Gezag in de gemeente
1973-05-18
In de uitgave van het N.B.G. staat boven dit hoofdstuk het opschrift "Rede tegen de schriftgeleerden en Farizeeën". En dat is in het algemeen een niet onjuiste weergave van de inhoud van dit hoofdstuk.- Jaargang 17
- nummer 20
Toch begint de Heiland met te zeggen: "De Schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zich gezet op de stoel van Mozes. Alles dan wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat ... "
Het woord schriftgeleerde treffen we in de H. Schrift voor het eerst aan na de ballingschap. Ezra, de priester, wordt zo genoemd. Ezra 7 : 6,11. Het wordt in het joodse leven een bepaalde stand, die zich toelegt op het verklaren en toepassen van de wet van Mozes.
Ze hebben zich gezet op de stoel van Mozes. Op de katheder, staat er eigenlijk. De leerstoel.
Mozes was de grote wetgever: Zij wilden het volk onderwijzen in de lijn van Mozes. Zijn werk voortzetten. De kanttekeningen op de St. Vert. zeggen bij vers 2: "zij zijn daartoe geroepen en gesteld om de wet van Mozes het volk voor te lezen en te verklaren."
De Heiland erkent hier hun gezag.
Wat ze zeggen moet "onderhouden" worden. Een woord dat betekent: vastklemmen aan.
Wil dat zeggen dat de Here Christus alle voorschriften van de schriftgeleerden voor Zijn rekening neemt? Nu dat is niet het geval. Dat is b.v. wel duidelijk uit de verzen 16-22, waar een bepaalde eedspraktijk - uitleg van de wet van Mozes - als voos aan het licht wordt gesteld.
De vraag doet zich dus voor: waarom zo de nadruk gelegd op het doen wat zij zeggen. Hij neemt hier eerst ieder misverstand weg als gold Zijn oppositie tegen deze heren de wet van Mozes zelf of het gezag onder het volk Gods zelf. Voorzover zij inderdaad de wet van Mozes, heet het O.T., voorlezen en juist verklaren moet al wat zij zeggen gedaan worden.
Als ze het juist deden waren ze dan ook dienstbaar aan de komst van het Koninkrijk.
Onze tijd is nogal anti-autoritair ingesteld. En dat is geen wonder, als we zien hoe vaak er van het gezag misbruik wordt gemaakt.
Maar we moeten de Heiland toch niet voorstellen als de grote revolutionair, zoals men tegenwoordig zo graag doet. Hij komt wel om alle dingen te herstellen, om alles wat verdorven is weer goed te maken, maar dat wil niet zeggen dat hij tegen "het gezag" is. Ook in de gemeente niet. Juist nu hij een strafrede gaat houden tegen het bederf van de gezagsuitoefening, is het goed om vast te houden, dat die strafrede niet het gezag zelf geldt. En wat er nu ook in de overgang van oude naar nieuwe bedeling veranderd moge zijn - mondigheid van de gemeente - de aarde en de. bedoeling van het gezag onder Gods volk, de gemeente des Heren, mag niet ontkend worden.
Het gezag in de gemeente is toevertrouwd aan de ouderlingen.
Gewone mannetjes. Met alle mogelijke nare eigenschappen soms.
Maar als we niet verder komen dan dat te zien, dan berooft men zich van zegeningen des Heren.
Paulus zegt tegen de oudsten van Efeze: "Zie dan toe op u zelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods je weiden, die Hij Zich door het bloed van Zijn eigene verkregen heeft" (Hand. 20: 28). "Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen" (Hebr. 13: 17). zo zouden er vele plaatsen uit het Nieuwe Testament genoemd kunnen worden.
Intussen valt in dit schriftgedeelte de nadruk op het bederf van het ambt. Dat deed zich op schrikbarende wijze voor onder Israël.
En het staat tot onze waarschuwing opgetekend. En dan wordt het bederf van het beste het slechtste. Waar de gezagsdragers in de gemeente niet Gods heerschappij wallen dienen, daar gaan ze hun eigen heerschappij vestigen.
Dan worden ze autocraten.
De schriftgeleerden en de Farizeeën zoeken eigen eer en macht.
Heel hun godsdienstigheid is dienst aan eigen zelfzucht. "Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij mensen". Ze maken hun gebedsriemen breed en hun kwamen groot. Onder gebedsriemen zijn te verstaan de bij het morgengebed aan het voorhoofd en de linkerarm, met riemen bevestigde kleine kokertjes, waarin een kleine perkamenten rol was aangebracht met enkele wetswoorden" (K.V.). De vier wollen kwasten moesten door iedere Israëliet gedragen worden om hen steeds weer te herinneren aan de goedheid Gods voor Zijn volk (Num. 15: 38).
Maar de herinneringstekenen van Gods genade worden merktekenen van de ijdelheid: Deze levenshouding bepaalt ook hun ambtelijke werkzaamheid. Ze worden onverdraagzaam.
Ze schrijven veel voor, zo veel dat het niet te dragen is, maar zelf roeren ze die niet aan. Ze vonden in hun geveinsdheid zelf altijd weer wegen en middelen om zich aan eigen voorschriften te onttrekken.
En alle juk, dat niet het juk van de Here Jezus Christus is, is onverdraaglijk.
Wie zijn eigen hart kent en wie de kerkgeschiedenis kent, weet dat dit een zonde is die dichtbij de deur is. Macht en eer losgemaakt van de Here Jezus, werkt als een verdovend middel.
Men raakt eraan verslaafd.
De Heiland vraagt dan ook van Zijn discipelen een totaal andere houding. Zij zijn de toekomstige ambtsdragers. Ze zullen ontvangen de sleutelen van het koninkrijk der hemelen. Maar ze mogen zich geen rabbi laten noemen.
Mijn Meester. Want één is Uw Meester. En ge zijt allen broeders.
Ze zullen zich ook niet Vader laten noemen, want één is Uw Vader.
Ook geen leidslieden, want één is Uw Leidsman.
Het is verwonderlijk hoe steeds weer het verlangen naar een "leider" optreedt ook in de kerk, vooral in tijden van verwarring.
Iemand die "gezag" heeft, moreel en feitelijk. Die de weg wijst.
Maar dan geeft men eigen mondigheid prijs en wat nog erger is, men vergeet heel duidelijk dat de Heiland het hier nadrukkelijk verboden heeft. Tegen Zijn geboden mogen we niet ingaan.
Het wezen van het ambt is de dienst. Dienst aan God en aan de naaste. Men moet geen mensen stijven in de machtshonger en honger naar eer, die in elk mensenhart leeft. Iedereen vindt het vleiend om een "leider" te zijn.
Iemand, waarnaar anderen luisteren.
Nu mogen we wel naar elkaar luisteren en er is gezag ingesteld in de gemeente, maar er is een gevaar aan verbonden. Als we de eer die alleen aan God toekomt en aan de Heiland, aan mensen geven. Dan breekt de hiërarchie baan in de gemeente.
Wat is het middel om het te voorkomen?
Nu, het is niet voldoende om een waterdicht kerkrechtelijke systeem te hebben. Dat bestaat er trouwens ook niet. Daarmee is niet gezegd dat het niet belangrijk is. Maar hét middel om het te voorkomen is de diensthouding en om zelf te leven uit het geloof aan de zalving van de Heilige Geest. Geen kerkvaders. Geen leidslieden, Ge zult niet zweren bij een dominee of bij wieook.
Ge moet alle profetie toetsen en het goede behouden.