Galiléa - dáár zult gij Hem zien
1973-04-27
Met onmiskenbare nadruk, wel tot viermaal toe, noemt de evangelist Mattheüs Galiléa als plaats van ontmoeting van de opgestane Here met zijn jongeren. De eerste maal is het Jezus zelf, die, voor zijn sterven nog, een aanwijzing daaromtrent geeft, direct na dat donkere woord over de herder die geslagen en de schapen die verstrooid zullen worden. "Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galiléa." In het opstandingsverhaal is het de engel, die in zijn boodschap aan de vrouwen bij dit woord van Jezus practisch letterlijk aansluit: "En zie, Hij gaat u voor naar Galiléa; daar zult gij Hem zien." En even later horen wij hetzelfde weer uit Jezus' eigen mond, als Hij tot deze vrouwen zegt: "Weest niet bevreesd.- Jaargang 17
- nummer 17
Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galiléa gaan, en daar zullen ze Mij zien." Tenslotte wordt dan bericht, dat de jongeren inderdaad deze aanwijzing opgevolgd en Jezus dn Galiléa ontmoet hebben, op "de berg, waar Jezus hen bescheiden had."
Drie dingen nu over dit opmerkelijk gegeven.
In de eerste plaats moet het voor de leerlingen belangrijk zijn geweest, dat de engel en de opgestane Heer zelf bij zo'n concreet woord van vóór de scheiding aanknoopten.
Een steun voor hun geloof moet dat betekend hebben. Galiléa werkte als een soort wachtwoord, waaraan de jongeren de opgestane Heer mochten herkennen. Tegelijk klonk het hun als een signaal van herverzameling in de oren, na de donkere dagen van de verstrooiing, Alleen hierdoor al krijgt Galiléa voor Gods volk een liefelijke klank.
Het is een woord, dat in alle verstrooiing en verwarring het perspectief open houdt op de opgestane Heer, die zijn kudde in de nood der tijden vasthoudt, doorleidt en herverzamelt.
Gods volk en Gods kinderen krijgen in de beproeving, waarin de satan ze zift als de tarwe, altijd woorden mee, waaraan zij de terugkerende herder zullen kunnen herkennen.
En eens, in het Galiléa dat boven is, zullen wij Hem zien, gelijk Hij is.
Maar er is meer. Galiléa is de naam van de landstreek, gelegen in het noorden van Palestina, waar onze Heer de langste tijd van zijn leven op aarde gearbeid heeft. Mattheüs heeft deze landstreek ergens in zijn verhaal (hfst. 4) het Galiléa der heidenen genoemd, - een naam die hij vond in de profetie van Jesaja (hfst. 8). D.w.z. Mattheüs, de evangelist voor de joden, heeft er de vinger bij gelegd, dat Jezus, die toch gezonden was tot de verloren schapen van het huis Israëls, zijn domicilie en werkterrein niet gekozen heeft in het centrum van Israël, Jeruzalem, maar aan de rand, in een gebied, dat door de joods-publieke opinie niet helemaal serieus genomen werd, omdat er zoveel heidenen woonden. Voor Mattheüs heeft Galiléa iets dubbelzinnigs: het behoort nog tot het gebied van Israël, maar het is tegelijk landstreek der heidenen.
Wanneer nu de Heiland dit Galiléa aanwijst als de plaats, waar Hij als de opgestane de zijnen wil ontmoeten, dan proeft Mattheüs daar een beweging in, weg van het centrum, Jeruzalem, vandaan, naar de wereld der volkeren.
Het is dan ook in Galiléa, dat Jezus de jongeren uitzendt: "Gaat heen, maakt alle volken tot mijn leerlingen ... " Dit is niet toevallig, vindt Mattheüs, dit heeft er van meet af aan al ingezeten, toen Jezus bewust dit Galiléa der heidenen als zijn werkterrein koos.
Leerzaam is in dit verband de vergelijking met Lucas, de evangelist uit en voor de heidenen, die opvallend Jeruzalem noemt als de plaats, waar de opgestane Heer aan zijn leerlingen verschenen is. Zelfs het verhaal van de Emmaüsgangers, dat er mee begint te vertellen, hoe twee leerlingen op de dag van de opstanding zich van Jeruzalem verwijderen, laat Lucas eindigen met de terugkeer van de twee naar Jeruzalem. Dat geeft een opmerkelijk accent-verschil.
Lucas is de heiden, die het joodse volk wil eren, want de z.a1igheid is uit de Joden. Mattheüs is de jood, die zijn volk wil bepalen bij zijn oorspronkelijke roeping: een zegen te zijn voor de volkeren. Hier wordt een hartverwarmende rivaliteit zichtbaar in de gemeente rondom het opstandings-evangelie. De gemeente breekt niet stuk, omdat ieder het eigene benadrukt en daarmee aan de haal gaat, maar kruiselings dankt ieder God voor het eigene, dat aan de ander geschonken is.
"Ik dánk God, zo dikwijls ik bij mijn gebeden uwer gedenk" - dàt is de stemming, en niet enkel: "Ik ben bezorgd, zo dikwijls ik bij mijn gebeden uwer gedenk." Zou dit zich niet lenen voor tussenkerkelijk en binnenkerkelijk gebruik? Vergeet niet, dat in de tijd, waarin de evangelisten schreven, bij gelovigen uit de joden en uit de heidenen over en weer reden tot verontrusting was. Het leerzame is, dat deze verontrusting het denken van Mattheüs en Lucas blijkbaar niet overheerst heeft.
Maar er is nog iets. Galiléa is dus het woon- en werkgebied van de Heiland geweest.
Daarin heeft Mattheüs vervulling van tie profetie gezien: "Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galiléa der heidenen: het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan" (Matth. 4 en Jesaja 8 en 9). Land des doods - zo wordt hier het prachtige landschap van Galiléa getypeerd. alsof het om het gebied rondom de Dode Zee gaat. Waarom?
Omdat Galiléa in vroeger tijden als één der eerste gebieden voor Israël verloren gegaan en door heidenen bezet en bewoond gebied is geworden. Vanwege het leven en licht dat er wàs, toen het tot het heilige erfdeel behoorde, heet het een land van dood en duisternis vanwege de overspoeling door het heidendom.
In deze zin staat Galiléa model voor heel de wereld. Daarin was leven en Echt, toen zij geschapen werd, maar door de val in zonde is het een wereld van dood en duisternis geworden. Nu was aan dit Galiléa een groot licht beloofd. En Mattheüs ziet deze belofte in vervulling gaan, als Jezus zich daar vestigt en zijn arbeid begint. Maar toch heeft de 'Heiland het volle licht tijdens zijn aards verblijf daar niet kunnen laten schijnen. Zijn optreden was gekenmerkt door zelfverberging, door een incognito, dat Hij voor zijn jongeren slechts sporadisch aflegde. Had Galiléa uit kracht van de oude belofte niet recht op méér? Moest er niet nog een manifestatie komen van Hem, die door de opstanding uit de doden krachtig bewezen was, Gods Zoon te zijn? En daarom zegt Jezus: "Ik ga u voor naar Galiléa, en daar zult gij Mij zien."
Ik denk nu aan al het onderwijs, dat de Meester in Galiléa aan zijn leerlingen gegeven had, bij voorbeeld in de Bergrede. "Gij zijt het zout der aarde". "Gij zijt het licht der wereld". "Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der Schriftgeleerden, zult gij het koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan." "Hebt uw vijanden lief en zegent wie u vervolgen." "Indien gij de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven." "Gij kunt niet God dienen en Mammon." "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt." Dit alles is in Galiléa gezegd, maar is het door deze woorden op zichzelf daar nu licht geworden en levend? Hij had weliswaar als machthebbende gesproken, maar waren het toch geen dingen, die bij de mensen onmogelijk waren?
Nog eenmaal wilde de Here Christus daar ter plaatse, ook op een berg (dezelfde als die van de Bergrede?), zeggen, dat Hij niet maar macht, maar àlle macht gekregen had in hemel en op aarde en dat wat bij de mensen onmogelijk was, nu mogelijk zou zijn bij Hem. Ik bedoel aan het voorbeeld van de Bergrede te laten zien, dát wij door de verwijzing naar Galiléa in het paasevangelie uitgenodigd worden, het hele evangelie nog eens opnieuw te lezen, maar nu in Opstandingslicht.
Pas zó wordt het 't grote licht, dat aan Galiléa en aan de wereld beloofd was.
De Bergrede zonder opstanding, dat is Galiléa zonder licht. De wonderen van de Zaligmaker zonder opstanding, dat is Galiléa zonder leven. Dan blijft het nog land in de schaduw des doods. En dat geldt niet alleen voor Galiléa.