Gaan in het spoor van het Oude Testament

2005-07-01
  • Jaargang 49
  • nummer 13
De bijbel lezen vanuit ethisch perspectief, in het besef dat de inhoud je niet komt aanwaaien. Zo is prof. Doumavan 1970 tot 1997 hoogleraar aan de Theologische Universiteit in Kampenbezig met zijn bijbelse marathon. Drie lezenswaardige deeltjes zijn inmiddels verschenen en er is ook een website gewijd aan deze reeks. Daar vind je o.a. meditaties en een cursusaanbod, waaraan ook de schrijver ds. Adrian Verbree meewerkt (zie: http:// www.gaaninhetspoorvandebijbel.nl).

Genesis
Het boekje over Genesis is een soort twee-luik, met eerst het een en ander over ‘schepping en zondeval' gevolgd door ‘de geboorte van Israël'. Bij het eerste deel gaat Douma in op thema’s als het eigene van de bijbelse beschrijving van de schepping (tegen de achtergrond van wetenschappelijke resultaten) en de typering van de mens als beeld van God (sterk relationeel ingekleurd). Prikkelend is een onderwerp als ‘de goede schepping’, waarbij je geconfronteerd wordt met een wereld vol geheimen (niet zonder dreiging!) en de vraag of de dood een plek had in de goede schepping. Het tweede thema - over de aartsvaders van Israël - is globaler behandeld, maar ook daarin vind je mooie gedachten over verkiezing, isolement, vreemdelingschap en de ontvouwing van zulke motieven in het Nieuwe Testament.
Douma schrijft glashelder. Echt een boekje ter verdere doordenking voor wie dit bijbelboek persoonlijk of in kringverband leest.
Jochem Douma, Genesis; Kok, Kampen 2004; 107p. 10,00.

Van Egypte naar Kanaan
In de opening van de tweede aflevering van de serie ‘gaan in het spoor van het Oude Testament’ maakt Douma een aardige vertaalslag door ‘Ik ben die ik ben’ even neer te zetten als ‘Ik doe wat ik doe’. Je hoort zo nog scherper het soevereine in Gods bevrijdingswerk.
En tegelijk is zo’n zin al lezend in Exodus (en verder) een krachtige belofte: de Farao kon God niet tegenhouden, wie wel - als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn (Romeinen 8)? Ruim de helft van dit boekje is geconcentreerd op de tien geboden. Elk gebod krijgt compact de aandacht, waarbij Douma allerlei verbindingslijntjes trekt naar de rest van het Oude en richting het Nieuwe Testament. Om er een enkele uit te lichten: het vijfde gebod staat volgens de voormalige hoogleraar als eerste in het teken van de ouderenzorg - zoals Jezus het later ook bediscussieert met de Farizeeën (Marcus 7:9-13). Maar je ziet het in het Oude en Nieuwe Testament ook terug in zijn betekenis voor de verhouding van jongere kinderen en hun ouders (zoals Paulus laat merken in zijn aanwijzingen aan het slot van de brieven).
Dat God met de geboden ook echt de vernieuwing van onze gezindheid beoogt merk je met name bij het tiende gebod - ‘je zinnen (niet) zetten op’.
Met alleen de letter van de geboden ben je er niet (denk ook aan Jezus en de bergrede)!. Het laatste kwart van het boekje is gewijd aan ‘de heilige God en het heilige volk’, waarbij Douma ingaat op de offer- en reinigingswetten. Een van de dingen die me opviel was dat in de bijbel - sterker dan wij dat doen - de objectieve kant van de schuld benadrukt wordt. Ook al is de intentie van de zondaar goed en is hij zich van geen kwaad bewust, dan nog ligt er schuld die verzoend moet worden. Onder de ‘daadkant’ van de zonde met alle gevolgen, kom je dus niet zomaar uit - ondanks alle goede bedoelingen.
Boeiend vond ik, al lezend over de verhouding tussen God en zijn volk, dat er zo’n verschil in strengheid is tussen de tijd vóór en na de Sinaï.
Aanvankelijk is Gods reactie op het gemopper van het volk vrij mild, maar na de wetgeving op Sinaï verandert dat. En zo is er meer te noemen. Bijvoorbeeld dat de achtergrond van de (cultische) onreinheid heel divers is. Soms is het te verbinden met de dood, maar lang niet altijd.
Jochem Douma, Van Egypte naar Kanaän; Kok, Kampen 2004; 153p.12,50

Van Jozua tot Salomo
Dat Douma er goed de vaart in heeft blijkt wel uit de verschijning van het derde deeltje begin dit jaar. Het is op dezelfde leest geschoeid als de eerste twee deeltjes. Wel merk je dat er in dit deel een grote tijdspanne overbrugd moet worden, zodat je langere gedeelten hebt waarin een schets wordt gegeven van de gang van de gebeurtenissen. De ethisch getinte bespiegelingen, vaak ook verdiept in de kleine letters, zijn schaarser vergeleken met de eerste twee delen. Dat neemt niet weg dat er genoeg boeiende momenten zijn, verhelderend en soms prikkelend. Heel aardig vond ik hoe Douma uit een aantal preken over Richteren en Ruth (o.a. die van Holwerda, Schilder en Vonk) de kritische kanttekeningen opdiepte, die de prekers ongevraagd bij de personages uit die bijbelboeken hadden geplaatst. Er is op het eerste oog ook van alles aan te merken op richters als Gideon, Jefta en Simson en ook op vrouwen als Noömi en Orpa. Maar toch is het opvallend hoe snel je met 20e of 21e eeuwse vooroordelen de bijbel zit te lezen! Niet minder opvallend is het, dat in de bijbelse beschrijving de morele kanttekeningen vaak afwezig zijn of uiterst summier. Een mooi leermoment, ook voor onze relaties in het hier en nu, zo dacht ik. Een goede gedachte vond ik dat er bij de waaroms van lijden en verdriet vaak maar weinig antwoorden gegeven worden.
Douma zegt er iets over naar aanleiding van de dood van de eerste drie mannen in het boek Ruth. Hij wijst er vervolgens op dat God zo’n pijnlijke periode soms weer een onverwacht vervolg (nieuwe taak) geeft, zonder dat de bittere vragen van eerder zijn opgelost.
Zo zijn er meer verhelderende opmerkingen, ook rond Gods weg met Saul en David, en over de profeten, die Douma ziet als tegenwicht tegen de koningen van Israël. Terugkijkend kan ik zeggen dat ik de drie deeltjes geboeid heb gelezen. Douma schrijft heel helder en gaat ook niet voorbij aan de vragen, die in je opkomen als je zit te lezen in het Oude Testament.
Hij is daarmee een goede compagnon voor wie deze bijbelboeken leest.
Jochem Douma, Van Jozua tot Salomo; Kok, Kampen 2005; 127p. 10,00

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief