Laat het maar waaien!

2013-05-18
  • Jaargang 57
  • nummer 10
Ik was blij met het artikel van Gijs Bronsveld over een gebedsvorm die door menig Opbouw-lezer als verrijkend is ervaren: het ministrygebed. Maar voor anderen is het zeer de vraag of deze vorm van bidden ooit zal wennen. Ik hoop dat zowel de een als de ander iets van zijn gading vindt in wat verder volgt.

Ministrygebed is een gebedsvorm die via New Wine uit de Angelsaksiche wereld is overgewaaid. Gijs Bronsveld noemt in de loop van zijn artikel een aantal karakteristieken, zoals het kleine getal (twee mensen bidden voor een derde), de aanraking (hand op de schouder) en de sfeer van stilte en verwachting, met vaak ook woorden en beelden die gedeeld worden.
Bronsveld noemt daarbij een aantal kanten die hij als waardevol heeft ervaren, zoals het verwachtingsvolle (zichtbaar gemaakt met een opgehouden, open hand) en de stilte, met zijn ontvankelijkheid voor een woord of beeld. Symbolisch is ook de hand op de schouder van degene voor wie gebeden wordt. Het betekent onderlinge verbondenheid, maar laat ook iets zien van een mens die voor een ander instrument van zegen kan zijn. En verder kan deze gebedsvorm de vaste structuurtjes van onze gebedsmomenten wat losser maken, zodat gebeden ‘alledaagser’ worden. Mooi dit alles!
Ik voeg er wel aan toe dat bij andere gebedsvormen het hart van de bidder even verwachtingsvol open kan gaan.
Bronsveld zal het niet ontkennen, want hij schrijft dat de Geest veel pijlen op zijn boog heeft.
En wat de opgelegde hand betreft: mijn gedachten worden soms wat afgeleid naar zo’n ‘vreemde’ hand op mijn schouder. Voor mij is dat dus een minpuntje aan deze gebedsvorm, en het is goed om zulke plussen en minnen bespreekbaar te houden. Maar ik geloof best dat voor anderen in zo’n aanraking God heel dichtbij kan komen, zoals dat bij een ander kan lopen via een (Schrift)woord, een lied of een zegening. Niet dat we die fysieke nabijheid kunnen inzetten ‘om God dichterbij te brengen’, zoals Bronsveld schrijft. Je brengt voor een ander niet zo veel dichterbij, laat staan God. En het past ook niet bij de sfeer van verwachting en ontvankelijkheid die het ministrygebed juist zo kenmerkt.

Geschenkjes
Voor een van huis uit gereformeerde bidder is het meest nieuwe aan het ministrygebed de stilte en wat die aan vruchten oplevert. Het is het ‘luisterende bidden’ dat ik persoonlijk even mooi als moeilijk vind, doener en prater die ik ben. Maar ik herken wel dat er in een sfeer van stilte en loslaten hele mooie woorden, beelden en liedregels in je gedachten kunnen komen. Ik heb het niet zelden in de aanloop naar een preek – vaak al doende, bij het alleen wegwerken van de afwas of ergens al fietsend.
Ik ben er ook helemaal open voor dat dat kleine geschenkjes van de Geest zijn, die immers geeft zoals Hij wil. Zoals het ook in gesprekken kan gebeuren. Ik herinner me nog dat ik in een gesprek om één of andere reden dacht aan een regel uit Psalm 139, ‘al maakte ik het dodenrijk tot mijn bed’, en die noemde. Waarna de ander vertelde dat dat nu precies de tekst was die stond op het graf van haar vader, die een eind aan zijn leven had gemaakt.
Dat had ze nooit eerder verteld!
Mag je zulke momenten ontvangen als gestuurd door God? Dat je in het krachtveld van de Geest gebracht wordt bij het juiste woord op het juiste moment, als een gouden appel op een zilveren schaal (Spreuken 25:11)? Ik ben er helemaal open voor!

Gecheck
Uit het voorgaande zal helder zijn dat ik er net als Gijs Bronsveld van overtuigd ben ‘dat Christus de levende is en dat Hij ook vandaag communiceert door Woord en Geest’. Dus niet alleen dat de Heer door zijn Woord tot ons spreekt, maar ook door al dat wat we nog meer met het werk van de Geest verbinden: de hints van Gods kant, de invallen, de knipoogjes, een woord, een beeld of een lied, iets van geleid worden. Ik ben er open voor. Zo open dat de ramen van mijn geloofshuis ook rustig open mogen blijven staan. Laat maar lekker waaien, want dat past bij de Geest die waait waarheen Hij wil en geeft zoals het Hem uitkomt.
Maar precies dat laatste mis ik in het tweede deel van Bronsvelds artikel, waar je vrij onverwacht terechtkomt in een sfeer van gecheck rond het werk van de Geest. Dat zit in zinnen als: ‘Tegelijkertijd moeten we zorgvuldig afwegen of het echt van Hem komt.’ En: ‘Hoe weet iemand dan dat een woord of een beeld van God afk omstig is? Sluitende zekerheid daarover heeft de bidder niet.’ Bronsveld zegt vervolgens dat de bidder wel kan groeien in onderscheidingsvermogen op dit punt, maar concludeert: ‘Ook dan is er geen zekerheid.’ Al is het mogelijk dat er in de loop van de tijd zekerheid komt. Of niet... ‘Soms doet een beeld of woord simpelweg niets. Dan blijkt het niet van Gods Geest te zijn geweest.’ Zulke passages zijn me vreemd!
Waarom zou je het subtiele werk tussen God en mensen zo in de sfeer van de interpretatie en beoordeling trekken?
In het slot van het artikel staat: ‘Deze marge van onzekerheid komt mee in de menselijke interpretatie van wat de Geest geeft .’ Maar aan wie komt de bevoegdheid toe om een punt te zetten en de conclusie te trekken dat het blijkbaar niet van Gods Geest is geweest?
Doet dat niet schromelijk tekort aan dat wat typisch is voor het werk van de Geest: de vrijheid? De vrijheid om, met soms een heel onbenullig woord van een mens, iets heel moois bij die ander te doen? Zoals Hij dat wil en op het moment dat het Hem schikt, misschien wel vlak voordat diegene de laatste adem uitblaast, en wie weet incognito? Laat de Geest maar veel meer waaien in het ministrygebed, zou ik zeggen.

Lekker waaien
Suggereer ook niet te veel. Dat gebeurt zelfs al in zo’n bescheiden, vragende zin als: ‘Dit kwam in mijn gedachten, heeft dit betekenis voor jou?’ Het is waar: het staat altijd nog ver af van wat je in radicaal-evangelische kring kunt tegenkomen, waar iemand een directe boodschap van God voor je heeft , maar toch ervaar ik dat vragende al meer als suggestief dan bescheiden. Zeg maar gewoon wat je zeggen wil. En vertrouw er maar op dat God met een woord, een plaatje, een lied of wat dan ook hele mooie dingen kan gaan doen.
Maar houd het ver weg van elke wending die prikkelt tot refl ectie, of het wel van de Geest komt of niet... Laat staan dat er allerlei checkpoints moeten worden aangebracht.
De winst van die terughoudendheid is ook dat het geplus en gemin over ‘negatieve aanwijzingen van Gods Geest’ achterwege kan blijven. Bid en spreek met de ander in openheid en fi jngevoeligheid, in het geloof dat de Heer nabij is. That’s all.
We hoeven er bij het werk van de Geest – zoals in het ministrygebed – niet zo ‘bovenop’ te zitten. Laat het maar lekker waaien, zou ik zeggen. En geniet van al die momenten dat je denkt: ‘Daar moet Hij aan het werk zijn geweest, dat kan toch niet anders!’

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief