Paulus' brief aan de Galaten
1973-05-11
Paulus 1 : 11-16 - Jaargang 17
- nummer 19
Het moet de Bijbellezer opvallen hoe vaak Paulus zelf spreekt over zijn verleden. Ik meen niet dat we dat af kunnen doen met de opmerking "het persoonlijke in de prediking is geen contrabande". (Van Stempvoort, De Brief aan de Galaten). Eerder komt de vraag naar voren: waarom is juist Paulus tot de grote heidenapostel gemaakt?
Gods verkiezing is wel souverein, maar niet willekeurig. Paulus spreekt in dit hoofdstuk over zijn roeping. Hij doet het uitvoerig in Hand. 22 en 26. Verder in 1 Cor. 15; 1 Cor. 9 : 1. Hij doet het in de Efezebrief. Weer uitvoeriger in Fil. 3. En met behulp van wijs gebruik van een concordantie is het.
niet moeilijk alle plaatsen op een rijtje te zetten.
Zodra men op deze wijze Schrift met Schrift vergelijkt, wordt het duidelijk, dat Paulus het nu juist niet doet omdat het persoonlijke in de prediking geen contrabande is, maar dat hij het alleen doet als het noodzakelijk is voor de prediking en de "waarheid van het evangelie".
Twee zaken springen dan direct naar voren. Hij doet het, als het gaat over de opstanding en als het gaat over het herleefde Farizeïsme, Judaïsme in de gemeente, zoals in dit geval.
Meestal wordt gezegd: hij was een man van twee werelden. Hij was Jood en Romein. Hij kende het Joodse denken en hij kende het Griekse denken. Dat valt natuurlijk niet te ontkennen. Maar het is geen antwoord op de vraag: waarom juist Paulus? Ook de andere apostelen moesten immers het Evangelie van de dood en opstanding van Jezus Christus verkondigen, ook onder heidenen.
Paulus geeft zelf het antwoord.
Hij is met heel zijn verleden in dienst genomen. Ook met zijn verleden als kerkvervolger. Hij was dan afkomstig van Tarsen en een Romein van geboorte, maar opgevoed naar de strengste regels van het Farizeïsme. Om hem tot bekering te brengen was het noodzakelijk dat de Here Jezus Zelf hem verscheen op de weg naar Damascus.
In 1 : 15 mag wel opgemerkt worden dat er staat "in Hem" en niet "aan Hem". Hoewel het tweede noodzakelijk was voor het eerste.
Judaïsme
Als bekeerde Farizeeër krijgt hij met deze dwaalleer te maken. De term Judaïsme is ontleend aan 2 : 14. Het is noodzakelijk deze dwaalleer te kennen voor het begrijpen van heel het N.T. Heel kort gezegd: behalve het vertrouwen op het kruis van Christus, op Zijn offer was er nog iets meer nodig om behouden te worden, n.l. de onderhouding van de wet of een deel van de wet van Mozes.
Besnijdenis, sabbat, spijswetten.
Paulus schrijft erover in de Brief aan Romeinen (Rom. 16: 17, 18, vooral niet los maken uit het geheel van die brief).
Ook in de brief aan de gemeente van Filippi houdt hij zich met deze dwaalleraars bezig (Fil. 3: 17-19). In de brief aan Colosse (Col. 2: 16). In de eerste brief aan Tim. zijn deze zaken weer aan de orde (1 Tim. 1 : 7). En als Paulus in zijn laatste brief aan het einde van zijn leven zegt dat hij de goede strijd heeft gestreden en het geloof heeft behouden doelt hij m.i. ook op het feit dat hij gedurende heel zijn loopbaan als apostel gestreden heeft tegen Joden en judaïsten en dat hij desondanks gebleven is bii het "door het geloof alleen" (2 Tim. 4 : 7).
Zo is hij een voorbeeld geworden voor de kerk van alle eeuwen (1 Tim. 1: 15, 16). Een voorbeeld dat wij moeten navolgen. (Fil. 3 : 17).
Het iets zoeken bij ons zelf tot behoud, wat in de grond van de zaak het Farizeïsme en het Judaïsme is, is kennelijk een gevaar dat de christen altijd weer bedreigt.
In wezen is het de hoogmoed van de mens. Het is als God willen zijn. Wat zich in het paradijs uitte, maar wat een zonde is die in een gevallen wereld zich manifesteert in het zich zelf willen redden. Dan krijgt men zelfverlossingsreligies, wat alle vreemde godsdiensten zijn, maar ook toeslagreligie, wat alleen in de gemeente van Jezus Christus kan voorkomen. Een uitvoerig exposé over deze zonde bij ds C. Vonk, Voorzeide Leer Ib.
Paulus' zelfstandigheid 1 : 16-24
Paulus is na Damascus niet te rade gegaan bij mensen. Hij had regelrecht van de Heiland de opdracht ontvangen het Evangelie te verkondigen aan de heidenen. Daarom is hij ook niet eerst naar de andere apostelen gegaan. Hij ging van Damascus naar Arabië en toen weer terug naar Damascus.
Er is ons verder niets bekend van zijn verblijf in Arabië, maar het is wel aan te nemen dat hij daar ook het Woord Gods heeft verkondigd, net als in Damascus. Pas drie jaar later verblijft hij veertien dagen in Jeruzalem en spreekt alleen met Petrus en Jacobus, de broer van de Here Jezus, die de leiding had in de gemeente van Jeruzalem. Hij wordt daar gewantrouwd (Hand. 9: 30). Hij heeft er kennelijk alleen afspraken gemaakt. Zie hoofdstuk 2.
Voor het begrijpen van deze pericoop is een zeer waarschijnlijk rijtje jaartallen wel van belang.
Te vinden Van Stempvoort, ontleend aan D. Plooy:
Kruisiging 29
Bekering van Paulus 30/31
Verblijf in Damascus en Arabië 30-32
Eerste bezoek aan Jeruzalem 32 (33)
Vertrek naar Tarsus 32 (33)
Komst te Antiochië (Hand. 11: 25)
Collectereis naar Jeruzalem
Vertrek van Antiochië voor de eerste zendingsreis
Terug in Antiochië Apostelconvent (Hand. 15)
begin 45 winter 45/46
voorjaar 46 aug./sept. 47
voorjaar 48
Als deze volgorde juist is, hebben we in deze brief te maken met een van de eerste brieven van de apostel Paulus.
Maar ook als het onjuist zou zijn, blijft de conclusie: Paulus is zelfstandig opgetreden, omdat hij regelrecht geroepen werd tot een aparte taak voor de gemeenten van alle eeuwen.
Is deze brief de eerste, dan wordt de waarschuwing tegen het Judaïsme des te klemmender.
Roeping en geduld 2 : 1-5
Paulus heeft geduld moeten oefenen.
Barnabas moet naar Tarsen gaan om hem te zoeken (Hand. 11 : 25). Dat gebeurt vanuit Antiochië, waar voor het eerst een gemeente ontstaat van Joden en heidenen samen. Vandaaruit gaat Paulus op reis.
En als hij dan weer naar Jeruzalem komt, dan is Titius bij hem.
Titus wordt in het boek Handelingen niet genoemd. Maar Paulus noemt hem zijn kind (Titus 1 : 3).
Het zal wel niet speculatief zijn om te veronderstellen dat Titus door de prediking van Paulus tot het geloof gekomen is.
Maar Titus wordt hier genoemd aan déze gemeenten omdat hij een Griek is.
Paulus gaat naar Jeruzalem op grond van een openbaring. Nadat in de gemeenten de moeilijkheden over het onderhouden van de wet van Mozes al ontstaan waren. Titus een Griek, werd 66k in Jeruzalem als medewerker van Paulus niet gedwongen zich te laten besnijden.
Ofschoon valse broeders die waren binnen geslopen daarop wel hebben aangedrongen, naar de regel die ze hadden. Hand. 15 : 1.
Titus' geval is het eerste voorbeeld dat Paulus in deze brief gebruikt om de gemeenten te waarschuwen toch geen gehoor te geven aan het "Jezus Christus en nog iets".
Want dan komt de slavernij.
De slavernij van het hoogmoedige hart van de mens.
Paulus gaat niet voor hen uit de weg, om het Evangelie vrij baan te geven. Dat was zijn taak. Op dit punt is hij hardnekkig obstinaat.
Maar hij zou aan zijn roeping ontrouw worden als hij op dit punt niet heel duidelijk was.
De betrouwbaarheid van het Evangelie staat op het spel.
Paulus in Jeruzalem heeft verteld wat hij predikte. Niet om goedkeuring te verkrijgen. Maar om de eenheid van de gemeente rondom het kruis te bewaren.