deze tijd zijn brood verdient, die net als jullie alle onrecht en verdrukking ervaart en die nog gelooft aan een nieuwe wereld, waarop het recht zal wonen.
- Misschien doen we het wel. Maar dat studentenverzet tekent de hele studentenwereld niet. Dat is tien procent, dat rellen schopt en op de voorpagina of op het politiebureau terecht komt. Maar dat de collegebanken propvol zitten, staat niet in de krant. Er wordt ook nog hard gewerkt onder ons, hoor.
- Fijn. Ben blij, dat te horen. Misschien word je nog eens zo geëngageerd van je vak, dat je zélf idealen krijgt.
- Hoe ging dat in uw jongenstijd - kon toen niet ieder studeren?
- Niet gemakkelijk. De vaders moesten het kunnen betalen. Er wáren wel beurzen natuurlijk, maar alleen voor uitblinkers.
Er waren ook werkstudenten, maar die hadden het niet gemakkelijk.
- Hebt u gestudeerd?
- Ik zal jullie wat vertellen. Ik maakte eens een gezelschap van vier vooroorlogse heren mee. Het gesprek ging over het studeren.
De eerste zei: ik kon toevallig studeren, omdat mijn vader het kon betalen.
De tweede zei: ik kon toevallig niet studeren, omdat mijn vader het niet kon betalen.
De derde zei: ik kon toevallig wel studeren, hoewel mijn vader het niet kon betalen. De laatste zei: ik kon toevallig studeren, hoewel ik geen vader had. Zie je, zo ging dat vroeger.
- Vindt u het dan geen vooruitgang, dat vandaag ieder kan studeren; geld of niet, vader of niet? Het is toch zeker de taak van de regering om te zorgen dat er voldoende academici aanwezig zijn?
- Ik weet dat niet. De universiteiten zijn zeker een zorg voor de overheid, ja. Maar de directe studiekosten mochten toch wel door de betrokkenen worden betaald, wat mij betreft. Enne - zijn er geen tweeduizend werkeloze academici?
- Wees redelijk meneer: u hoeft toch onze duizend pop niet te betalen?
- Wees redelijk vrienden. Ik hoef niet voor de zorgen van jullie vaders op te komen, dat is waar. Maar vandaag mag ik wel mijn belasting afdragen, waarvan het grootste deel naar het onderwijs vloeit. En' als ik mijn aangiftebiljet deze week goed heb ingevuld, mag ik voor een heel groepje van jullie de duizend pop betalen. Begrijpen jullie, dat ik belang stel in de besteding van mijn gelden en belang stel in jullie studie? En dat ik er bezwaar tegen zou hebben, wanneer onze overheid opleidt tot wetenschappelijke lijntrekkers en politiek-bezeten sleutelbewaarders?
- Is dat niet wat boud gezegd, meneer?
- Wat vandaag bij de Hoogovens gebeurt dat is: het doorzagen van de tak, waar jullie op gaat zitten. De politieke bonden vragen geen verhoging meer voor de lage inkomens - maar verlaging van de hoge inkomens. Straks wil niemand van jullie zich nog kapot werken voor een arbeidersloon.
Als jullie psychologisch en politicologisch alles hebt gelijkgeschakeld, heb je de gemeenschappelijke armoede ingeluid.
- Maar u zou onze vrijheid aantasten, als u niet toestond dat wij, politiek-geëngageerd zijn!
- Accoord. Laten we zeggen dat we morgen verkiezingen voor de Tweede Kamer houden.
Zeg eens binnen vijf tellen, op welke partij jullie zoudt stemmen?
- Dat is in geen vijftig tellen te zeggen.
- Juist. Je vertrouwt geen enkele partij.
Maar je laat je wel blindelings engageren door Marx en Mao en Sartre en Marcuse en de rest. Je verklaart ie politiek onmondig - maar je eist het recht om je te laten inpalmen?
- Niet bij ons weten ...
- Dan héb je je al laten inpalmen. Voor je tot politieke mondigheid gekomen bent.
Dan ben je psychologisch al ingerekend en politicologisch al voorgevormd.
- Daar moeten we eens serieus over nadenken, meneer.
- Jullie gaat hier rechts en ik ga links.
Neem er een weekend voor, vrienden.