Kerkdak open voor de gaven van de Geest

2005-07-01
  • Jaargang 49
  • nummer 13
Twee weken geleden liet prof. Van der Kooi zien hoe de kerkelijke aandacht voor emotie en echtheid niet op zichzelf staat, maar onze westerse cultuur anno 2005 doortrekt. In een tweede artikel vraagt Van der Kooi aandacht voor de ontwikkelingen in de gereformeerde gezindte als het gaat om de omgang met de gaven van de Geest. Met aandacht ook voor de bijbelse noties rond de charismata.

In een zeer recente publicatie over profetie heeft de onlangs overleden hoogleraar C. Graafland nog eens heel kort samengevat wat naar zijn overtuiging het tekort is van de gereformeerde theologie. Van de Heilige Geest wordt in de gereformeerde traditie wel beleden dat Hij een fundamentele rol speelt in het verlossende werk van Jezus Christus: door de Geest worden wij wedergeboren, nemen wij zijn Woord aan, omhelzen wij zijn belofte en groeien wij met Hem samen. Het zaligmakend werk kreeg de volle aandacht en ook de vruchten van de Geest konden in deze theologie worden besproken, maar de gaven van de Geest bleven onderbelicht, vielen in feite buiten de boot. Onder invloed van een oude dispensationalistische opvatting (het dispensationalisme kent een sterke onderscheiding van opeenvolgende fasen in de geschiedenis, waarin God zijn heilsplan met mens en wereld uitvoert; redactie) werd gesteld dat de gaven van de Geest alleen beperkt waren tot de vroege kerk.

Charismatische invloeden
Die gedachte is in de gereformeerde wereld nu over een brede linie verlaten.
Het is ons in de loop van de 20e eeuw duidelijk geworden dat de ‘charismata’ ook nu nog op de een of andere manier aan de gemeente geschonken worden en geschonken kunnen worden tot opbouw van het lichaam. Wat ik momenteel om mij heen waarneem, is dat er wereldwijd een theologisch gesprek gaande is over de plaats van de gaven binnen het leven van de gemeente. In ons land was dat binnen de Gereformeerde Kerken synodaal al enigszins op gang gekomen. Die kerken komt de eer toe dat zij jarenlang een deputaatschap heeft onderhouden voor het contact met de Charismatische Werkgemeenschap Nederland. Daarin is veel werk verricht. Het begon met het werk van Karel Kraan, W.C. van Dam, W.W.
Verhoef, N. van Ditmarsch en M. Parmentier en dit heeft in stukken en brokken zijn weg in de kerken in Nederland gevonden. Er is en wordt in orthodox gereformeerde omgeving ongelooflijk veel uitgewerkt in een eigen habitat dat in deze kring al lang bekend was. Ik kan alleen maar hopen dat de verschillende contexten waar de charismatische vernieuwing ruimte krijgt, elkaar zien staan, van elkaar leren en niet doen alsof op alle punten het wiel weer uitgevonden moet worden. Dat zou al te zeer een repetitie zijn van de protestantse splijtzucht.

Huiver
Dat neemt niet weg dat er binnen traditioneel kerkelijke kring nog steeds een hoop koudwatervrees heerst. Men kan de bezwaren zo opsommen. Gaat het gevoel niet overheersen, waar blijft het Woord? Zijn de charismata in het geloof het een en al? Of er ontstaat binnen de gemeente tweedeling over deze zaak. Dat er christenen zijn met een beetje meer (de charismata) en christenen met minder, of alleen hun belijdenis. U kent het wel: de één loopt op super en de ander op gewone benzine. Ongetwijfeld vinden dergelijke tweedelingen plaats; ze waren een bekend verschijnsel in evangelische kringen en nu treffen we het aan tengevolge van de aandacht voor de gaven van de Geest. Het is hier vandaag niet de plaats om van elke gave te zeggen of en op welke manier ze binnen de gemeente plaats zou moeten hebben. Ik kan er maar een paar dingen over zeggen.

Charisma en liefde
In enkele gedeelten van de bijbel komen wat wij nu met het Griekse leenwoord de ‘charismata’ noemen ter sprake. We dienen er goed oog voor te hebben dat ze niet in alle bijbelboeken aan de orde komen. In het evangelie van Johannes en de brieven van Johannes treft men ze niet aan. Daar valt alle aandacht op de liefde als de werkelijkheid, waarin de Vader en de Zoon tot elkaar bestaan. Ik zeg dat niet om het belang van charismata te diskwalificeren.
Maar het is wellicht niet overbodig op te merken dat ook Johannes spreekt van een verlangen naar meer.
Dat verlangen naar meer heeft te maken met de liefde, als het meest belangrijke en blijvende element van de werkelijkheid van God en van het kindschap Gods. Vooral de roomskatholieke theologie heeft zich in haar verstaan van geloof gericht naar dit Johanneïsche geloofsbegrip. Geloof is een kennen dat gevormd is door liefde, ‘fides caritate formata’.

Godsgeschenk
In enkele bijbelboeken komen de charismata voor, vooral in de Handelingen en in de eerste brief aan de Korintiërs, maar nergens als een vaste lijst, die eens en voor al vastligt. Het woord ‘charisma’ heeft in het N.T nog niet die technische betekenis die het pas in de laatste eeuwen heeft gekregen. Laat ik daarover heel kort zijn: in de bijbel en de oude kerk betekende het simpelweg gave, cadeau van God. Belangrijk gegeven is dat God de Gever is. Al even typerend is het volgende: nergens in de bijbel of de oude kerk wordt het bijvoeglijk naamwoord charismatisch gebruikt. Charismatisch is nergens de eigenschap van een persoon.
Die koppeling aan de antropologie of sociologie, waardoor het woord charismatisch een kenmerk van een persoon of persoonlijkheid kon worden is pas geijkt door de socioloog Max Weber. Sindsdien spreken we over charismatische leiders. Maar dat bijvoeglijk gebruik van het woord duidt al op een vorm van secularisatie. Het ontstond in een tijd dat alle aandacht uitging naar personen.

Opbouw
In een bijbelse visie op de ‘dingen des geestes’, waar Paulus in 1 Korintiërs 12 over spreekt moet de nadruk vallen op het feit dat God de gever is van gaven.
Het kunnen allerlei gaven zijn en er worden opsommingen van gaven gegeven in 1 Korintiërs 12 en 14. Die lijsten zijn niet normatief, maar dragen het karakter van een zekere toevalligheid.
Ze zijn zeker ook niet kenmerk van een gezonde gemeente. Het is een opsomming van presentjes die God kan geven tot opbouw van de gemeente.
Onder dat laatste moet een dikke streep gezet worden. Paulus maakt heel duidelijk dat die gaven belangrijk zijn omdat daardoor de gemeente als lichaam van Christus wordt opgebouwd.
Daarom geeft hij in 1 Korintiërs 14 de voorkeur aan profetie boven de klanktaal, omdat in de klanktaal of de tongentaal iemand zichzelf sticht.
En in de profetie wordt de gemeente opgebouwd.

Gelijk Hij wil
Ik noem een volgende karakteristiek van de charismata. Ze treden niet altijd en overal op. Ze worden gegeven naar dat het God belieft. Het principe van Gods verkiezing wordt letterlijk toegepast in 1 Korintiërs 12:11. Elk krijgt die gaven naar dat Hij wil. Betekent dit dat ze altijd voor ieder beschikbaar zijn? Dat lees ik nergens. We kunnen er wel om bidden, we mogen ernaar verlangen, maar nergens staat dat we ze eigenlijk zouden moeten hebben of dat God ze aan ieder wil geven.

Gebed met een plus?
In dit verband stuit ik binnen de charismatische praktijk op verschillende opvattingen ten aanzien van het actuele spreken van God, door sommigen met het Engelstalige begrip ‘ministry’ aangeduid. Wat mogen wij van dat actuele spreken van God verwachten? Er liggen voor mij hier nog talloze vragen. Is ‘ministry’ als dienst die mensen aan elkaar beoefenen meer dan een gebed? En zo ja, wat is dit surplus? Waar lees ik eigenlijk de belofte dat er beelden en woorden zullen zijn? In de mystieke traditie kent men zoiets als de ‘perspicuitas animarum’ (doorzichtigheid van de zielen; red.), een gave waarvan overigens verteld wordt dat slechts enkelen ze ontvangen hadden. Het is mijns inziens onmogelijk om hier met het bekende woord uit Joël als bewijswoord te komen. Dat woord zegt niet dat in het laatst der dagen ieder zal profeteren, of dat ieder dromen zal dromen. Het hoort bij het beleid van de Geest dat het verrassend is en zijn gaven zullen gegeven worden aan jong en oud.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief