de PPR
1973-04-20
De Politieke Partij Radikalen is "in". Bij de laatste verkiezingen kwam zij van twee op zeven zetels. Is de PPR een modeverschijnsel van korte levensduur?- Jaargang 17
- nummer 16
Ook de Boerenpartij heeft een snelle opgang en een snelle neergang te zien gegeven. De PSP heeft ook wel eens heter in de markt gelegen. D'66 brokkelt af en ook DS'70 lijkt al iets af te nemen. Wie op deze wijze redeneert en del PPR alleen maar ziet als een modeverschijnsel, neemt haar bij voorbaat niet serieus. Men zegt immers bij voorbaat al: het gaat wel weer voorbij.
Veel jonge kiezers hebben op deze partij gestemd en de sympatie neemt op het ogenblik eerder toe dan af.
• Oprecht ongerust
Mensen die op de PPR gestemd hebben, tonen over het algemeen een oprechte ongerustheid over de noodsituatie die zij in de wereld ervaren. De bedreiging van het menselijk leven, ja van alle leven op aarde, grijpt hen aan. Het élan en de radikaliteit van de PPR-woordvoerders spreekt hen aan en maakt hen enthousiast. De woordvoerders van de christelijke partijen maken zo'n matte indruk. Daar zit zo weinig overtuigends in.
Dán het PPR-programma!
Daarin wordt gepleit voor een aktieve vredespólitiek: geen atoomwapens van de NAVO op nederlands grondgebied. Anders uit de NAVO.
Een aktieve loon- en vermogenspolitiek teneinde een rechtvaardiger welvaartsverdeling te bereiken.
Meer en effektiever hulp aan de landen in de derde wereld.
Krachtiger aanpak van de milieuverontreiniging.
Mensen, die maatschappelijk in de knel zitten, moeten meer geholpen worden: opruimen van krottenwijken, herziening van de krijgstucht, meer salaris voor dienstplichtigen en werkende vrouwen. Meer aandacht ook voor de problemen van de werkende jeugd, gastarbeiders, geestelijk en lichamelijk gehandicapten.
Meer en snellere demokratisering in universiteiten, scholen, bedrijven, en in het leger.
Meer openbaarmaking van de jaarstukken van bedrijven en gedeeltelijke opheffing van besloten vennootschappen.
Geen kombinatie van openbare funkties, zoals bijv. die van burgemeester en Kamerlidmaatschap.
Er is veel meer te noemen uit het PPRprogramma.
Verschillende punten uit dit programma beoordeel ik positief. De ongerustheid over de problemen van onze tijd deel ik ten volle. Het probleem is echter of de PPR oog heeft voor de oorzaken en de juiste aanpak van deze problemen. Vanuit welke denkwijze of maatschappij visie beoordeelt zij deze zaken? Met welke argumenten werkt zij om dit alles aan te pakken?
• Iets over het ontstaan
Na de verkiezingen van februari 1967 bleek, dat de christelijke partijen met de VVD een kabinet gingen vormen. Half maart schreven een aantal antirevolutionairen een brief aan het hoofdbestuur van hun partij.
Zij schreven er spijt van te hebben op de ARP te hebben gestemd. Deze spijtstemmers hadden gehoopt op een samenwerking met de PvdA.
In 1967 schreef Bas de Gaay Fortman: "Het zou (... ) onverstandig zijn, louter op basis van een vergelijking van partijprogramma's zijn stem uit te brengen". Het is immers ondoenlijk t.a.v. elk politiek probleem een gefundeerd oordeel te vormen. "Men stemt op een partij welker beginselen men onderschrijft, in welker sfeer men zich thuis voelt en waarvan men de leiders vertrouwt." Deze geestelijke verwantschap moet gepaard gaan aan een gelijke opstelling t.a.v. allerlei praktische problemen.
Het lijkt er op, dat Bas de Gaay Fortman hier pleit voor een beginselpartij. Dit is echter niet het geval. Het gaat hem om een duidelijke opstelling t.a.v. konkrete politieke vraagstukken.
Daarom heeft hij bezwaren tegen de doorbraak naar de PvdA zoals in 1947 werd bepleit.
Men riep toen de mensen weg achter de christelijke beginselpartijen en riep hen op zich aan te sluiten bij een andere beginselpartij, nl. de socialistische.
Bas de Gaay Fortman en andere christenradikalen pleitten in 1967 reeds voor een bepaalde houding of opstelling t.a.v. politieke problemen. Een konkreet partijprogram is daarvoor noodzakelijk De PPR is daarom geen beginselpartij, maar een programpartij.
Anderzijds beseft Bas de Gaay Fortman terdege, dat vergelijking van partijprogramma's niet altijd zinvol is. Deze programma's zijn vaak nogal vraag geformuleerd en niet in details uitgewerkt. Men kan met mooie formuleringen de kiezers zand in de ogen strooien. Om dit probleem te vermijden spreekt De Gaay Fortman toch over het letten op beginselen, het je in een partij thuisvoelen en over het vertrouwen hebben in de leiders van de partij. Dit zou betekenen, dat de PPR een partij met een bepaalde overtuiging of inspiratie en met een bepaalde maatschappij beschouwing wil zijn. Wanneer een partiiprogramrna-op-zich al niet voldoende is om een partijkeus te maken, dan zal men toch vertrouwen van de kiezers moeten vragen op grond van de gedachtengang die aan het program ten grondslag ligt? Dit zou echter weer pleiten voor een beginselpartij en dat willen zij juist niet.
Daarom leggen de politieke radikalen de nadruk op een zo duidelijk mogelijk uitgewerkt partij program (Vergel. B. de Gaay Fortman, W. in 't Veld - Christen-radikaal.
Uitg. Paul Brand en Kok 1967.)
• De groep Aarden
In februari 1968 traden drie leden uit de KVP-fraktie. Mej. Annie Kessel en de heren Paul Jansen en Jacques Aarden vormden in de Tweede Kamer een aparte groep. De zgn. groep-Aarden.
Het zijn deze ex-KVP-ers en anti-revolutionaire spijtstemmers geweest, die tijdens een kongres in Dronten de PPR hebben opgericht (27 april 1968).
De oprichters hebben er in het begin vaak de nadruk op gelegd, dat zij christen-radikalen waren. Zowel de eerste voorzitter van de PPR, oud-minister Bogaers, als Aarden en Jurgens hebben meermalen gezegd, het Evangelie onmisbaar te vinden voor hun politiek handelen. Dit geldt echter alleen voor hen persoonlijk en voor andere christenen in de PPR, maar niet voor de partij als zodanig!
Binnen de partij is plaats voor. mensen met verschillende levens- en maatschappij beschouwingen, die toch tot een gelijk gerichte politiek komen. Christenen, socialisten en mensen die uit een andere inspiratiebron putten, hebben binnen de PPR een gelijkwaardige plaats. Deze mensen worden saamverbonden d.m.v. het partijprogram. waaruit een bepaalde houding, een positiekeus t.o.v. allerlei aktuele vraagstukken moeten blijken.
De PPR wil samenwerking met partijen, die het op programmatische punten met haar eens zijn. Hiervoor komen de PvdA, de ARP (richting Berghuis, Boersma) en D'66 het eerst in aanmerking. De PPR heeft voor de laatste verkiezingen een appèl gedaan op PvdA, D'66, PSP en CPN om tot een gezamenlijk regeerakkoord te komen. Samenwerking met de christelijke partijen werd bij voorbaat zonder meer afgewezen (Vergelijk: Radikalenkrant no. 2, 1968 en sept. 1972).
Tijdens het laatstgehouden PPR-kongres werd ook duidelijk voor de polarisatie gekozen.
Het kongres verzocht haar Kamerfraktie te komen tot een konfrontatie tussen de "progressieve" frakties en de rest van het parlement en vooral geen kompromis te sluiten bij de kabinetsformatie (vergelijk: PPR-aktiekrant, maart 1973).
Met dit standpunt wordt de parlementaire demokratie m.i. ernstig bedreigd. Partijegoïsme en groepsbelangen dreigen de overhand te krijgen. Men verabsoluteert de eigen positie en zet zich systematisch af tegen andere partijen. Men wordt gedwongen zich voortdurend op eigen bastion terug te trekken.
Het absoluut stellen van het eigen programma heeft tot onvermijdelijk gevolg, dat andere partijen negatief beoordeeld worden.
Men sluit de samenwerking bij voorbaat uit.
Een onmogelijke zaak in onze parlementaire demokratie en zeer ongezond voor het aanpakken van de aktuele politieke vraagstukken.
• PPR geen christelijke partij
De PPR wil dus duidelijk geen beginselpartij zijn, omdat het niet gaat om levensbeschouwelijke beginselen, maar om konkrete beleidspunten, Tijdens haar oprichtingskongres sprak zij uit geen christelijke partij te willen zijn.
Hoewel het Evangelie voor verschillende individuele leden belangrijk kan zijn, is dit voor de partij in haar geheel niet het geval (Vergl. Radikalenkrant no. 2 1968 en nov. 1972).
Christelijke partijen en christelijke politiek bestaan volgens het PPR-Tweede-Kamerlid Erik Jurgens helemaal niet. Zij kunnen zelfs niet bestaan. Hij vindt het woord "christelijk" pretentieus. Hij interpreteert het (ten onrechte) als zijnde volmaakt.
In een interview met dr G. Puchinger (Hergroepering der politieke partijen, blz. 589) zegt de heer Jurgens: "Wanneer je spreekt van een christelijke politiek of van een christelijke partij, dan zeg ik: dat is misbruik van de term christelijk, immers het enige wezen dat althans kan "proberen" christelijk te zijn, is (... ) de mens."
Ook zegt hij in dit interview, dat iemand best navolger van Christus kan zijn, hetgeen een bepaalde levenshouding vergt.
Het is jammer, dat de heer Jurgens op grond van misverstanden en een verkeerde interpretatie, het woord christelijk niet wil gebruiken. Dit woord heeft niet te betekenis van een pretentie, van volmaaktheid of van "wij weten het". Het heeft echter alles te maken met wat hij zelf noemt: navolger van Christus willen zijn. Het is inderdaad "proberen".
Het heeft betrekking op een intentie. Dat wij deze intentie of drijvende overtuiging bij haar naam noemen door te verwijzen naar het willen navolgen van Christus, is een kwestie van duidelijkheid. Het is tegelijk een kwestie van zelfkritiek.
Bas de Gaay Fortman kan nog zo vaak zeggen, dat het op de daden van een partij aankomt, de PPR blijft als partij het antwoord schuldig op de vraag vanuit welke denkwijze, maatschappij visie of argumentatie zij tot deze of die opstelling komt. (Vergl. Radikalenkrant, april 1971.) Het partij program spreekt krachtige taal, maar de afwezigheid van een gemeenschappelijke partijbasis is zijn zwakte.
Volgende week nog iets over dit onderwerp.