Een "grondbeginsel" der A.R.P.*

1973-04-27
  • Jaargang 17
  • nummer 17
In een vorig artikel heb ik iets gezegd van Kuypers Gemene-Gratie-theorie.
We hoorden toen hoe Kuyper poneerde dat kerk en staat aan elkander "vreemd" zijn, dat er een "tegenstelling" tussen die beide bestaat. Nog wel een "principiële", één die tot in "de diepste wortel" van beider leven doordringt.
Die "tegenstelling" vond haar oorsprong daarin dat de staat zijn uitgangspunt heeft in "de bestaande natuur" die door Gods "gemene gratie" wordt in stand gehouden, terwijl de kerk haar uitgangspunt heeft in de "particuliere", de "zaligmakende" genade.
Nu die "gemene gratie" (of “gemene genade") in de "natuur", in het geschapene, in het ganse schepsel, is ingegaan is die "natuur" een zelfstandige instantie, een eigen "terrein", dat vóór en onafhankelijk van de in Christus geopenbaarde bizondere, verlossende genade bestaat. Die "natuur" is het "terrein" waaruit de staat "opkomt".
In die "natuur" komt nu ergens de "bizondere genade" die in Christus wordt geopenbaard indringen en daardoor ontstaat de gemeenschap der gelovigen, de kerk. Maar - buiten de kerk is er in de kosmos niets dan het “terrein", het "erf", van de door de "gemene gratie" in stand gehouden natuur.
En daarop stoelt de staat.
Men zou deze constructie kunnen voorstellen door twee concentrische cirkels. De buitenste, de grootste, geeft dan aan het "terrein" van de door de "gemene gratie" in stand gehouden "natuur". De binnenste cirkel het gebied van de "bizondere genade" die zich belichaamt in de kerk.
Nu zijn er in Kuypers denken ook andere motieven dan die van de "terreinen" der "gemene gratie" en "bizondere genade".
Maar speciaal die "twee-terreinen-leer" is zeer diep in het leven en denken van de gereformeerde volksgroep doorgedrongen. En ze heeft met name het politieke denken van Kuypers volgelingen beslissend beïnvloed.
Het is met Kuypers gemene-gratie-theorie gegaan zoals het dikwijls met bepaalde concepties van grote denkers gegaan is. Men ziet namelijk vaak dat de epigonen van een denkreus een bepaald denkmotief van de door hen gevolgde leidsman a.h.w. uit het geheel van diens beschouwingen uitlichten en op zichzelf stellen. Terwijl zo'n conceptie bij de oorspronkelijke denker wordt begrensd en gecorrigeerd door andere motieven, is dat bij de epigonen niet meer het geval.
Ze gaan om zo te zeggen met een onderdeel van wat de door hen gevolgde leider leerde aan de haal en laten zich in denken en doen vooral dáárdoor beheersen! 1) Zo ging het nu ook met de zojuist aangeduide gemene-gratie-conceptie van Kuyper.
Die werd in het officiële gedenkboek van de ARP uit 1928 zelfs als derde "grondbeginsel" van die partij omschreven naast "De Heilige Schrift Gods Woord ook voor het Staatkundig Leven" en "Gods absolute souvereiniteit".
Wat daarvan in dat boek gezegd wordt wil ik nu kort samenvatten.

tweeërlei werking van de "gemene gratie"

Toen de mensheid in het paradijs van God afviel, radikaal bedorven werd, en de vloek des HEEREN als een verwoestende kracht het leven der mensheid binnendrong, liet God een "genadige werking" tot heel de mensheid uitgaan.
Deze "genade Gods" omvatte het gehele menselijke geslacht. Daarom heet ze ook "gemene gratie" of "algemene genade".
Door de inwerking van deze "genade" kwam er "tweeërlei tempering in de energie van de zonde. De éérste richtte zich op de wereld der geesten, die van de gevallen engelen, De andere hield een te sterke ontkieming van de in de mens inwonende zonde tegen. Bovendien werden ook de gevolgen van de zonde in de vloek, de algemene vloek welke na de val de wereld trof, getemperd.
En dat geschiedde zo dat God met zijn "gemene gratie" zowel de ellende in ons inwendige als in ons uitwendige leven stuitte.
De intoming van de zonde maakte een leven in burgerlijke goedheid mogelijk, de weerhouding van de ellende verhinderde de ondergang van de menselijke samenleving.
Maar deze "gemene gratie" stuit niet alleen de volle doorwerking van de zonde en haar gevolgen in het leven van mens en mensheid - ze heeft bovendien en vooral een nog veel grootser effect. Want ze brengt het menselijke leven en samenleven ook successief tot rijker en voller ontplooiing. Zo is er dus tweeërlei werking van de "gemene gratie".
Vooreerst een repressieve. In zoverre namelijk als ze de macht van de zonde in het hart van de mensen en de vloek waardoor mens en wereld getroffen wordt in hun doorwerking stuit.
Maar bovendien heeft de "gemene gratie" ook nog een progressieve werking. Door haar wordt het namelijk mogelijk dat het menselijk leven en heel het wereldleven zich steeds verder ontplooit en de mens als instrument en medewerker Gods ontreedt.

• velerlei openbaring van de "gemene gratie"

Deze 'gemene gratie" doordringt en beheerst het menselijk leven nu geheel en al en openbaart zich in de historie daarvan op allerlei wijze.
Er werkt "gemene gratie" in het menselijk leven overal waar burgerlijke gerechtigheid, huiselijke zin, natuurlijke Liefde, scherping der publieke consciëntie, rechtschapenheid en trouw onder de mensen, een zekere algemene godsdienstigheid gevonden wordt. Er werkt ook "gemene gratie" in het uiterlijke van het mensenleven: in voeding en opvoeding, in kleding en woning, in licht en warmte, in scheepvaart en industrie. Kortom, in alles wat het leven onderhoudt, glans bijzet, op hoger peil brengt en veredelt.
Er is openbaring van Gods "gemene gratie"
als de macht van de mens over de natuur toeneemt; als uitvindingen ongedachte mogelijkheden van communicatie werkelijkheid maken; als er krachtsontwikkeling is in de werken des vredes; als in de oorlog heldenmoed openbaar wordt; als wetenschappen de kennis verrijken, vooral ook omtrent de middelen welke leed en ellende kunnen verzachten; als de kunst bloeit; als de geriefelijkheden en de geneugten zich vermenigvuldigen; als wet en orde heersen; kortom als er van het beeld des levens steeds meer bekoring uitgaat.
Al deze werkingen van de "gemene gratie", hoezeer ze ook samenhangen en een eenheid vormen, gaan evenwel niet alle gezamenlijk en tegelijk met elkaar op en neer. Zo kan b.v. in de verstandelijke ontwikkeling van een volk de gemene gratie nog zeer krachtig werken, terwijl ze zich uit het zedelijke leven van dat volk reeds bijna heeft teruggetrokken.
Ook is de openbaring van de "gemene gratie" niet bij alle volken even krachtig, Principieel evenwel grijpt de "gemene gratie" het ganse schepsel, zoals dat door God in het aanzijn werd geroepen en daarna door de zonde bedierf', áán en conserveert dat om het tevens tot rijker ontplooiing te leiden. En ze werkt op die wijze zowel in de natuur" als in de mens en de gehele menselijke gemeenschap.
Dit is iets van de "gemene gratie".
En zoals reeds gezegd werd is de staat de organisatie die geheel en al uit de gemene gratie opkomt. Hij is er uitsluitend om der zonde wil en staat ook geheel en al in dienst van de "gemene gratie". Hij is bij uitstek het instrument waardoor God de "repressieve" en ,”progressieve" werking van de gemene gratie tot de hoogst mogelijke intensiteit wil opvoeren.

particuliere genade en kerk

In het scheppingsleven zoals dat door de zonde bedorven, door Gods vloek verwoest maar tegelijk ook door de "gemene gratie': geconserveerd en ontplooid wordt, dringt evenwel ook nog een nieuwe, een geheel andersoortige genade binnen.
Dat is de "particuliere", de "zaligmakende" genade.
Deze wordt alleen in Jezus Christus, in Zijn kruis en opstanding, geopenbaard. Die gaat met tot alle mensen maar alleen tot de uitverkorenen uit. Ze wordt uitsluitend en alléén ontvangen door het geloof en ze bewerkt de wedergeboorte. Ze omvat de vergeving der zonde en de vernieuwing van het leven, kortom het volkomen en eeuwige heil.
Deze "particuliere genade" vóóronderstelt de "gemene gratie". De Laatste is de basis van de eerste. Waar deze particuliere genade haar intrek neemt, grijpt ze de gehéle mens aan, maakt hem tot een verloste tot een kind van God. Evenals de gemene gratie roept nu ook de particuliere genade een eigensoortige "organisatie in het leven. Die organisatie is de kerk. Zoals de kerk haar ontstaan dankt aan de "particuliere" genade, zo vindt ze ook uitsluitend in deze genade haar domein.
De kerk is de aanvang van de nieuwe mensheid. In haar is in principe het paradijsleven hersteld. En zij vertoont, zij het ook nog maar alléén in beginsel, het leven van het nieuwe en eeuwige paradijs.
Omdat de particuliere genade om der zonde wil in de wereld intrad, is ook de uit haar opgekomen "organisatie", dus de kerk als zodanig om der zonde wil in het leven geroepen.
Zo staan dus de staat als de organisatie die uit de gemene gratie "opkomt" èn de kerk die uit de particuliere genade "opkomt" tegenover elkaar.
En, om nog eens de woorden van Kuyper te gebruiken, al het verschil dat tussen de "gemene gratie" en de "particuliere genade" gaapt, ontvangt een concrete gestalte in het wezensverschil dat tussen de staat en de kerk bestaat.

• "uitstraling" van de particuliere genade

Er moet evenwel nog wat over die "gemene gratie" en de "particuliere genade" en de relatie tussen die beide worden gezegd.
Het is namelijk zó, dat de particuliere genade, zoals die in de uitverkorenen wordt gerealiseerd en in de kerk de gemeenschap heeft waarin ze belichaamd is, ook een veel wijdere invloedssfeer bezit.
Zoals ik reeds zei heeft die genade een zekere "uitstralingskracht". Waar die genade optreedt wordt - ook en juist buiten de kerk als gemeenschap der gelovigen - de werking van de "gemene gratie" in de samenleving krachtig bevorderd en dus het peil van het mensenleven verhoogd. Het licht dat van de particuliere genade uitstraalt is een "middel" waardoor de "gemene gratie" haar "repressieve" en "progressieve" werking opvoert. Ze is het mogelijk dat het mensenleven ook buiten de gemeenschap van de uitverkorenen hier meer, daar minder, nog iets van de adel van het christendom vertoont. Maar hoe verder dat leven van de gelovende christenheid afstaat en afgaat des te minder zal zich die veredelende invloed van de particuliere genade doen gevoelen.
Ten gevolge van deze stand van zaken kon men spreken van een "christelijk" Nederland, een "christelijk" Europa, een "christelijke" cultuur enz.
Maar er zijn ook grote massa's mensen, ja, gehele volken, die nooit met de "particuliere genade" zoals die in het Evangelie wordt geopenbaard in aanraking zijn gekomen. Die "genieten" alleen van de "gemene gratie".
Dit is met enkele schetslijnen getekend het beeld van de gemene ... gratie-theorie zoals die in de Anti-Revolutionaire-Partij gangbaar werd.
En - dat feit is nog van grote actualiteit.



*) Voor veertien dagen plaatste ik een artikel met het opschrift "Rondom het G.P.V.". Het was mijn bedoeling onder dit opschrift enkele artikelen te schrijven over de huidige situatie van de z.g. "gereformeerde gezindte". Ik laat nu het genoemde opschrift weg. Want ik zal proberen van elk geprojecteerd artikel een afgerond geheel te maken.

1) Zoals gezegd werd, komen in Kuypers conceptie van een "calvinistische levens; en wereldbeschouwing"
nog andere motieven voor dan dat van de boven omschreven “gemene gratie". Motieven die zelfs daarmee strijden. Men zie daarover vooral de studie van prof. Zuidema in "Anti-Rev. Staatkunde" 24 (1954) 1-20, 49-74.
"Gemene Gratie in Pro Rege bij dr Abraham Kuyper". Een engelse vertaling werd opgenomen in "Communication and Confrontation, p. 32 v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief