Nieuwe veranderingen na de Mammoetwet

1973-03-23
  • Jaargang 17
  • nummer 12
• Inleiding

Uit vele berichten en geruchten zal het de meelevende krantelezer wel duidelijk geworden zijn: er staat op onderwijsgebied weer het een en ander te gebeuren. Na de Mammoetwet, die althans de bedoeling had, het hele Voortgezet onderwijs grondig te veranderen, zijn nu de Pedagogische Akademie, de Opleidingsschool voor Kleuterleidsters (KLOS), de Lagere en de Kleuterschool aan de beurt, om over geheel nieuwe schooltypen als de zgn. Middenschool nog maar te zwijgen. Aan al deze vernieuwingen zitten ten minste twee aspecten: a) een structureel/organisatorisch (d.w.z. de vorm en inrichting betreffende) en b) een pedagogisch/didaktisch (onderwijskundig).
aspect. Over beide aspecten zal in de volgende artikeltjes iets gezegd worden, opdat ook de "Opbouw"-lezers over een en ander kunnen meedenken en -praten.

I. De Lagere School wordt Basisschool

Een eerste symptoom van de komende veranderingen was de naamsverandering van de Lagere School in Basisschool, welke verandering samenhing met een gewijzigde plaats en functie van dit onderwijstype in het onderwijsgeheel.
Vroeger was de Lagere School voor zeer velen eindonderwijs. Vaak bleef men tot zijn 14e jaar in de zgn. 7e en 8e klas zijn tijd uitzitten, om dan te gaan verdienen.
Alles wat men op die L.S. leerde, was dus meegenomen, vandaar dat op het intellectualistisch aspect de nadruk werd gelegd. U weet het zelf nog wel: veel jaartallen bij geschiedenis en veel plaatsnamen op een rijtje bij aardrijkskunde, om me nu maar tot deze twee vakken te beperken. Nu echter is de leerplicht verlengd en vele, zo niet alle jongelui die de Lagere School met vrucht hebben doorlopen gaan nu naar het Voortgezet Onderwijs, dat al het onderwijs omvat tussen de Lagere School en het Wetenschappelijk Onderwijs (W.O.: Universiteiten en Hogescholen).
De Lagere School is dus geen eindstation meer, maar "slechts" basis voor het Voortgezet Onderwijs geworden, vandaar de nieuwe naam.

II. Pedagogisch-Didaktische gevolgen

Het lijkt me een logische conclusie, dat tengevolge van een plaats- en functieverandering van een bepaald schooltype, er ook wel iets gewijzigd zal worden in de leerstof, die behandeld zal worden. Inderdaad is dat één oorzaak van het zoeken naar nieuwe leerstofgehelen voor de Basisschool, welke naam ik nu maar, afgekort tot B.S. verder zal gebruiken.
Er is echter nog een tweede oorzaak, nl. veranderde pedagogische en didaktische inzichten, die mede samenhangen met maatschappelijke veranderingen, die, zoals we zagen, op hun beurt een andere functie van de B.S. met zich meebrachten. Voor alle duidelijkheid: met pedagogiek wordt zoiets bedoeld als de leer omtrent het leiden van het kind op weg naar volwassenheid, (de einddoelen en de inhoud van het begrip volwassenheid kunnen bij de diverse pedagogen zeer verschillen, o.a. afhankelijk van levensbeschouwelijke achtergronden en uitgangspunten; ook wordt door vele pedagogen liever gesproken over begeleiden i.p.v. leiden) en met didaktiek de leer omtrent het overbrengen van kennis, het leren onderwijzen.
Nu zijn er bij elke onderwijssituatie altijd tenminste drie betrokkenen aanwezig: nl. a) WIE onderwijst, b) AAN WIE wordt onderwezenen c) WAT wordt onderwezen. Dat laatste hangt o.a. af van de vraag AAN WIE wordt onderwezen en MET WELK DOEL (evt. met welke opdracht). Zeer belangrijk is in dit verband de leeftijd van het kind dat onderwezen wordt. In de "Ontwikkelingspsychologie" wordt daar zeer de nadruk op gelegd.
Een en ander zal ik verduidelijken aan de hand van het vak Geschiedenis, zonder overigens in dit stadium rekening te houden met toekomstige wijzigingen op dit gebied.
In klas I en 2 zal een eerste basis gelegd worden door het "te leren spelen met de tijd", deftiger gezegd, door het kind zich te "leren oriënteren in de tijd", met behulp van stambomen, dagtijdlijnen, de klok e.d. In klas 3 of 4 wordt dan begonnen met het "eigenlijke" geschiedenisonderwijs, dat volgens sommigen overigens slechts voorbereiding is op het onderwijs in het V.O., maar niet door te beginnen bij het begin, b.v. bij de prehistorie van ons land en dan zo vervolgens chronologisch de (Vaderlandse) geschiedenis door te werken, want afgezien van de vraag, of de leerlingen van de B.S. dit alles nu nog moeten weten, is het helemaal niet vanzelfsprekend, dat leerlingen van 8 à 9 jaar rijp zijn voor stof die toevallig chronologisch aan de beurt is. Je begint toch met aardrijkskunde ook niet met de behandeling van Nieuw-Zeeland, waarom dan wel bij geschiedenis met de prehistorie, die temporeel gezien even veraf ligt als geografisch gezien Nieuw-Zeeland. Nee, wat in klas 3 en 4 behandeld moet worden is datgene, waar het gemiddelde kind van 8, 9 jaar rijp voor en DUS geïnteresseerd in is. Wat zien we dus gebeuren - ietwat extreem gesteld -? Niet meer de strikt chronologische volgorde der gebeurtenissen, zelfs niet meer het leerboekje of de onderwijzer bepaalt wat er op een gegeven moment behandeld zal worden in een bepaald leerjaaar, maar de interesse van de leerlingen. Men gaat uit van de belevingswereld van het kind en probeert vervolgens de op een bepaald gebied reeds aanwezige kennis (door middel van t.v., radio, stripverhalen, jeugdboeken e.d. is die kennis veel groter dan vroeger) te corrigeren, uit te breiden, te verdiepen, te structureren enz.
Kort en extreem gezegd: het vragende, zich-in-de-wereld-oriënterende-kind bepaalt, wat er behandeld zal worden.

III. Praktische konsekwenties voor de B.S.

In de praktijk is dit natuurlijk, vooral gezien de huidige structuur van de B.S. zeer moeilijk te realiseren. U begrijpt nu meteen, dat het zoeken naar een nieuwe B.S. mede veroorzaakt wordt door die nieuwe pedagogisch-didaktische inzichten. Een en ander zal ook tot gevolg hebben dat de stof van school tot school zeer kan verschillen, immers de kinderlijke belangstelling wordt mede bepaald door hun milieu thuis, de streek waar ze wonen e.d., terwijl de verdieping van de stof door de onderwijzer weer afhangt van diens al of niet religieuze achtergronden en doelstellingen.
Wat geschiedenis betreft: er zal dus afgestapt moeten worden van de traditionele chronologische behandeling van de stof. Alternatieven zijn o.a. een thematische aanpak (wonen door de eeuwen heen, kleding, feest en spel, verkeer e.d. in klas 3 en 4; kopen en verkopen, rechtspraak, ontdekkingen en uitvindingen, de mens en zijn geloof, oorlog en vrede e.d. in klas 5 en 6) of een (semi-Iconcentrische methode (zowel in 4, 5 en 6 wordt b.v. de 17e eeuw behandeld, maar steeds op hoger niveau en vanuit een andere gezichtshoek).
Er is echter nog meer. Een groot probleem is het zitten-blijven op de B.S. Behalve financiële narigheden voor het Rijk, zitten er ook grote en nare psychologische konsekwenties aan vast voor het kind zelf. Vandaar dat men bezig is het zitten-blijven af te schaffen of te reduceren. Gevolg zal dan moeten zijn een anders gestructureerde B.S.
In onderwijskundige kringen denkt men in dit verband aan het doorbreken van het jaarstelsel, om te komen tot het vormen van niveaugroepen. In één lokaal zitten dus kinderen van misschien dezelfde leeftijd, maar niet van hetzelfde niveau. Dat dit een taakverzwaring van de onderwijzer met zich meebrengt, lijkt me duidelijk; immers, hij zal voor elk niveau in zijn werkruimte verschillende opgaven klaar moeten hebben, hij zal op verschillende niveaus begeleiding moeten geven e.d. Het betekent ook dat kinderen die daartoe in staat zijn, ook de gelegenheid krijgen zelfstandig te (leren) werken en dit impliceert op zijn minst het aanwezig zijn van een zgn. documentatiecentrum in de school of in het lokaal en een kleiner aantal leerlingen per klas, zodat ook de financiële konsekwenties niet gering zullen zijn. Een ander vraagstuk is, wat de gevolgen zijn van het feit dat er ongetwijfeld leerlingen zijn die op het gebied van taal b.v. zich in het ene niveau bevinden en op rekengebied in een ander. Duidelijk is in elk geval, dat al deze veranderingen - en dat ze vroeg of laat zullen komen, staat vast - ook voor de Pedagogische Akademies vergaande konsekwenties zullen hebben, maar daarover later.

IV. Integratie B.S.-K.O.

Een ander probleem dat om een oplossing vraagt, is de voor veel kinderen nog steeds moeilijke overgang van de Kleuterschool naar de B.S. Niet zonder oorzaak stijgt de laatste jaren het percentage leerlingen dat na korte of Langere tijd van de B.S. naar het Buitengewoon Onderwijs (B.O.) wordt verwezen, waarbij vooral de LOM-school op het ogenblik furore maakt. (LOM: school voor kinderen met Leer- en Opvoedingsmoeilijkheden).
Om dit vraagstuk enigszins op te vangen is op veel Basisscholen de 1e klas omgevormd tot een zgn. speelleerklas, maar nu wil men verder gaan. De bedoeling is nl. om binnen afzienbare tijd te komen tot een volledige integratie, samensmelting van de kleuterschool met de basisschool. Zonder schokken gaat het kleuterschoolkind dan naar de basisschool; de leerplicht zal verlengd worden naar onderen, zeker tot het 5e jaar, misschien zelfs tot het 4e jaar, in welk geval "peuterscholen" het kind daarop zullen moeten voorbereiden, We zullen in de toekomst dus ernstig rekening moeten houden met een leerplicht van 4 tot 18 jaar!
Ook dit brengt veranderingen met zich mee voor de Pedo Akad. en ook voor de KLOS (Kleuterleidsters-opleidingsschool).

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief