KERKELIJK LEVEN

1973-04-13
  • Jaargang 17
  • nummer 15
Zaterdag 31 maart j.l. herdacht het G.P.V. zijn vijf en twintig jarig bestaan in de Doelen te Rotterdam. Zonder twijfel hebben onze lezers wel verslagen van deze samenkomst in de dagbladen gelezen.
"Trouw" gaf in het nummer van die zaterdag een objectief verslag van de ontstaansgeschiedenis.
De schrijver ervan had zich uit officiële bronnen goed op de hoogte gesteld van de gang van zaken rondom de oprichting van deze politieke partij. Bovendien had hij de heer Jongeling en ondergetekende geïnterviewd over wat er rondom het "Amersfoortse congres" van 1948 was geschied. De heer Bos, de pedel van de Theologische Hogeschool en ik, hadden de gehele organisatie daarvan opgezet en ik was de secretaris van het comité dat dat congres voorbereidde.
Het lijkt mij dienstig over wat er toen en daarna gebeurd is nog een en ander te vertellen.
Dat is wel goed om legendevorming te voorkomen. En ook om nog andere redenen.

• het eerste conflict

Na de "vrijmaking" kwam al heel gauw de vraag op wat wij als gereformeerden die op verschillende manieren uit de kerk gestoten waren "in de politiek" moesten doen. Dat wilde in concreto zeggen: in de A.R.P. Want de "vrijgemaakten" waren, ik geloof wel te kunnen zeggen: nagenoeg allen, antirevolutionair.
Het kwam al heel gauw tot een conflict.
En wel in de A.R. Kiesvereniging in Berkel en Rodenrijs.
Daar was een bizonder wijze "synodale" dominee. Hij schreef namelijk in een kerkblad over de "Nieuwe Schilder Beweging".
En hij zei daarvan dat die in de leer scheen geweest te zijn bij een beweging met gelijkluidende voorletters!
Dit was meer dan grof.
Het was diep beledigend!
Schilder was, om dat alleen maar te noemen, de grote kampioen geweest in de strijd tegen het Nazisme. En het zo typeren van zijn worsteling in de kerk was zonder meer schandalig!
Het spreekt vanzelf dat de "vrijgemaakte" broeders in Berkel en Rodenrijs zich door partijgenoten niet voor familie van de N.S.B.-ers lieten uitmaken! Ze stelden deze zaak daarom in de kiesvereniging aan de orde en eisten een veroordeling van de genoemde pastorale scheldwoorden.
Men moet zich, om de geladenheid van deze ontstemming te kunnen aanvoelen, indenken, dat dit alles plaats vond in de tijd vlak ná de oorlog, de tijd waarin ons volk zo nameloos veel ellende van de Nazi-boeven had ondervonden!
Het ging op de kiesvereninging van Berkel evenwel helemaal mis.
De meerderheid van de leden wilde de geïncrimineerde woorden van de dominee niet veroordelen.
En toen hebben de leden van de kiesvereniging die het met deze beslissing niet eens waren een nieuwe antirevolutionaire kiesvereniging opgericht. Deze meldde zich vervolgens als zodanig aan bij de hoogste partijinstantie.
Maar - ze kreeg nul op haar rekwest.
Het reglement van de partij liet niet toe dat er op één plaats twee kiesverenigingen optraden! En zeker niet twee die in een dergelijke conflictsituatie leefden. De leiding der partij bleef voorts die kiesvereniging erkennen die in meerderheid het voorstel om de genoemde domineesuitspraak af te keuren had afgestemd.
Zo was een eerste "vrije" kiesvereniging ontstaan.
Maar dit was geschied ten gevolge van een plaatselijk en incidenteel conflict.
Hier waren geen politieke beginselen in het spel.

• kritiek op "gemene gratie"

Maar er waren destijds nog andere zaken die de aandacht trokken, of liever: reeds lang getrokken hadden.
Lang vóór, en ook afgezien van, de vrijmaking.
In het bizonder ging het over de zogenaamde "Gemene Gratie".
Door mannen als Vollenhoven. Dooyeweerd, ds De Graaf en vooral Schilder, was reeds jaren vóór de vrijmaking, en zonder dat daarvan ook maar in de verste verte sprake was, een "sympathetisch...kritische" houding ten opzichte van Kuypers Gemene-Gratie-constructie aangenomen.
Er waren namelijk naar hun overtuiging in wat Kuyper daarover geschreven had uiterst bedenkelijke motieven.
Waarop hun bezwaren zich vooral richtten zal ik met een paar voorbeelden proberen duidelijk te maken.
In zijn Gemene Gratie deel II, p. 202 betoogt Kuyper dat de overheid staat op het "erf", van de "gemene gratie". In de kerk van Christus is daarentegen de "particuliere genade" belichaamd. En dan komt er dit: "Al het verschil derhalve dat tussen deze beide vormen (!) der genade gaapt (!), stelde Overheid en Kerk als aan elkanders leven vreemd (!) tegen elkander over, en overmits dit verschil principiëel (!) is en tot den diepsten wortel van beider leven doordringt (!) moeten zij (nl. de Staat en de Kerk) aan elkander vreemd blijven tot den einde toe. (!)"
Kuyper zegt hier veel meer, dan dat Staat en Kerk een eigen structuur bezitten.
Staat en Kerk komen volgens hem uit een geheel verschillende wortel op, en daarom staan ze vreemd, bijna antithetisch, tegenover elkaar zelfs tot den einde toe.
Ongetwijfeld trad de kerk in haar nieuwtestamentische gestalte in een heidense, vijandige wereld op. En er bestond toen inderdaad een scherpe antithese tussen de concrete Kerk en de concrete Staat van die dagen.
De Kerk moest in botsing komen tegen het heidense Romeinse rijk met zijn vergoddelijkte keizer.
En er moet natuurlijk ook nu een botsing komen tusseneen getrouwe kerk en iedere totalitaire staat.
Maar het is niet zo, dat de Staat met de in haar fungerende overheid een typische structuur bezit, een "ordening" is die als zodanig aan de Kerk vreemd is en zich dáárom principieel niet met de Kerk verdraagt!
De strijd die er vroeger en nu ook in de totalitaire staten woedt tussen de Kerk èn die staten is er een tussen de Geest van de verheerlijkte Christus en de geest uit de afgrond.
Hij is een facet van de strijd tussen Gods genade en de zonde van de autonome mens.
Maar met alle kracht moet ontkend worden dat deze strijd tussen Kerk en Staat een vrucht was van een disharmonie tussen Gods ordeningen, omdat de éne (die welke geldt voor de Staat) uit de "natuur" en de andere (die welke geldt voor de Kerk) uit de genade zou zijn.
Uit een voorbeeld als dit blijkt dat Kuyper de ".gemene gratie" (die buiten het kruis van Christus omgaat!) bindt aan de "natuur". En dat hij daarom niet losgekomen is van de 'scheiding tussen "natuur" en "genade". Dat is er voorts weer de oorzaak van dat er een kloof gaat gapen tussen de "gemene gratie" en de "particuliere genade", een kloof die tegelijk de kloof is tussen Staat en Kerk!
Hoe sterk Kuyper de "gemene gratie" bindt aan de "natuur" treedt heel duidelijk aan het licht als hij zegt dat de Kerk "opkomt" uit de particuliere genade. En de particuliere genade is dan die genade "die niet uit de natuur opkomt maar van buiten af in de natuur wordt ingedragen", Een genade die niet uit de natuur opkomt veronderstelt voorts uiteraard een genade die wèl uit de natuur opkomt!
Heel deze spreekwijze is op zijn zachtst gezegd vreemd.
Hoe kan nu ooit een genade van God uit de natuur "opkomen"?
Nu blijkt uit Kuypers gedachtengang evenwel duidelijk dat hij dit alles niet zo verstaat als hij het zegt!
Maar wat hij in deze woorden wel zegt en tot uitdrukking brengt is het leggen van een nauw verband tussen de "natuur" en de "gemene gratie".
Dat blijkt bizonder duidelijk uit wat hij kort daarvoor schreef (II, 109) nl. dat, al blijft de gemene gratie gratie, en als zodanig een daad van God, zij toch niet is het toevoegen aan de bestaande krachten der natuur, maar eenvoudig het leiden en besturen van die in die natuur aanwezige krachten.
De "gemene gratie" wordt on deze wijze gekarakteriseerd als "natuurlijk". En de "particuliere genade" als "bovennatuurlijk".
Die "particuliere genade" wordt dan door Kuyper beschouwd als iets dat aan de "natuur"
wordt toegevoegd; Een dergelijke beschouwing is in haar grondstructuur nauw verwant aan de roomse onderscheideng van "natuur" en "genade".
Volgens deze is immers ook de "genade" 'iets dat aan de natuur wordt toegevoegd, haar geheel doordringt en haar zo tot een hoger niveau opstuwt.
Kuyper ziet nu de Staat opkomen uit de natuur. Dat is: uit het - door de zonde bedorven maar door de “algemene gratie" geconserveerde en geëleveerde - schepsel, het geschapene. De Kerk staat geheel buiten die "natuur" en komt op wit de genade!
Kuyper schrijft letterlijk: "De tegenstelling (!!) is en blijft alzo, dat het uitgangspunt van de Staat ligt in de Schepping, in de natuur en in de gemene gratie, terwijl het uitgangspunt van de Kerk ligt in de Herschepping, in het wonder en in de particuliere genade."

• genade bewerkt verlossing van als het geschapene van het gehele schepsel

De implicaties en consequenties van deze versie zijn diep ingrijpend.
Het "terrein" van de "gemene oratie" "de natuur" - wordt" namelijk zo geïsoleerd van het “terrein" van de "particuliere genade", de Kerk. Hoogstens is er vanuit de Kerk een zekere "uitstraling" van de "particuliere genade" waardoor bijv. nog van een christelijk Europa en Amerika gesproken kan worden.
Voorts heeft deze constructie er ook vaak toe geleid dat het "licht" dat er, dank zij de "gemene gratie" in de natuur schittert, voldoende is om in het "natuurlijke leven" de weg te vinden en vele grote en goede dingen te doen. Ten behoeve van het "bovennatuurlijke"
leven moet dan wel het licht der natuur aangevuld worden door een bovennatuurlijke openbaring, maar daarbuiten is het licht der natuur voldoende.
Voor de politiek en het staatkundige leven heeft deze conceptie tot gevolg dat de noodzaak van een radicaal christelijke politiek en een christelijke partijvorming slecht of helemaal niet wordt gevoeld. Men kan daarin met het Echt der natuur, de "natuurlijke godskennis" wel toe.
De scherpte, de radikale kritiek op deze beschouwing bestaat hierin dat zij geen recht doet aan de machtige realiteit dat de genade niet een geschapen zaak is, en als zodanig in de natuur inzit of daarin ingestort wordt, of daarnaast opkomt, maar dat zij is die wondere gezindheid en kracht van God, die Hij in Jezus Christus geopenbaard heeft en nog steeds openbaart en die reinigend, verlossend, vernieuwend, herscheppend in heel het geschapene, het "ganse" schepsel werkzaam is.
God schept door zijn genade geen andere wereld. Hij voegt daardoor ook aan het geschapene, de "natuur" ook geen samenstel van krachten en vermogens toe om die tot een "hoger" complex van daden in staat te stellen.
Neen, God verlost het geschapene, de natuur van de macht der zonde. En Hij heiligt die en wijdt die aan Zichzelf toe. Hij brengt heel het geschapene door zijn Geest onder de macht van de verheerlijkte "Middelaar Gods en der mensen de mens Jezus Christus". Heel het geschapene, heel de mensheid met alle levens terreinen en levenskringen. Ook die van de Staat!
Bavinck accentueert steeds dat Gods genade reparatie, reformatie, herschepping bewerkt.
De werking ervan strekt zich intensief even ver uit als de macht van de zonde.
De genade is de kracht Gods die de mensheid ook innerlijk, in de kern van haar wezen, van de zonde bevrijd en ze eens zonder vlek of rimpel voor Gods aangezicht stelt.
In de A.R.P. hield men evenwel aan de Kuyperiaanse conceptie vast.
Daarover een volgende keer.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief