Critisch

1973-05-25
  • Jaargang 17
  • nummer 21
De critiek is "in"

Er zijn bepaalde woorden, die uit de taalschat verdwijnen, er zijn andere, die dag aan dag gebruikt worden. Tot de eerste groep behoren b.v. gehoorzaamheid, kuisheid, reinheid, tot de andere mondigheid, gerechtigheid, gelijkheid, vrijheid. Wie dit verschijnsel met enige aandacht beziet, komt al spoedig tot de ontdekking, dat het samenhangt met een bepaalde geestelijke gesteldheid; met een verandering in denken en leven. De taal is immers niet een in zichzelf onafhankelijke grootheid, maar uitdrukking van het leven. Wisseling in taalgebruik wijst daarom altijd heen naar een veranderende manier van denken en leven. Als de algemene mentaliteit verandert, weerspiegelt zich dat in de taal.
Tot de woorden, die momenteel "in" zijn, behoort ook het woord "critiek" en het bijvoeglijk naamwoord "critisch", vooral bekend in de verbinding "maatschappijcritiek"
en "maatschappij-critisch".
De huidige maatschappij deugt niet, zo is hierbij de gedachte.
Ze is althans vol gebreken en onvolkomenheden. Haar structuren deugen niet, d.w.z. de geledingen, waarin alles is vervat; het systeem als zodanig; de wijze, waarop ze is opgebouwd. Dit heeft dan betrekking op de maatschappij in brede zin: heel het economische en politieke bestel valt er onder. Deze twee raken in onze tijd trouwens steeds meer met elkaar verweven. Deze critische zin laat de roep horen om vernieuwing. Het ontstaan telkens weer van nieuwe politieke partijen is er niet vreemd aan.
Oppervlakkig beschouwd is dit een vreemd verschijnsel. We leven in een wel vaart als Nederland nooit te voren heeft gekend, waarbij die van de Gouden Eeuw niet in de schaduw kan staan, vooral ook hierin niet, dat nu de brede lagen van de bevolking er op een of andere wijze in delen.
Ik druk me opzettelijk voorzichtig uit. Maar hoe de welvaart ook toeneemt en de sociale voorzieningen worden uitgebouwd en de medische verzorging ongekend is, steeds luider verheft zich de maatschappij-critiek. En die betreft heus niet begrijpelijke zaken als milieuvervuiling en aantasting van ons natuur-bezit, maar ook de ongelijkheid in verdienste, in loon, in mogelijkheden, kortom; ze betreft heel de structuur van onze maatschappij.
Het is een boeiende vraag na te gaan waaruit deze critiek opkomt.

• De bron van deze critiek

Komt deze crdtiek op uit de slechte ordening van onze maatschappij of heeft ze een andere oorzaak?
We moeten ons hier m.i. hoeden voor een al te simpel antwoord.
De structuren van onze maatmaatschappij zijn m.i. slechts een aangrijpingspunt, niet de eigenlijke oorzaak. Deze ligt eensdeels wel in de maatschappij, maar niet in haar ordening als zodanig.
Want die kon, hoewel ze onvolmaakt is, echt wel minder. Onze maatschappij raakt echter steeds meer leeg van God en van Zijn heil. Ze wijst niet meer boven zichzelf uit. Ze is welvaartsmaatschappij geworden, waarin het steeds meer gaat om zuivere materiële dingen: om productie en consumptie. Alle hogere, geestelijke leven raakt steeds meer op de achtergrond. Dat kan op de duur de mens niet bevredigen.
Duidelijk blijkt dat uit het gedrag van de jongeren: uit hun protesthouding, zoals die zichtbaar wordt in de spijkerbroek, liefst met rafels en de slobbertrui. Niet dat het hart van de mens God zoekt, de God van de Heilige Schrift, de Vader van onze Here Jezus Christus.
Wel is het woord van Augustinus waar dat het hart van de mens onrustig is totdat het rust vindt in God (Confessiones I, 1.), maar van het laatste - het rust vinden in God - wil het cor inquietum, het onrustige mensenhart, van nature niet weten. Hij schept zich zijn eigen goden in de vorm van idealen, die hem verheffen boven het platte aardse, boven de materie. Zo is hij een idealist en gelooft hij in en strijdt hij voor zijn ideologie. In deze ideologie is vandaag - het woord gerechtigheid één van de trefwoorden.
Daar wordt om geroepen in onze maatschappelijke verhoudingen en ook met het oog op de verhouding tussen de rijke en arme landen, Wan] een mens kan nu eenmaal niet in de leegte leven.
Men zie hierover ook het in Nederlandse Vertaling in de vijftiger jaren verschenen werk van Karl Bednarik: De jonge arbeider van deze tijd. Een nieuw type.
Verschenen bij de Erven J. Bijleveld.
De nozems met hun nihilisme hebben plaats gemaakt voor de "critische jongeren", die wel lastig kunnen zijn, maar toch naar idealen grijpen. Er valt weer mee te praten!

• Het nieuwe mensbeeld

Deze critiek, die haar diepste wortels eensdeels vindt in de geestelijke leegte van onze technisch overvoerde consumptiemaatschappij heeft anderzijds haar bron in het mensbeeld van onze tijd. Ik schreef boven dit stukje het "nieuwe" mensbeeld.
Nu is dat woord "nieuw" uiteraard betrekkelijk. Wat is in de geschiedenis van onze wereld werkelijk nieuw! Misschien kunnen we zeggen dat het moderne mensbeeld zich met vernieuwde kracht baanbreekt in onze tijd.
Het is het beeld van de vrije mens, zoals zich dat in Europa voor het eerst duidelijk vertoonde in de Renaissance, toen beperkt tot een elite, nu door de toenemende welvaart en de communicatiemiddelen veel algemener.
Het is het beeld van de autonome mens, die zichzelf tot een wet is en geen wet, geen gezag boven en buiten zich erkent. Men denke in dit verband aan de drift tot democratisering, zoals die zich vandaag laat gelden. Ze heeft, niet als streven naar noodzakelijke of gewenste verbetering van bepáálde verhoudingen, maar als fanatiek aangehangen beginsel, als ideologie, hier haar wortels, evenals de revolutionaire tendenzen van onze tijd, heel het critische bedrijf als beginsel, als ideologie, in de plaats gekomen van de religie.

Evangelie en maatschappij

We horen vandaag telkens betuigen dat het Evange1ie zelf maatschappij-critisch is. Graag wordt in dit verband ook verwezen naar de profeten van het Oude Testament, die met striemende woorden de maatschappelijke misstanden van hun dagen geselden en daarbij de rijken en groten niet spaarden, Ja, hen in het bizonder tot doelwit van hun critiek maakten. Heeft Jezus zelf niet het "wee u" de rijken in het aangezicht geslingerd? Luc. 6 : 24.
En is 't het Evangelie niet, dat opkomt tegen alle onderdrukking en onrecht? Moet daarom de kerk niet voorop gaan in de maatschappii-critiek en alle onrecht en onderdrukking, alle diskwalificatie en ongelijkheid aan de kaak stellen?
Er zijn theologen, die zo ver gaan dat ze betogen dat het Evangelie in deze zin voor de moderne mens moet worden vertaald in maatschappelijke en politieke termen. Zo niet, dan verIiest het zijn aanspreekbaarheid en relevantie en de kerk wordt een museum. De klacht is ook vaak dat de kerk in het verleden zich altijd conservatief heeft opgesteld en een bolwerk is geweest voor het behoud. Maar dat kwam dan neer op gedogen van het onrecht en zich neerleggen bij het kwaad in de maatschappij, Ja, op het beschermen ervan.
Is er niet veel waars in deze critiek op de kerk; op de kerk van het verleden?

• Kerk en maatschappij

De laatste vraag is er een van historische aard en de beantwoording ervan zal heel wat meer ruimte vragen dan in een artikel van een weekblad voorhanden is.
'k Wil daarom volstaan met op drie dingen te wijzen: Het eerste is dat het onbegonnen werk zou zijn om de kerk van alle critiek te zuiveren, Christus' kerk gaar haar weg door de geschiedenis in onvolmaaktheid, ook voor wat betreft het laten schijnen van haar licht, het licht van het Evangelie, over maatschappelijke aangelegenheden, in casu, het aanwijzen van onrecht en onderdrukkeg in het maatschappelijke leven. Dat kan in bepaalde gevallen zeker tot haar taak behoren.
De Bijbel gaat haar daarin voor. Daarop werd boven reeds gewezen. En daaraan zou nog kunnen toegevoegd worden wat Jacobus schrijft in zijn brief.
Het tweede is dat men hier met het woord kerk toch niet alles op een hoop moet gooien. Wat verstaat men onder de kerk in de vorige eeuw, laat ons zeggen in de jaren 1840-1870? De liberaal getinte en gezinde Hervormde Kerk (het genootschap!) of de Christelijke Afgescheiden Kerk, met wat daar geestelijk bij behoorde?
Deze bestond zelf voor een zeer groot deel uit mensen, die leden onder onderdrukking en armoede. Een deel van hen is om maatschappelijke en geestelijke redenen uit het Nederland van die dagen geëmigreerd om ergens elders een vrij geestelijk en beter maatschappelijk bestaan op te houwen.
En dan zou ik nog willen wijzen op een derde: Met de maatstaven van deze tijd: democratie, vakorganisaties, een vrij sterke beheersing van de economie en gestegen welvaart door wetenschap en techniek kan men vroeger tijden niet afmeten zonder in grove onbillijkheden te vervallen. Elke tijd is tenslotte historische bepaald, zowel wat de mogelijkheden als de opvattingen betreft.
Zonder onbillijkheden kan men het eigen denken niet toepassen op vroeger tijden.
Dat neemt niet weg, dat de geschiedenis vol is van onrecht en onbillijkheden en dat daartegen onze strijd heeft te gaan, ook als christenen.
Maar dat is niet hetzelfde als de critiek toevallen, in haar doelstellingen en werkwijzen, zoals we dat vandaag meemaken. De Kerk van Christus heeft in dit opzicht een eigen geluid te laten horen en de christenen hebben in dat opzicht een eigen standpunt in te nemen. Het is een kwestie van levensbelang om dat goed in te zien. Daarom willen we daarover graag in een volgend nummer nog het een en ander opmerken.
We denken daarbij dan ook speciaal aan onze jonge mensen, die met deze vragen worstelen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief