Paulus' brief aan de Galaten

1973-05-05
  • Jaargang 17
  • nummer 18
Inleiding

Wie zo gelukkig is de verklaring van deze brief van Luther in bezit te hebben, moet die zeker bij deze Bijbelstudie gebruiken. Er bestaat een uitgave van het jaar 1964 door Lindenberg's Antiquariaat en boekhandel te Rotterdam.
Luther geeft daarin de raad eerst de brief in zijn geheel te lezen. Een behartigenswaardige raad, die trouwens ook voor andere brieven en boeken uit de Bijbel geldt. Onze manier van Bijbellezen, bij stukjes en beetjes, is maar al te geschikt om het verband kwijt te raken. Ook om het geheel van een Bijbelboek uit het oog te verliezen. Pas als eerst héél de brief gelezen is, is het mogelijk goed de onderdelen te waarderen en tot ons te laten doordringen.
Bij het aandachtig doorlezen van heel de brief wordt het direct duidelijk dat het in deze brief gaat om de rechtvaardiging door het geloof alleen. En "indien wij het Artikel van de Rechtvaardigmaking kwijt zijn, of misvatten, zo is tegelijk verloren de ganse Christelijke leer" (Luther).
Deze leer van de vrijspraak Gods door het geloof alleen werd in de gemeenten van Galatië bestreden en de gemeenten hadden er naar geluisterd.
En met al het gezag van de man die de rechte straat had gevonden, keert Paulus zich in deze brief tegen dit gevaar, dit dodelijke gevaar van de gemeenten door alle eeuwen.

Apostolisch gezag 1 : 1-5

Paulus begint "gewoon". Eerst noemt hij zich zelf als schrijver.
Dan de lezers. Vervolgens de groet.
Te vergelijken met andere brieven Zie ook Hand. 23 : 26 en 15 : 23.
Toch is er iets opvallends in dit begin. Dat is het feit dat Paulus zo de nadruk legt op het feit dat hij apostel is, door Jezus Christus geroepen. Het woord apostel heeft soms een algemene betekenis in de Bijbel. Een gezondene door Jezus Christus. In 2 Cor. 8 : 23 staat in de N.V. het woord afgevaardigden.
In het Grieks wordt daar ook het woord apostel gebruikt. De Willibrord-vertaling heeft daar het woord gezanten. De St. Vert.: afgezanten. Zie ook Fil. 2 : 25.
Meestal denken wij bij het woord apostel aan de twaalf discipelen van de Here Jezus Christus. En dat is terecht.
Tot de twaalven kan Paulus zich niet rekenen. Hij is er als dertiende bijgekomen. Toch is hij apostel in volle zin. Hij heeft de Heer levend gezien, na Zijn dood en opstanding. 1 Cor. 9: 1. Hij is op weg naar Damascus inderdaad rechtstreeks geroepen. Hij voldoet niet aan alle vereisten die Petrus opnoemt in Hand. 1 : 21, 22, als Matthias gekozen verklaard wordt als apostel in plaats van Juáas.
Toch kan Paulus zeggen, al is hij er bij gekomen als een ontijdig geborene, dat hij méér gedaan heeft dan de andere apostelen samen. 1 Cor. 15 : 10.
En al het gezag door de Here hem verleend brengt hij in deze verzen en in heel deze brief in stelling.
De dwaalleraars die hij bestrijden moest zullen zijn apostelschap wel in twijfel getrokken hebben. Maar de gemeenten in Galatië moeten goed weten met wie ze te maken hebben. Ook van Paulus geldt wat de Heiland gebeden heeft in Joh. 17: 20.
Opvallend is het noemen van de opstanding van Christus Die is opgewekt door de Vader.
Hier valt te overwegen dat er gesproken wordt in de H. Schrift over de opstanding èn de opwekking van Christus. Nu opstaan doet men zelf. Gewekt wordt men door een ander. Als de Christus door de Vader opgewekt is, dan is dat bewijs dat voor al onze zonden betaald is. Op Goede Vrijdag zei de Heiland: het is volbracht.
Op de Paasmorgen bleek dat juist te zijn. De dood heeft geen recht meer op Hem. De Vader wekt Hem op. Daarom mogen we ons geloof vestigen op Hem die Jezus onze Here uit de doden heeft opgewekt, Jezus die is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze vrijspraak. Rom. 4 : 25. De opstanding van Christus na Zijn lijden voor onze zonden is het meest centrale heilsfeit uit de Bijbel. Zie 1 Cor. 15 : 3, 4.
Het "voor alle dingen" betekent: in de eerste plaats. Vgl. Rom. 1 :4.

Geadresseerden

Wie de eerste lezers van deze brief zijn geweest en waar ze precies hebben gewoond is niet met volstrekte zekerheid te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden, die Greijdanus in de Korte Verklaring bespreekt.
Uitvoeriger doet hij dat nog in zijn "Bizondere Canoniek"
deel II, blz. 91 vv . Voor het begrijpen van deze brief is het niet noodzakelijk om daarover zekerheid te hebben. In ieder geval woonden ze in Turkije en heeft Paulus zelf hen het Evangelie verkondigd.

Groet

Hij kan deze gemeenten niet prijzen, omdat ze naar dwaalleraars geluisterd hebben, maar wel kan hij hen de genade en vrede van de Vader en van de Here Jezus Christus toewensen en toebidden.
Genade zij u en vrede. Het Grieks kent het koppelwerkwoord hier niet. Het woordje "zij" staat er niet. Het woordje "is" staat er ook niet. Zulk 'n zegen werkt dan ook niet automatisch. Hij moet in het geloof worden toegeëigend. Hij kan ook in ongeloof worden verworpen.
Genade is de gunst waarmee God ons onze zonden wil vergeven om het werk door Christus volbracht. Vrede is de sjaloom.
Het niet meer betreden worden door vijanden of als dat wel het geval is zulk een helper te hebben, Jezus Christus, dat de vijanden ons geen wezenlijke schade kunnen doen.
Vrede is niet allereerst een gevoel van binnen - hoewel dat ook maar een toestand. We hebben vrede met God dank zij het werk van onze Here Jezus Christus, die Zijn leven voor ons heeft gegeven, opdat wij God zouden dienen. Marc. 10 : 45.

Er bestaat maar één Evangelie 1 : 6-10

Bijna alle brieven van Paulus beginnen met een dankzegging. Zelfs in de eerste brief aan de Corinthiërs.
Een gemeente waarvan Calvijn zegt dat er haast geen zonden in te vinden waren, die maar denkbaar zijn. Nota bene werd er zelfs geleerd door sommigen dat er geen opstanding der doden zou zijn, waarmee heel het Evangelie staat of valt. 1 Cor. 15.
Het is goed na te gaan in dit verband wat onder Schriftuurlijke tolerantie is te verstaan, juist in verband met het feit dat Paulus hier vervloekt een ieder die een ander Evangelie brengt. Waarom spreekt hij het "anathema" niet uit in de eerste brief aan de Corinthiërs, waarom hier wel?
Het antwoord kan niet anders zijn dan dit: "daarenboven moet er ook in de leer zelve onderscheid gemaakt worden tussen lichtere dwalingen en de zodanige, die het fundament omver stoten" (Olevianus).
En Calvijn zegt: "de hoofdstukken der ware leer zijn niet alle van één gestalte. Sommige zijn zo noodzakelijk om te weten dat ze bij allen ontwijfelbaar vast moeten staan, als leerstukken die de godsdienst eigen zijn. Als daar zijn dat er één God is, dat Christus God is en de Zoon Gods, dat onze zaligheid gelegen is in Gods barmhartigheid en dergelijke.
Er zijn andere, waarover tussen de kerken geschil is, maar die toch de eenheid des geloofs niet verscheuren."
Uit de felheid waarmee Paulus hier spreekt is wel duidelijk dat hier in deze gemeenten een zaak aan de orde is, waarbij het gaat over de vraag of het Evangelie nog wel blijde boodschap van verlossing uit genade is of niet. Hij vervloekt een ieder, zich zelf incluis, die de blijde boodschap bederft en daardoor de mensen in verwarring brengt. En als dienaar van Christus is dit een punt, waar de grens bereikt is in het behagen van mensen.
Een kerk die niet durft te "vloeken", kan ook niet meer zegenen.

Waarom Paulus? 1 : 11-16

De vraag doet zich voor bij deze brief en trouwens ook bij zijn andere brieven, waarom juist Paulus gekozen is tot de grote apostel der heidenen. Paulus is begonnen als Godslasteraar. En vervolger. Als een bloeddorstig dier. Hand. 9 : 1.
Maar het was geen bloeddorst dat hem dreef in het vervolgen van de Jezus-volgers.
Integendeel.
Wat dan wel?
Godsdienstige ijver. Hij meende Gode een dienst te bewijzen. In Hand. 26 : 9, 10 zegt hij: "ik voor mij was tot de slotsom gekomen, dat ik tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, fel moest optreden, wat ik ook gedaan heb te Jeruzalem en ik heb velen van de heiligen in gevangenissen opgesloten ... ". Hij was tot de slotsom gekomen. Na ernstig beraad dus.
Hij was een Farizeeër. Een echte.
Geen huichelaar. Een hartstochtelijk ijveraar voor de voorvaderlijke overleveringen.
Het is noodzakelijk in dit verband het Farizeïsme zoals de Heiland er mee te maken kreeg te kennen.
Dat is te zoeken in de Bijbel. Luk. 12: 1; Matth. 16: 6, 16: 12.
Kort samengevat was hun leer dat je voor eigen zaligheid had te zorgen en ook kon zorgen.
Als dat het geval is, dan heb je ook geen Heiland nodig.
Met heel zijn verleden is hij in dienst genomen door Jezus Christus (15). Hij heeft de weg van het Farizeïsme tot het eind toe bewandeld en op de weg naar Damascus ontdekt hij dat het een doodsweg is. Hij moest dat leren aan de kerk van alle eeuwen. Nieman kon het beter duidelijk maken.
Dat is hij niet gaan vragen aan mensen. Ook niet aan de andere apostelen. Want de nood was hem opgelegd. Dat blijkt wel uit wat in deze gemeenten gebeurd is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief