Een oecumenische bundel in een digitale tijd
2013-06-01
- Jaargang 57
- nummer 11
Het bleef betrekkelijk stil in de jaren waarin er gewerkt werd aan het nieuwe liedboek. Dat kwam omdat de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied (ISK) had gekozen voor een besloten redactieproces, om in rust te kunnen werken aan deze klus. Het was voor de kerkelijk buitenwacht dus afwachten geblazen, soms wat ongeduldig en sceptisch. Tot zaterdag 25 mei. Toen werd in de Grote Kerk in Monnickendam eindelijk gezongen uit dat nieuwe liedboek met meer dan duizend liederen.
Het is verleidelijk en misschien wel oer-Hollands om als eerste te zeggen wat je in zo’n kersvers liedboek mist en met welk repertoire je helemaal niks hebt, om ten slotte te laten zien hoe jouw bundel er uit zou hebben gezien. Elke Mennoniet zijn eigen lied, zeiden ze al in de zestiende eeuw en een béétje dopers zijn we bijna allemaal. Maar je kunt natuurlijk ook aan de andere, positieve kant beginnen. Positief is in elk geval dat het toch maar gelukt is om als gezamenlijke protestantse kerken van Nederland (en België!) een liedboek samen te stellen. Zeker als je beseft dat het palet van kerken de afgelopen jaren ook nog eens groeide (de NGK en GKv sloten zich bijvoorbeeld rond 2008 aan bij de ISK) zodat er samengewerkt werd van remonstrant tot vrijgemaakt. Natuurlijk gaf dat het nodige wapengekletter in de acht werkgroepen en de liedboekredactie, maar uiteindelijk kwam het toch tot dat ene boek. Al bladerend merk je dat de strijd over de liederen niet tot op het bot gevoerd is, maar dat het ook iets is geweest van geven en nemen – op het gevaar af dat zo’n liedboek op die manier iets krijgt van ‘voor elk wat wils’. Helder is dat de PKN als verreweg de grootste kerk sterk vertegenwoordigd was in de genoemde werkgroepen en de redactie. Dat maakt ongetwijfeld dat het uiteindelijke resultaat meer herkenning zal opleveren binnen de PKN dan binnen de NGK en GKv. Maar hoe het liedboek ook in onze kerken gebruikt zal worden: het blijft een mooi signaal in oecumenisch licht. En bruikbaar voor allerlei bijeenkomsten die iets van die breedte hebben. Rond de Kerkennacht, bijvoorbeeld. Of bij vergaderingen van de plaatselijke Raad van Kerken, waarin tegenwoordig ook veel gemeenten uit de NGK participeren.
Winst
Een nuchter, positief gevoel krijg je ook als je het liedboek uit 2013 vergelijkt met dat uit 1973. Je mist om te beginnen geen enkele psalm en van de gezangen vind je ongeveer de helft terug. Waarbij het ook nog eens zo is dat er bij de afvallers veel gezangen zitten die niet of nauwelijks gezongen werden in de kerken (al ontbreken in de nieuwe bundel de onder ons bekende Liedboek voor de Kerken-gezangen 95, 304, 360, 365, 381, en, verrassend genoeg, ook 487).
Voor de ruim 200 weggevallen gezangen krijg je vervolgens een veelvoud aan liederen terug. In die hele stapel moet toch het één en ander aan moois te vinden zijn, zou je zeggen. De winst zal dus groter zijn dan het verlies, zo schat ik in.
Winst is er ook als je let op de grote diversiteit aan liederen en zangvormen in het nieuwe liedboek. In dat opzicht is het echt anders dan het Liedboek voor de Kerken, dat
alleen strofische liederen kende. In het nieuwe liedboek vind je breed uitgesponnen teksten, die reciterend gezongen moeten worden door een voorzanger, soms met meerstemmige delen voor een koortje of cantorij. Verder heb je allerlei refreinliederen en talrijk zijn de hele korte liedregels, die rond andere liederen of na een lezing hun plekje kunnen krijgen. Binnen de NGK deden en doen we niet veel met zulke liedvormen. Te weinig misschien wel. Op dat punt geeft dit liedboek nieuwe mogelijkheden.
Gij
Dan even wat kritischer. Dat betreft twee punten. Ten eerste gaat het om de vraag of onze kinderen en kleinkinderen zich thuis zullen voelen in deze nieuwe bundel. Is er voldoende aan hen gedacht bij de samenstelling? Ik meldde al eens eerder (Opbouw nummer 1, jaargang 55, artikelnummer 010073) dat ik in een Schots, anglicaans liedboek (2004) getroffen werd door de grote aandacht voor de komende generaties. De samenstellers hadden met hun kinderen en kleinkinderen voor ogen gezocht naar nieuwe liederen. Over die focus heb ik bij ons Nederlandse liedboek niet zo veel gehoord. Natuurlijk was er een werkgroep die zich bezighield met liederen voor kinderen en jongeren, maar hoe was dat bij al die andere werkgroepen? Ik was daar niet bij, maar het meest karakteristieke van de afgelopen jaren was toch dat er met vaart en vakmanschap talloze liederen zijn verzameld, besproken en geselecteerd. Het is in die zin ook meer een verzameld liedboek dan een nieuw liedboek geworden. Maar is er bij al die rondes ook expliciet gedacht aan de volgende generaties? Bij de creatie van nieuwe of nieuw vertaalde liederen ligt dat meer voor de hand, denk ik. Maar het echt nieuwe werk beslaat slechts een klein deel van het totale aantal liederen.
Neem de psalmberijming. Ik schreef dat je ten opzichte van het liedboek uit 1973 wat de psalmen betreft niks kwijtraakt. Maar aan die medaille zit ook een keerzijde. Want het is voor mij de vraag of de psalmen in dit taalgewaad zullen landen bij de jongeren van nu en bij hun kinderen. Ik kan zeggen dat ik zelf in de tachtiger jaren verrast was door de prachtige taal van de nieuwe psalmberijming. Wat was dat toegankelijker vergeleken met de berijming van 1773! Het duurde dus even voordat ik in de gaten kreeg dat deze berijming nog veel nieuwer van taal had kunnen zijn. Neem alleen al het kleine woordje ‘Gij’. Wat hadden de psalmen een moderner voorkomen gekregen als het alleen met dat woordje anders was gegaan! En nu zit deze berijming dus ongewijzigd in het nieuwe liedboek.
En daar blijft het niet bij. Want ook de dichters die sterk vertegenwoordigd zijn in het nieuwe liedboek, zoals Huub Oosterhuis en Sytse de Vries, schreven liederen met een hoog ‘gij-gehalte’. Daar had wat mij betreft – met het oog op de volgende generaties – stevig in gesnoeid of gewijzigd mogen worden. Nu zit je bij voorbaat in een verouderd taalveld. Het geeft natuurlijk niks als er een aantal ‘gij-liederen’ blijven staan, maar nu is het een overmaat, zo schat ik in. Daarin is het nieuwe liedboek niet evenwichtig. Arenda Haasnoot, vicevoorzitter van de PKN tussen 2007 en 2010, schreef in 2008 in een column over haar vrees dat het nieuwe liedboek wel eens eenzijdig van signatuur zou kunnen worden. Dat concludeerde ze op grond van de samenstelling van de toen kersverse werkgroepen en eindredactie. In meerderheid had die ook meer affiniteit met bundels als Zingend Geloven en Alles wordt Nieuw dan met Opwekking en Op Toonhoogte. Als je het nieuw verschenen liedboek doorbladert, is het duidelijk dat Huub Oosterhuis, Sytse de Vries en andere dichters van ‘gij-liederen’ oververtegenwoordigd zijn. En daarin heeft het liedboek iets onevenwichtigs. Zeker als je de blik gericht houdt op de komende twee, drie generaties.
Boek en byte
Mijn tweede kritiekpunt staat hier niet helemaal los van: had niet scherper gewerkt kunnen worden met de balans tussen boek en byte? Bij een aanzienlijk deel van de liederen dacht ik al lezend: dat had van mij ook in een digitaal depot gemogen, beschikbaar voor abonnementhouders. Die gedachte kwam bijvoorbeeld op bij liederen met meer dan vijf, zes coupletten. Maar ook bij liederen die (te) sterk verbonden zijn met een specifiek bijbelgedeelte en daardoor maar weinig gezongen zullen worden. Vanaf lied 162 heb je een heel aantal van zulke bijbelliederen, waarbij de collectie ook nog eens een wat lukrake indruk maakt, met onder meer een eindeloos lied over Jona. Is dit nu het neusje van de zalm van de bijbelliederen? Los daarvan vind ik dit soort liederen te specifiek voor een liedboek. Ook door de gezangen had ik de digitale bezem nog wel een keer willen halen. Gezangen als LvdK 6 (=LB 151) en ook LvdK 13 (=LB 23a) zijn qua taal over de houdbaarheidsdatum heen en rijp voor het digitale depot. Het had op dit punt dus scherper gekund. Net als in de bibliotheek, waar de veel geleende boeken in de zaal staan opgesteld terwijl de rest in het magazijn staat. Dat is allemaal nakaarten natuurlijk. Bij een volgende versie van het liedboek zal het ongetwijfeld anders gaan. En de dikke bundel heeft ook voordelen. Je hebt de liederen allemaal bij de hand, ook thuis en bij vergaderingen. En wat geeft het dat er een aantal liederen in staan die nooit gezongen worden. Dat is in elk liedboek zo.
Lezen
Ondanks deze kritische noten valt er veel te genieten in het nieuwe liedboek. In de vorige Opbouw kwam ik al met een paar nieuwe (of nieuw vertaalde) liederen. Prachtig! Ik vind sommige van de dichters, zoals Sytse de Vries, in de vertaalde liederen ook pittiger en inhoudelijk sterker dan in de liederen van eigen makelij. Boeiend is dat je – anders dan in het liedboek uit 1973 – in het nieuwe liedboek tussen de liederen door allerlei korte teksten tegenkomt. Vaak schreef ik in de kantlijn van mijn printje: mooie tekst. Het zijn meestal gebeden of wat daartegenaan zit, en dat in een rijk spectrum: voor momenten van verdriet, vreugde, samenzijn of gemis. Treffend zijn de gebeden op pagina 1484 of pagina 1167. De teksten lijken me geschikt voor persoonlijk gebruik – misschien wel om de draad van het bidden weer op te pakken, als die je uit handen is geglipt. En ook voor pastorale momenten lijken ze me inzetbaar. Dichtwerk van Reve, Ent, Van der Graft, Jellema, Gerhardt, Otten en anderen zou zo maar een spiegel kunnen zijn waardoor je in gesprek raakt met de ander en samen dichter bij God komt (pagina 1415). Het bracht me op de gedachte dat ook menig liedtekst geschikt is om te lezen. Vooral teksten met veel twijfel en afstand tot God leg ik niet zo graag in de mond van de hele gemeente. Door een solist gezongen komt zo’n eenzame tekst vaak al beter tot zijn recht. Waarom zou je zo’n liedtekst dan ook niet lezen, in de dienst of thuis, alleen of met een ander? Ik denk daarbij aan korte liederen als LB 928.
Psalmen
Even terug naar de Psalmen. Over mijn verlegenheid met de verouderde taal van de berijmde versie had ik het al. Maar ook het strofische is me te stram en de lengte van veel psalmen werkt het goede gebruik ook tegen. Soms is een Psalm voor Nu een goed alternatief, maar lang niet altijd. Ik ben daarom benieuwd of het nieuwe liedboek ons in de praktijk nog andere mogelijkheden zou kunnen aanreiken. Je vindt tussen de berijmde psalmen van alles aan extraatjes. Er zijn bijvoorbeeld psalmfragmenten, die in een zekere afwisseling tussen gemeente en solist gezongen kunnen worden, zoals het afgebeelde fragment van Psalm 19 (LB 19a). Er zijn ook onberijmde teksten uit de NBV, die door een solist worden gezongen, met een refreinregel die voor de hele gemeente bedoeld is. En er zijn korte psalmfragmenten zoals u ze wel kent van Taizé. Het fragment uit Psalm 62 is een vergelijkbaar voorbeeld uit de Engelstalige wereld (LB 62c). Ik ben wel benieuwd of we in onze kerken wat kunnen met deze vormen, zodat de psalmen hun plek als bron voor de gemeentezang behouden.
Renovatie
Ten slotte nog enkele noties bij een paar gezangen uit het Liedboek voor de Kerken die opnieuw zijn gedicht. André Troost schreef een nieuwe versie van LvdK 26 (=LB 482). Aan de versie van het oude liedboek ben ik de laatste jaren meer dan eens voorbijgegaan vanwege de archaïsche taal. De nieuwe tekst brengt dit profetische lied weer een stuk dichterbij.
Een ander voorbeeld van een geslaagde renovatie vind ik LvdK 170 (=LB 837), een lied dat ik de laatste jaren ook niet meer gezongen heb. De nieuwe versie is korter en helderder van taal en spreekt mij in ieder geval veel meer aan dan de oude versie. Mooi deze hertalingen!
Wie weet koopt u in de komende weken een exemplaar van het nieuwe liedboek. Het zou mooi zijn als deze uitgave een nieuwe impuls geeft aan onze gesprekken over de gemeentezang. Al lijkt het me niet waarschijnlijk dat Nederlands-gereformeerde gemeenten zullen afstappen van de beamer, om voortaan te zingen uit dit liedboek. Zo’n radicale stap is ook niet nodig, want er komt een digitale versie waarmee liederen projectieklaar kunnen worden gemaakt. Voor de musici is er een begeleidingsbundel en een koorbundel verkrijgbaar. Mogelijkheden genoeg dus om met het aangebodene aan de slag te gaan.
Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord, lid van de redactie van Opbouw en namens de NGK lid van het bestuur van de ISK.