Hoe komen we verder? (slot)

1973-05-11
  • Jaargang 17
  • nummer 19
Een vraag

Prof. Trimp haalde nogal fel uit over een artikeltje van prof. Veenhof in ons blad, waarin betoogd werd dat wij een kerkorde hebben. We schreven daarover in het nummer van de vorige week.
Er was, zo dachten we, alle reden om de kwestie van het bezitten van een kerkorde eens te bezien vanuit het gezichtspunt: Wat doe je er mee? Hoe hanteer je haar?
Dat onderzoek levert voor wat de kerkelijke gemeenschap, die prof. Trimp dient, voor wat de laatste jaren voor de breuk betreft, niet zulke fraaie resultaten op, zagen we. De kwestie van het independentisme speelde een belangrijke rol daarbij. Het is gemakkelijker een ander te beschuldigen dan eigen fouten - in dit geval die van eigen gemeenschap - te zien.
Nu ben ik er volkomen van overtuigd dat het weinig zin heeft om over en weer dergelijke verwijten te maken, als de begeerte er niet is om elkaar te dienen. Alleen vanuit het gevoelen van een toch aanwezige onderlinge verbondenheid wordt er naar elkaar geluisterd en komt de polemiek uit boven het eigen gelijk zoeken. Dat gevoelen meende ik te bespeuren in de laatste driestar van prof. Trimp in De Reformatie van 21 april, die als kopje had: "Hoe komen we verder?"
Deze driestar begint zo: "Zo vaak wij denken aan de moeiten in de synodale kerken en de machteloosheden binnen de buiten-verbandse kerken-groepering, vragen wij ons af: hoe komen we ooit verder met elkaar?
Wij hebben onze vragen aan en kwesties met elkaar. De vragen zijn van verre strekking en de kwesties raken ons diep.
Er liggen tussen ons duidelijke scheidslijnen, die wij markéren met de jaartallen 1942-1944 en 1966-1969.
Maar is er plicht en noodzaak om in deze situatie te berusten en zijn wij geroepen, resp. gerechtigd in machteloosheid te gaan neerzitten? - dát is op dit moment onze vraag. Ik besef dat wij vaak tot deze houding "vervallen", maar geloof intussen niet, dat dit het geval mag zijn .
Want het bloed van Jezus Christus is garant voor het steeds terugkerende nieuwe begin van een "wandelen met elkaar in het licht" (1 Joh. 1: 7)

Prof. Trimp borduurt dan op dit thema verder, maakt z'n opmerkingen over het een en ander waarbij de kritiek op anderen zich geducht laat horen, maar laat ook een heimwee spreken naar elkaar: "En ik weet heel zeker, dat ook onder ons met groot verlangen wordt uitgezien naar een dag van herkenning en een tijd van opnieuw begroeten van elkaar." Want "die daareven genoemde jaartallen blijven ons daarom nog wel "steken" als wonden en pijnlijke littekens in ons lichaam."
Zulk schrijven spreekt aan, al roept het tegelijk vraagtekens op.
Want hoe kan prof. Trimp hier de synodale gemeenschap en onze kerken gezien de genoemde jaartallen in één adem noemen onder het hoofd: verlangen naar een dag van herkenning? Daarvoor is er toch in de Gereformeerde Kerken (synodaal) op confessioneel gebied té veel aan de orde dacht ik zo.
Maar dit daar gelaten: we beperken ons tot zijn én onze kerken en dan - we willen dit graag erkennen - spreekt zijn verlangen naar herkenning ons aan. Beter nog: Het hééft ons aan te spreken.
We mogen er niet achteloos aan voorbij gaan.
De vraag hoe we ooit verder komen met elkaar mag door ons niet terzijde geschoven worden. Joh. 17 - om maar niet meer te noemen - staat in ons aller Bijbel.

Hoe dan?

Wanneer prof. Trimp deze vraag overweegt, dan komt hij te spreken over de normen. Zou dat niet kunnen, vraagt hij, met elkaar de normen voor de toekomst nogmaals in de oude woorden elkaar doen horen en binnen de ruimte van die normen met elkaar de dood van Christus verkondigen, Zijn opstanding vieren en de dienst der dankbaarheid in de nieuwheid van de Geest opnemen?"
De normen, dus.
Ik ben het daarmee helemaal eens.
Maar wat zijn deze normen?
Dat blijft in deze driestar van prof. Trimp wat in de mist. Hij duidt ze niet nader aan. Grijp ik mis, wanneer ik daaronder versta de gereformeerde confessie en de gereformeerde kerkorde? Prof. Trimp wil tenminste elkaar de normen voor de toekomst nogmaals "in de oude woorden" doen horen.
Als ik dit juist heb begrepen, dan ben ik het met hem eens. Daarom herinnerde ik in het vorige artikel aan de normen, zoals die in de gereformeerde kerkorde zijn neergelegd en in de jaren zestig zijn geschonden. En ik deed dit in verband met een verrassende' zin uit de laatste driestar van prof. Trimp: "Wij hebben elkaar inderdaad nog wel het een en ander te vragen over het verleden."
Elkáár.
Dat vond ik het verrassende in deze zin.
Hiermee wordt een opening gemaakt, al wordt die ook op duidelijke wijze beperkt door andere opmerkingen, maar ze is er dan blijkbaar toch!
Intussen - die normen.
Als daarbij dan maar bedacht wordt dat men de gereformeerde confessie niet beperkt tot wat men gewoonlijk verstaat onder de zuivere leer. Ruwen slordig gesproken: de zuivere belijdenis in dogmatisch opzicht, hoe belangrijk ook. Maar de belijdenis bevat meer. Ze geeft ook een uiteenzetting over de geboden van God en verwijst daarnaar, Centraal staat daarin voor wat de onderlinge verhoudingen betreft de liefde. Daar spreekt bijvoorbeeld zondag 40 breed over: ik denk aan woorden als geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid die we elkaar hebben te bewijzen: In ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelf, Fil. 2 : 3. De Schrift spreekt over het oordelen, waarmee we voorzichtig hebben te zijn, Matth.
7 : 1, Luc. 6: 37, en veroordeelt daarin de onbarmhartigheid.
]k weet wel, dat men met deze woorden een verkeerde kant kan uitgaan. en daarmee ongerechtigheid, de ontmaskerd moet worden - Ef. 5 : 11 - zelfs kan toedekken.
Dat men zich daarmee aan het oordelen over goed en kwaad kan onttrekken, maar dat kan toch het normatieve van deze woorden niet wegnemen.
Graag wil ik de schijn vermijden van naar een kant te zien. Hoe gemakkelijk slaan wij in een conflictsituatie hard toe en spreken we harde woorden tegen elkaar.
Wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man, Jac. 3: 2.
Maar we zullen toch allen in ons !handelen, spreken en schrijven ook déze normen voor ogen dienen te houden. En alleen als we er blijk van geven ondanks al ons struikelen, daarnaar te streven zal er naar elkaar geluisterd worden.

Persoonlijk gekrenktheid

Daarover maakt prof. Trimp een opmerking. Het leven staat niet stil, schrijft hij: "Een nieuwe generatie komt op; het nutteloze, sfeer bedervende schrijven vanuit persoonlijke gekrenktheid zal al minder beslag leggen op de harten en gedachten ... "
Ik weet niet of in de huidige situatie van onze twee kerkengroepen er zoveel persoonlijke gekrenktheid is en of daaruit zoveel geschreven wordt. Het lijkt me toe dat de pijn over de gebrokenheid groter is dan die persoonlijke gekrenktheid. En mocht die er zijn, dan moet zij overwonnen worden.
Het zal goed zijn, dat we ons ervoor wachten elkaar nu en in de toekomst te krenken en dat hangt samen met wat we boven schreven over: Hoe dan? Die krenking zal nog niet eens persoonlijk gericht behoeven te zijn, om toch als krenkend ervaren te worden.
Wij hebben een kerkorde, schreef prof. Veenhof in "Opbouw".
Prof. Trimp blijkt de strekking van dit artikel uitnemend te hebben begrepen: hij erkent dat duidelijk.
Maar hij grijpt er naast als hij schrijft "dat men reeds triomfantelijk gaat roepen: wij hebben een kerkorde! en dan spreekt van weeschreeuwen en even te voren de woorden dwaas en onoprecht gebruikt en even later de verzuchting slaakt dat Opbouw eens eerlijk zal gaan schrijven over deze kwestie.
Dit schrijven is niet alleen niet juist, maar in hoge mate krenkend.
Het kan wel op een andere manier, geloof ik, als je elkaar helpen wilt.
Ik schrijf dit in verband met wat prof. Trimp zelf uitdrukkelijk aan de orde stelt: de onderlinge verhoudingen en het verlangen naar een dag van herkenning. Voor de verwezenlijking van die dag is het zo schrijven niet bepaald bevorderlijk, dunkt mij.
Wat meer begrip voor en voorzichtigheid ook in de pers-omgang met elkaar is wel gewenst. Dat dit hier uitdrukkelijk aan de orde wordt gesteld vindt meer zijn oorzaak in een driestar van prof. dr J. Douma in "De Reformatie" van 7 april. In dat nummer heeft prof. Douma ernstige kritiek op prof. Veenhof in verband met een interview van deze, dat Bert de Jong hem afnam. We laten dat hier buiten beschouwing, prof. Veenhof zal daarover wel het zijne zeggen. 't Gaat nu over de laatste driestar.
Prof. Douma heeft in "Trouw" van 23 maart jl. gelezen dat een aantal ARP.- en C.H.U.-Ieden een telegram heeft gezonden naar de fraktieleiders van de K.V.P., ARP. en C.H.U., waarin gevraagd werd niet te buigen voor de eisen van de heer Den Uyl. Ik citeer uit "De Reformatie". Onder de ondertekenaars bevindt zich ook, stippeltje, stippeltje, stippeltje, prof. Veenhof. "De man die eens gebroken heeft met de AR-Partij en ons aan uitvoerige betogen met de klemmendste woorden geholpen heeft dat het beslist niet anders kon, is thans kennelijk weer lid van de AR", aldus prof: Douma. Het "kennelijk" wijst op de zekere voorzichtigheid.
Maar die wordt meteen uit het oog verloren, als verder wordt betoogd dat wat vroeger niet kon, thans wel weer kan: lid zijn van de AR "De dakloze prof. Veenhof, die jarenlang in de politiek een eenzame Daniël wilde zijn, heeft thans weer beschutting.
Op een plaats waar het vroeger (volgens hem) stortregende, kan thans weer verkeerd worden.
Al zal het er nog wel lèkken."
Dat gaat dan zo nog even door, zelfs wordt gesproken over de tweespalt in het leven van prof. Veenhof.
Ja, ja, maar navraag bij prof. Veenhof zelf zou prof. Douma de wetenschap hebben opgeleverd dat deze ook nu nog geen lid is van de ARP. en evenmin van de C.H.U., wat men ook nog uit het persbericht in "Trouw" zou kunnen concluderen!!
't Persbericht was blijkbaar niet juist.
Maar de conclusies van prof. Douma zijn intussen maar zwart op wit afgedrukt in "De Reformatie".

't Zal wel wat anders moeten als we "met elkaar" verder willen komen. Dan blijven er nog moeilijkheden genoeg over, maar kan de weg toch gegaan worden. Van weerskanten moge dit bedacht worden.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief