Belijden
1973-05-11
Hetzelfde zeggen - Jaargang 17
- nummer 19
Het woord dat voor "belijden" gebruikt wordt betekent letterlijk hetzelfde zeggen. Oorspronkelijk had het woord juridische betekenis, zoals in Kittel's Woordenboek wordt verteld. Dat is voor ons nog hoorbaar, als we het vertalen met "bekennen". Als we naar het Avondmaal gaan, zo staat in het oude Avondmaalsformulier, dan bekennen wij daarmee dat we midden in de dood liggen. En we gebruiken het woord in de rechterlijke betekenis als we spreken over bekennen voor de politie of voor de rechter.
Als het in onze tekst gaat over belijden, dan is dat dus hetzelfde zeggen als wat God ons in Zijn Woord zegt. We zijn als christenen ja- en amen mensen. Dat kunnen we zijn, dank zij Gods genade.
Want wij hebben Zijn Evangelie gehoord.
Zijn stem beluisterd.
En in Zijn spreken heeft Hij ons Zijn handelen bekend gemaakt.
Zijn heilrijke daden. Hij heeft bewezen te zijn een handelend God, die optreedt ten behoeve van Zijn volk.
Zoals we mensen in hun goede en minder goede eigenschappen het beste leren kennen uit hun daden, zo leren we de HERE kennen uit Zijn daden. Maar dan alleen uit Zijn goede daden.
Hij is die God, die hemel en aarde geschapen heeft.
Die Noach gered heeft in en door de zondvloed, Die Abraham riep uit het heidendom, Die Israël uit Egypte heeft gevoerd (Psalm 136) en Die tenslotte Zijn Zoon gezonden heeft in deze wereld. Daaruit weten we: want Zijn gunst alom verspreid zal bestaan in eeuwigheid.
Want als het ooit duidelijk is geworden dat we een God hebben, Die leeft, dan is het wel gebleken in de opstanding van Jezus Christus.
We belijden dat Jezus Heer is.
Omdat Hij, na gestorven te zijn voor onze zonden, opgewekt is uit de doden.
Voor de verrijzenis van Christus staan er twee woorden in de H. Schrift die naar voren springen.
Opstaan en opwekken. Opstanding en opwekking. U begrijpt het verschil.
Opstaan doe je zelf. Gewekt wordt men door een ander. Als er dus in de Bijbel staat dat de Heiland uit het graf is geroepen door de Vader - opgewekt - dan is dat bewijs dat alles is voldaan.
Op Hem had de dood geen recht meer. Hij was volkomen gehoorzaam geweest. Niet alleen had Hij God lief boven alles en de naaste als zich zelf - wat de oorspronkelijke opdracht was - bovendien heeft Hij de zondeschuld gedragen en weggedragen uit deze wereld.
Daarom is Hem alle macht gegeven in hemel en op aarde.
Daarom is Hij de Heer (Fil. 2: 8-11).
Hetzelfde denken
Recht belijden houdt ook in hetzelfde denken. Niet over alle mogelijke zaken. Zelfs is er door ons gebrek aan inzicht en door ons door de zonde bedorven verstand wel verschil van mening over wat de H. Schrift zegt in een bepaalde plaats. Onvolkomen is ons kennen.
Maar over het centrale dienen we als rechtgelovigen, als belijders hetzelfde te denken.
Paulus noemt hier de dood en de opstanding van Christus als centrale heilsfeiten. Dat we dat zó mogen noemen dat staat in 1 Cor. 15 : 3, 4: "Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden naar de Schriften en Hij is opgewekt, naar de Schriften."
Het "voor alle dingen" wil niet zeggen dat Paulus elke "preek" daarmee begon, maar het betekent wel: in de eerste plaats. Dit is het voornaamste. Het is niet moeilijk in te zien waarom deze heilsfeiten zo centraal zijn. De zonde is verzoend. De dood is overwonnen. Dat is iets wezenlijk nieuws. Want zo is het onvergankelijk leven aan het licht gebracht.
Een leven niet meer door het bederf aan te tasten. Petrus zegt dan ook: "Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis" (1 Petr. 1: 3, 4). Daarom is de H. Schrift dan ook echt een blijde boodschap.
Te midden van alle mogelijke moeite.
Daarom is het echte belijden dan ook verbonden met het echte geloven.
We geloven dat God Hem uit de dood heeft opgewekt. En voor het woord geloven mogen we dan wel invullen: vertrouwen.
Waarom vertrouwen we het?
Niet omdat wij zo betrouwbaar zijn, maar omdat God betrouwbaar is. Het is echt gebeurd, de opstanding van de man die kwam uit Galilea en stierf aan het kruis.
Daarom mogen we ons geloof dan ook vestigen op Hem die Jezus onze Heer, heeft overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze vrijspraak. Ja, daarom mogen we ons geloof vestigen op die God, die om Jezus' wil die God is, Die goddelozen vrijspreekt.
We hoeven niet zo verbaasd te zijn als de eeuwen door tot nu het feit van de opstanding ontkend is. Het is ook een "ongelooflijke" boodschap. Maar God dank, dit ongelooflijke is echt gebeurd.
Hetzelfde doen
Een Heer hebben betekent ook dat we Hem dienen moeten. We behoeven niet allemaal hetzelfde werk te doen of iets dergelijks, maar we moeten wel allemaal dezelfde Heer dienen, als we Hem als Heer belijden en als we echt geloven dat Hij gestorven is voor onze zonden en opgewekt is om onze vrijspraak. Zouden we zulk een Heer, die zo veel voor ons geleden heeft, niet graag dienen?
Hij heeft ons eerst liefgehad.
Hij is gekomen om ons te dienen.
Daarom mogen en moeten wij Hem dienen. Het is niet een vrijblijvende zaak deze Heer te belijden.
Het heeft consequenties voor heel ons leven. We worden er echt andere mensen van. Gij geheel anders.
Dezelfde belofte
Dit alles heeft een belofte. We krijgen ook hetzelfde. We worden behouden. We worden vrijgesproken.
De Bijbel is de blijde boodschap - goed nieuws voor U - omdat ons geleerd wordt dat we niet veroordeeld worden om Jezus' wil, maar vrijgesproken. Omdat we behouden worden van het bederf, hoe en waar zich dat ook maar voordoet. Hij is Je Heiland.
Heil is welzijn over heel de linie.
Het woord belijden heeft dan ook een eschatologische betekenis: "In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig waren geweest aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland.
Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid (Hebr. 11 : 13-16).
Al wie, hetzij Jood hetzij Griek, op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.