Liederen om stil van te worden
2005-07-01
‘Daar zitten we dan, het is half zeven in de avond, op een camping in Frankrijk, net onder Lyon. De camping ligt in een dal, de bergen om ons heen, de zon is al wat gezakt, maar schijnt nog volop en ook de vogels laten zich horen. Na het eten is Psalm 104 aan de beurt.’ Als Opbouw-lezers kijken en luisteren we even mee met Hans en Corrie de Vlieger.- Jaargang 49
- nummer 13
'U leidt het water van de bronnen door beken, tussen de bergen beweegt het zich voort.
Het drenkt alles wat leeft in het veld, de wilde ezels lessen er hun dorst.
Daarboven wonen de vogels van de hemel, uit het dichte groen klinkt hun gezang ...
Hoe talrijk zijn uw werken Heer, Alles hebt u met wijsheid gemaakt ...
Prijs de Heer, mijn ziel. Halleluja!
Corrie schreef: ‘Wij kijken om ons heen en kijken elkaar aan. Wilde ezels zien we niet, er lopen wat koeien, maar verder klopt het beeld aan alle kanten!
Bijbelles in de natuur, we hebben God ervoor gedankt.’ Ook andere van mijn meelezers waren onder de indruk van deze hymne op de Schepper.
Zonde
Het is een mooi plaatje als vertrekpunt, want in meer figuurlijke zin zijn de psalmen ons immers ook gegeven voor de hoogten en diepten van ons bestaan. Vooral bij dat laatste zou ik iets langer stil willen staan. Een van de bekendste psalmen begint met ‘Uit de diepte roep ik tot U’ (Psalm 130).
Ontelbaar vaak zal dit lied gelezen, gezongen en gebeden zijn vanaf zieken sterfbed. Maar bij de psalm gaat het vooral over één specifieke laag van onze ellende, namelijk die van de zonde. In de verkondiging van de christelijke gemeente staat deze thematiek van zonde en vergeving nadrukkelijk op de voorgrond, maar in de psalmen valt dat in eerste instantie minder op.
Zichtbare nood
Niet dat de zonde geen rol speelt, want dat is in vrijwel elke psalm het geval. Maar doorgaans word je met de zonde op een meer indirecte wijze geconfronteerd, namelijk in het gevolg van de zonde van ánderen. In veel psalmen klinkt immers de stem van de wees, de weduwe, de vluchteling en de vervolgde, die God aanroepen met het oog op het leed dat hen is aangedaan.
En niet zelden hoor je hoe de Heer verlossing heeft gebracht uit deze heel directe en zichtbare nood. Zoals in Psalm 146, waar God bezongen wordt als Bevrijder van gevangenen, Genezer van blinden en nog veel meer.
Bedding
Naar dat soort van goddelijke bevrijding wordt in de psalmen met smart uitgezien. Precies zoals Israël in Egyptische tijden verlangde naar bevrijding uit de slavernij. En in het Nieuwe Testament zieken en gehandicapten Jezus hulp inriepen. Tegenover Johannes typeert Jezus zijn werk met woorden uit Jesaja, die sterk aan Psalm 146 doen denken: ‘Blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt’ (Matteüs 11). De direct zichtbare nood krijgt in Oude en Nieuwe Testament dus grote aandacht.
In deze brede bedding van noodhulp tref je vervolgens de psalmen, waar de diepte van de nood van de zonde ter sprake wordt gebracht, zoals in Psalm 130. Of ook Psalm 143, waar David bij al het onrecht dat hem is aangedaan het besef verwoordt ‘dat voor God geen sterveling onschuldig is’.
Wat betekent het voor de christelijke gemeente, dat de psalmen zo vol zijn van de direct zichtbare nood? En dat God zich niet schaamt om zich in te laten met dat brede spectrum van menselijk leed? En dat Jezus niet anders reageert bij zijn rondgang door Galilea? En dat in die ruimte van verlossing ook de zonde ter sprake wordt gebracht. Dat zijn belangrijke vragen als het gaat om de stijl van het Koninkrijk rond diaconaat en verkonding.
Als God ons thuisbrengt
Dan nog iets over dat tweede gedeelte van de psalmen (73-150). Je treft er een paar clusters van psalmen aan. De bedevaartsliederen zijn het meest bekend. Die beginnen in verre vervreemding (Psalm 120) en eindigen in de tempel (Psalm 134). Halverwege vind je de 126e, waarvan Bob Wielenga zich kon voorstellen, dat de joden het zongen bij de bevrijding van Auschwitz in 1945. En vaker natuurlijk, want bevrijding na onmenselijke verdrukking heeft altijd iets van een droom. En helemaal op het allerlaatst, als de bazuinen klinken. ‘Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn’ om het met de woorden van Oosterhuis en de klanken van Huijbers te zingen. Even eerder vind je het Hallel - de lofzang - ofwel de psalmen 113-118. ‘Lees de psalmen 113-118 eens met in het achterhoofd dat Christus zelf deze met zijn discipelen heeft gezongen voor Hij naar Getsemane ging’, zo schrijft Andries Mak met een toespeling op Marcus 14:26. Dat maakt dit clustertje al bijzonder, nog afgezien van wat je al zingend tegenkomt. Het psalmboek eindigt trouwens ook met de lofzang, want de laatste vijf lopen uit op een halleluja. En niet minder uitbundig zijn de koningspsalmen 95-99.
Contrasten
Maar ook verder is er in dat tweede deel veel om je over te verwonderen.
De psalmen vol van geschiedenis bijvoorbeeld, zoals de donkere 78e. Of ook het tweeluik van Psalm 105 en 106.
Bob Wielenga typeert ze als zijde en keerzijde: ‘Psalm 105 beschrijft de verbondsgeschiedenis als geschiedenis van Gods trouw, Psalm 106 beschrijft dezelfde geschiedenis als geschiedenis van ongehoorzaamheid van Israël.
Beide kanten zijn even waar, al zal de trouw van God uiteindelijk de ontrouw van mensen overwinnen.’ En dan heb je de mysterieuze Psalm 110 met zijn toespeling op Melchizedek, de koning van Salem en tijdgenoot van Abraham.
En de 119e, verreweg de langste van de (alfabetische) psalmen. Hoe komt een mens op het idee om zo’n lied te schrijven, vroeg menigeen zich af. En welke gezangencommissie zou zulke liederen opnemen in een moderne bundel? Het viel trouwens niet mee om al lezend de aandacht bij Psalm 119 te houden, zo bekende menigeen. Ik zat op een gegeven moment ook mechanisch door te lezen, al denkend óver de psalm. Terwijl we met de Amersfoortse psalmen-marathon van een paar jaar geleden Psalm 119 ‘per letter’ gezongen hebben en toen die ervaring helemaal niet hadden. Soms zongen we de drie coupletten behorend bij die ene letter als onderbreking van lange psalmen, zoals 78 en 106 en 107. De 119e psalm met zijn liefde voor de Heer en zijn Woord zorgde zo voor de meest indringende contrasten. Heel bijzonder, nog afgezien van het feit dat het prachtig was om de psalmen in zulke 16e eeuwse zettingen te zingen.
Opwekking en zo
Tineke Plooij was degene uit de kring van meelezers, die verreweg het vaakst aan een opwekkingslied moest denken bij de lezing van de psalmen. De 146e natuurlijk, die op een andere (en vrolijke wijs) via de bundel van Johannes de Heer in Opwekking terecht is gekomen (221). In de oude berijming nog wel. Als kind vond ik dat zelf ook altijd de leuke en snelle wijs en met Chris Lindeboom aan het orgel van de Plantagekerk in Zwolle zongen we de psalm vaak op die manier. Maar ook Psalm 100 is onverkort en oud berijmd in Opwekking te vinden (217). Verder zijn het vaak fragmenten, zoals Psalm 125:1,2 (Opwekking 183) en Psalm 68:20 (Opwekking 411). Bij Psalm 147 verwees Tineke met vreugde naar een nieuwe loot aan de psalmenboom, namelijk de ‘Psalmen voor nu’. Op dat project komen we in Opbouw zeker nog terug!
In alle culturen
‘Psalmen zouden vaker in zijn geheel gezongen moeten worden’, zo vonden onder meer Jaap Kanis en Andries Mak. De kerkelijke praktijk is vaak anders. Nog weer anders is het in Zuid-Afrika, waar de Geneefse melodieën nauwelijks meer gezongen worden.
Bob Wielenga zit er niet mee en schrijft ergens: ‘Psalm 121 is een geliefde psalm die ik hier vaak laat zingen op een heel mooie wijs. Mooi om te zien dat psalmen in alle culturen gezongen kunnen worden, als we het Geneefs maar vergeten.’ In die Afrikaanse context op zo’n grote afstand van Genève is zo’n ontwikkeling niet verwonderlijk. Maar de afstand in tijd (450 jaar) zou ons in Nederland wel eens in toenemende mate parten kunnen gaan spelen - als het gaat om diezelfde Geneefse melodieën.
Rooster
Spreuken, Prediker, Hooglied (kopijdatum: 29-06-05)