Om de christianisering van het mensenleven

1973-05-11
  • Jaargang 17
  • nummer 19
• onze situatie

Volgens de vroeger in de gereformeerde wereld algemeen aanvaarde theorie van de "algemene genade" of de "gemene gratie" is de situatie waarin we nu leven ongeveer zo: Al het geschapene, heel de geschapen wereld - die geconcentreerd is in de mensheid - is door de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders in het paradijs van God afgevallen en werd zo van Hem vervreemd.
Daardoor kwam onze wereld onder de vloek en werd in al haar aspecten, delen en verbanden verdorven. Als niets tussenbeide was gekomen zou deze wereld steeds verder zijn ontaard tot ze ten slotte in een toestand zou komen die getypeerd kan worden als "hel".
Maar het heeft God behaagd een "genadige werking" van Zich uit maar de wereld te laten uitgaan.
Een werking die in de eerste plaats de verwoestende kracht van de zonde afremt. Maar die tegelijk, en daar boven uit, deze wereld, ondanks het in haar voortkankerend verderf, ook nog tot hoger en rijker ontplooiing opstuwt.
Wie leven dus in een wereld die van God afviel en waarin als gevolg daarvan de zonde en een alles aantastend bederf werkt. Maar tegelijk ook in een wereld die door Gods. "lalgemene genade" voor radicale en totale verdorvenheid wordt bewaard en die, ten gevolge van de inwerking van die genade, zelfs ook nog hier en daar tot onverwachte en rijke bloei kan komen.
Deze "algemene genade" of "gemene gratie" heeft o.a. deze twéé kenmerken.
Vooreerst deze dat ze tot alle mensen, tot heel de mensheid, uitgaat en die doordringt. Daarom heet die genade ook algemene genade of gemene gratie.
En voort is deze genade tijdelijk.
Ze "kwam op" na de val en ze verdwijnt op de jongste dag. Ze bewerkt dan ook geen "eeuwig heil", geen “eeuwige zaligheid".

• "particuliere genade" -- "wedergeboorte"

Maar behalve de "gemene" gratie heeft God ook nog een "bizondere", een "particuliere genade" geopenbaard. Dat deed en doet Hij in Jezus Christus door de Heilige Geest, die sinds de Pinksterdag ook de Geest van Christus is.
Deze genade heet "bizonder" of "particulier" omdat ze niet naar alle mensen uitgaat maar alleen aan de uitverkorenen onder hen wordt geschonken. Ze heeft voorts tot doel het eeuwige heil, de eeuwige zaligheid van hen die haar door de werking van de Geest deelachtig worden.
Aan deze particuliere genade krijgen de uitverkorenen deel door de wedergeboorte. Die wedergeboorte is een werk van de Heilige Geest. Uitsluitend en alleen van de Heilige Geest.
Kuyper legt er voorts alle nadruk op dat de wederbarende werking des Geestes geheel en al buiten de bediening van het Woord of het Evangelie, en dus ook buiten de (geïnstitueerde) kerk, om gaat.
Hij schreef letterlijk dat de wederbarende activiteit van de Geest volstrekt buiten "de in bediening van Woord en Sacrament optredende kerken" - dat wil dus zeggen: buiten de geïnstitueerde kerken - om gaat. Die kerken zijn namelijk "niet de van God verordineerde instrumenten, waardoor aan de zondaar het innerlijke wezen der zaligheid toekomt.
Een zondaar ten leven baren kan alleen de Vader der geesten, in Christus, door de Heilige Geest." 1) In deze kijk op de wedergeboorte wijkt Kuyper duidelijk af van de reformatorische prediking. Daarin wordt immers juist met alle klem verkondigd dat de Heilige Geest de mensen wederbaart door (de prediking van) het Woord of het Evangelie.
Kuyper gaat met deze beschouwing ook, en wel rechtdraads, in tegen de Geref. confessies. Art. 24 en 35 van de Ned. Gel. Bel. en de Dordtse Leerregels III/IV, 17 leren iets geheel anders. Daarin wordt door de kerk juist zeer nadrukkelijk beleden dat de Heilige Geest de mensen wederbaart door middel van (de prediking van) het Woord. God heeft dat Woord namelijk verordineerd tot een "zaad der wedergeboorte" en zo ook tot een "spijze der ziel".
In zijn wedergeboortetheorie, die een enorme, een allesbeheersende plaats in zijn theologie inneemt, vertoont Kuypers denken zo een uitgesproken spiritualistische trek.
In dit opzicht bestaat er een duidelijke verwantschap tussen Kuyper en de, hem niet bepaald welgezinde, zogenaamde "zware" gereformeerden!
In Kuypers opvattang omtrent de wedergeboorte is voorts ook typerend dat hij die zeer "realistisch" opvat. De wedergeboorte is volgens hem namelijk een reële, essentiële omzetting van het innerlijke leven van de mens. Ze is het "inbrengen", door de Geest, van een "nieuwe mens" in de "oude". Van een "nieuwe mens" die door de Geest gepraeformeerd is zó dat hij past bij de mens in wie hij zal worden ingebracht. De "nieuwe mens" van een genie is b.v. een geheel andere dan die van een "gewoon" mens, En die van een man geheel anders dan van een vrouw enz.
Kuyper typeert de wederbarende werking van de Heilige Geest zelfs wel eens als een "physische" daad!

• "particuliere genade" buiten het aardse leven

Een kenmerkende trek van Kuypers opvatting omtrent de "particuliere" genade is voorts dat deze naam haar eigenlijke wezen buiten het tijdelijke leven omgaat, Zeer zeker is er volgens Kuyper ook een bepaald verband tussen de "particuliere genade" en de geschapen wereld. Maar dat verband is er alleen in de oorsprong en het einde daarvan. Namelijk wat de oorsprong ervan betreft in Christus als Middelaar der schepping. En aan het eind in de wederkomst van Christus wanneer deze wereld radicaal en totaal zal worden vernieuwd.
Maar in het heden trekt het "eigenlijke wezen" van de particuliere genade zich terug in het meer innerlijk-geestelijk-mystieke leven. Het "nieuwe leven" dat door de wedergeboorte in de mens wordt ingebracht is reeds zozeer een stukje "eeuwig leven" dat het de wedergeboren mens principieel reeds verplaatst naar het hiernamaals. "Op zichzelf ligt het einddoel der particuliere genade aan de overzijde van het graf.
Haar wit ligt in de eeuwigheid, en op zichzelf beschouwd kon ze desnoods geheel buiten het aardse leven omgaan." 2) Volgens een door hem meer gehanteerde methode "bewijst" Kuyper dat met behulp van de statistiek!
Hij wijst er namelijk op dat van de gezalfden ongeveer de helft onbewust - d.w.z.: vóór het vijfde levensjaar - wegsterft. Daaruit volgt dat minstens de helft van de uitverkorenen niet bewust in aanraking komt met het leven in de tijd, maar terstond het eigenlijke doel van de "particuliere genade", namelijk de eeuwige zaligheid bereikt.
Kuyper noemt dit "beslissend kenmerkend" voor heel de verhouding van de "particuliere genade"
en het "gemeen-menselijke leven". En vooral hieruit blijkt onmiskenbaar dat de "particuliere genade" "in haar eigen wezen"
buiten het tijdelijke leven omgaat. 3) Het is duidelijk dat in deze' visie op de "particuliere genade" een zeker dualisme in Kuypers beschouwing omtrent de verhouding van Gods bizondere, zaligmakende genade en het "natuurlijke"
leven in deze tijd openbaar wordt, Behalve spiritualistische trekken vertoont Kuypers denken dus ook dualistische trekken. Het tijdelijke, natuurlijke mensenleven wordt door hem in zijn verhouding tot het "nieuwe leven" duidelijk gedevalueerd.

• "particuliere genade" en "gemene gratie"

Naar haar eigenlijke wezen staat dus de "particuliere genade" buiten onze tijdelijke wereld.
Maar dat betekent niet dat zij daarop geen invloed zou uitoefenen.
Integendeel, de "particuliere genade" dringt daarin weldegelijk door. Haar invloed is wel een zijdelingse, een tijdelijke, maar desondanks toch een zeer sterke en diepgaande. En Kuypers aandacht is bij zijn spreken over de "gemene gratie" vóór alles op deze invloed van de "particuliere genade" op de "gemene gratie"
gericht.
Om een juist beeld te krijgen van deze "zijdelingse" beïnvloeding van de "particuliere" genade op de "algemene" te krijgen is het nodig het volgende voor ogen te houden.
Het tijdelijke, aardse leven van de mensheid is zeer gevariëerd.
Er zijn allerlei aspecten aan. Er treden allerlei verbanden en gemeenschappen in op. Er zijn huwelijken, gezinnen, volken, maatschappelijke en andere "kringen".
Er ontplooien zich allerlei activiteiten - politieke, wetenschappelijke, artistieke enz. enz. Dit alles behoort tot het creatuurlijke leven van de mensheid, waarin sinds de zondeval de "gemene gratie" conserverend en ontplooiend werkt. Daarom is dit alles het "terrein van de gemene gratie."
Aan een deel van de mensheid, namelijk aan de gemeenschap der uitverkorenen - dat is ook de kern der mensheid - wordt nu voorts ook de "particuliere genade" geschonken. Dat geschiedt in en door de wedergeboorte.
Alle wedergeboren mensen vormen voorts samen de leden van het "mystieke lichaam van Christus".
In dit "mystieke lichaam" werken nu de krachten van de "particuliere genade". Zeker, nog eens, naar haar diepste, eigenlijke wezen staat die genade buiten het aardse, tijdelijke wezen. Maar er gaat toch een enorme kracht van uit. Een kracht die in heel het leven van de wedergeboren mensen doorwerkt en vanuit die wedergeborenen in heel de wereld.
Kuyper spreekt in dit verband van de kerk-als-organisme, Die is het gehele complex van krachten en werkingen dat van het mystieke lichaam van Christus uit, via de leden ervan, de wedergeborenen, in alle "samenvoegselen" van het menselijke leven doordringt. Of, anders gezegd: op heel het veelvormige "terrein van de gemene gratie" werkzaam is. De leden van de kerk-als-organisme geven op dat terrein gestalte aan de krachten der "particuliere genade". Maar de effecten daarvan blijven onveranderd vormen der "gemene gratie"!
De "gemene gratie" is voorwaarde en voorbereiding voor de "particuliere genade". Maar tegelijk is het zodat de "particuliere genade" de "gemene gratie" tot volle doorwerkingen ontplooiing brengt. Uit zichzelf zou de "gemene gratie" daartoe nooit komen.
Dat kan alleen geschieden als zij bevrucht wordt door de "particuliere genade".

• vier "terreinen"

In deze stand van zaken krijgen we te doen met het eigenlijke "Anliegen", de diepste intentie van Kuypers "gemene-gratie"-constructie.
Kuyper denkt er niet aan zijn geestverwanten zonder meer te activeren tot een positieve, in wezen "humanistische", waardering van en een actief deelnemen aan het cultuurleven zoals dat in deze wereld reilt en zeilt.
Dat het daartoe bij vele volgelingen van hem in feite kwam - ging vierkant tegen zijn bedoelen in.
Biet ging hem daarbij integendeel om een fundering van een authentiek christelijke activiteit op "alle terreinen des levens".
Anders gezegd: het ging hem om de christianisering van het gehele mensenleven!
Men krijgt een goed beeld van wat Kuyper beoogde als hij ergens in verband met de "gemene gratie" spreekt van vier terreinen. 4 ) In de eerste plaats is er het terrein der "gemene gratie" waarop van geen enkele invloed der "particuliere genade" sprake is. Dat terrein vindt men b.v. in de heidenwereld.
In de tweede plaats is er het terrein van de institutaire kerk. Die komt namelijk geheel en al uit de "particuliere genade" op.
In de derde plaats is er het terrein der "gemene gratie" dat beschenen wordt door het licht dat van de kandelaar der "particuliere genade" uitstraalt. "Dit licht, uitstralende van de particuliere genade, doet dienst als middel en instrument der gemene gratie, en het is aldus dat er, buiten de kerk als instituut te midden van het volksleven een christelijke tint op dat volksleven geworpen wondt, zelfs in die kringen, waarin men met beslistheid de christelijke naam verwerpt." 5) Zo kan men spreken van een "christelijke natie, een gekerstend volk, een christelijke maatschappij, een christelijke staat en zoveel meer". 6) Ten slotte is er het terrein der "particuliere genade", dat de gegevens der gemene gratie aan zich dienstbaar heeft gemaakt.
En dit terrein wordt overal gevonden, "waar zich de kerk als organisme openbaart, d.w.z. waar de persoonlijke belijders van Jezus in eigen kring het leven der gemene gratie door de beginselen der Goddelijke openbaring beheersen laten." 7) Het gaat er op dit terrein om "dat de gelovigen met hun talenten, hun gaven en hun betrekkingen en invloeden in deze wereld, reeds hier een eigen sfeer van leven vormen, die heerlijk de krachten des Koninkrijks kan doen uitkomen." 8) Op dit terrein" vindt men het christelijk huwelijk, het christelijk gezin, de christelijke wetenschap, de christelijke kunst, de christelijke pers, de christelijke opvoeding, de christelijke politiek, de christelijke vakbeweging enz.
In dit alles openbaart zich, in de vormen van de "gemene gratie" de "kerk-als-organisme". Dat wil tegelijk zeggen: de krachten van de "particuliere genade".
Men onderscheide dit "geconcentreerd christelijke" evenwel scherp van het "algemeen", het "verdund" christelijke waarvan op het zo juist genoemde tweede terrein sprake is. Daar sterkt en steunt de werking van de "particuliere genade" het leven bij ongelovigen en verheft hun leven tot hoger peil. Maar op het vierde terrein vindt men "de sfeer van christelijk leven, die zo wijd strekt als de organische levensbeweging van de gemeente des Heren zich in het leven uitbreidt."
Daar ontmoeten we de kerk als organisme, die in het leven der wereld indringt, het omzet, er een andere gestalte aan geeft, het opheft en het heiligt."
Op dit derde terrein "bloeit het rijke organische leven van de Kerk, gelijk het zich in de gezinnen, in de families, in de bedrijven, in de wetenschappen, in de kunsten, in de heersende usantiën, in de bestaande gewoonten enz. als heersende macht openbaart." 9) zo leerde Kuyper.
Maar er is sinds hij heenging heel wat in de gereformeerde wereld gebeurt.
En niet in reformatorische zin!

1) De Gemene Gratie; II.660.
2) Idem; lI, 654.
3) Idem; II, 654/6; II, 34l.
4) Idem; II, 680.
5) Idem; II, 274.
6) Idem, II, 246.
1) Idem; II, 680.
8) Idem; II, 689.
9) Idem; III, 419.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief