Gods Geest werkt dynamisch
2013-05-18
De gewaardeerde reacties van Nic Nijland en Freddy Gerkema lopen nogal uiteen. Waar Gerkema pleit voor meer vrijheid, pleit Nijland voor duidelijke lijnen. Is het dan mogelijk een duidelijke reactie te geven? De sporen lopen immers wijd uiteen. Maar in ieder geval zijn ze voor mij een stimulans om met hen na te denken over de verhouding tussen gebed en profetie en de wijze waarop de Heilige Geest daarin werkzaam is.- Jaargang 57
- nummer 10
Als door mijn uitleg van de waardevolle kanten van het ministrygebed de indruk is ontstaan dat het een vorm is die uitstijgt boven andere gebedsvormen, wil ik dat graag nuanceren. Ik heb ministrygebed gegeven met veel medebidders en zelf ontvangen van veel verschillende voorbidders. De waarde en de kracht ligt voor mij vooral in het besef dat we verkeren in de aanwezigheid van de levende God en dat we mogen verwachten dat Hij werkt. Ik geloof echt dat we elkaar mogen bemoedigen die presentie bewust te beleven, terwijl ik tegelijk geloof dat Hij altijd en overal aanwezig is. Betekent dit dat er iets speciaals moet gebeuren, zoals Nijland veronderstelt?
Nee. Meestal gebeurt dat trouwens ook niet. Het bijzondere ligt erin dat het goed is met elkaar voor Gods aangezicht te verkeren en de onderlinge gemeenschap in Christus te beleven.
Nijland maakt onderscheid tussen een gebed van een psalmdichter dat nog niet verhoord is en de zekerheid, vrede en blijdschap die hij toch al kan beleven in het heden. Ik geloof dat in ministrygebed (en niet alleen daar) juist die vrede, zekerheid en blijdschap dikwijls worden ervaren als concrete beantwoording van God. Sterker nog, het hernieuwd beleven van die vrede kan zelfs uitstijgen boven de verhoring van het concrete gebedspunt zelf. Het leven in vertrouwen op God is inderdaad de basis van ons (gebeds)leven.
Bedoelde ik te zeggen dat de voorbidder God dichterbij brengt door fysieke aanraking? Ik ga graag met Freddy Gerkema mee als hij stelt dat een voorbidder door een hand op een schouder God niet dichterbij kan brengen.
Duidelijker is om te schrijven dat de fysieke nabijheid kan helpen om Gods aanwezigheid bewuster te beleven. Dat dat bij de één wel werkt en bij de ander niet, is voor mij helder. Daarom is het ook zo belangrijk vooraf toestemming te vragen aan de betrokkene om een hand op de schouder te leggen.
Ongelijkwaardigheid
Wat bij Nijland een ongemakkelijk gevoel oproept, is dat er, zoals hij zegt, ‘een situatie van “ongelijkwaardigheid” aanwezig is. De bidders zijn in staat een persoon “bij God te brengen”, wat weerspiegeld wordt in de opstelling en in de gebedsvorm.’
Mijn reactie is dat er in iedere pastorale setting een element van ‘ongelijkwaardigheid’ optreedt. Dat is ook de reden waarom pastoraal optreden tegenwoordig terecht met gedragscodes wordt omringd.
Meer in het bijzonder ziet Nijland de ongelijkwaardigheid liggen in het feit dat de voorbidders een persoon bij God zouden brengen. Zijn reactie lezend realiseer ik me dat de metafoor van de troonzaal een eigen leven kan gaan leiden, wat ik niet beoog. Vanuit eigen ervaring kan ik zeggen dat het ministrygebed voor mij een setting is waarin ik me genodigd voel om mijn hart voor God te openen en mij te concentreren op zijn aanwezigheid. De voorbidders spelen daar zeker een positieve rol in, maar die rol zou ik niet graag met een zekere geestelijke superioriteit verbinden.
Ik weet mij op dat moment als mens voor God genodigd om mijzelf naar Hem uit te strekken.
Dynamische gave
Nijland stelt vragen over het profetisch spreken. Kan een voorbidder zomaar profetisch spreken? Hoe worden profetische gaven herkend? Het samengaan van bidden en profeteren in deze gebedsformule zou voorbijgaan aan Paulus’ onderwijs over profetie.
Voor een antwoord volg ik de exegese van Gordon Fee in Gods empowering presence. De gave van profetisch spreken is niet allereerst een statische gave, die blijvend aan enkelen wordt geschonken. Het is een dynamische gave, die zich dan hier, dan daar kan manifesteren. Gelovigen die er blijk van geven bij herhaling profetisch te spreken, kunnen dit ontwikkelen tot een bediening die kan worden beoefend in samenkomsten. De toetsing door de gemeente richt zich op hen.
Profetisch spreken kan door de dynamische werking van Gods Geest allerlei gedaanten aannemen. Wanneer een pastor in een pastoraal gesprek een rake opmerking maakt die het hart treft, waardoor iemand zich gekend of doorzien voelt, dan mogen we dankbaar erkennen dat Gods Geest daarin aan het werk is. Daar zit een profetische dimensie in. En die dimensie kan ook een rol spelen bij het noemen van een beeld, een bijbeltekst of een lied.
In dit opzicht verschillen een gewone pastorale ontmoeting en wat er gebeurt bij ministry niet wezenlijk van elkaar. In het overgrote deel van de gevallen gaat het dan niet om profetisch spreken in openbare samenkomsten, waar Paulus over schrijft in 1 Korintiers 12 en 14.
Naïeve onbevangenheid
Gerkema pleit ervoor om niet te veel te refl ecteren op het mooie dat de Geest kan ingeven met een lied of wat dan ook. Hij houdt dat ver weg van wat je in radicaal-evangelische kring kunt tegenkomen, waar iemand een directe boodschap van God voor je heeft.
Aan de ene kant spreekt de bewust naïeve onbevangenheid van Gerkema mij aan. Waar de Geest is, is vrijheid, en dat verdraagt zich niet met allerlei vormen van controle. Maar is daarmee alles gezegd? Is de afstand die Gerkema ziet tot de radicaal-evangelische kring ook helder voor een conferentiebezoeker die voor het eerst van zijn leven naar voren gaat om voor zich te laten bidden en die een beeld krijgt aangereikt? Die persoon zal zich van deze afstand minder bewust zijn. Hoe werkt dat door in hoe hij dat beeld ontvangt?
Daarom pleit Kees van der Kooi terecht voor een klimaat waarin vragen of gevoelens die bovenkomen naar aanleiding van het ministrygebed goed besproken kunnen worden.
Terughoudend
Er zitten meerdere kanten aan het profetisch spreken. Aan de ene kant het vrije waaien van Gods Geest, waar Gerkema aandacht voor vraagt. En aan de andere kant het doorgeven van profetie in de gemeente, wat vraagt om toetsing, iets waar Nijland de vinger bij legt.
Ik ga graag met Gerkema mee als hij de vragen over toetsing ver weg wil houden van het waaien van de Geest.
Aan de andere kant worden die vragen wel van belang als het gaat om de indruk bij een voorbidder dat een zieke zal genezen, of niet. Of dat iemand een kindje zal krijgen, of niet. Geef je dat wel of niet door? In de kringen van New Wine wordt hier bewust, en naar mijn mening terecht, heel terughoudend mee omgegaan. In meer radicaal-evangelische kring heb ik gezien dat dit soort woorden gemakkelijker worden doorgegeven, met alle soms schadelijke gevolgen van dien, omdat het niet bleek te kloppen.
Ik ervaar de beperking van de uitwisseling op papier over deze zaken die onze harten raken. De toon van het gesprek doet me goed en ik ben ervan overtuigd dat het laatste woord hierover nog niet is gezegd. Elkaar aanscherpen en aansporen is een mooie manier om samen met alle heiligen te ontdekken welke pijlen Gods Geest op zijn boog heeft .
Ds. Gijs Bronsveld is predikant van de NGK Doorn.