De nieuwe theologische faculteit van de V.U.

1973-05-25
  • Jaargang 17
  • nummer 21
De grondslagencrisis die in de ARP zo duidelijk aan de dag is getreden. is uiteraard geen geïsoleerd verschijnsel. Zij is niet meer dan één moment in, één openbaring van de crisis die heel de oorspronkelijke "gereformeerde wereld" tot dn de wortel heeft aangetast.
Het is een crisis die vooral hierdoor wordt gekenmerkt dat het authentiek reformatorische leven en denken wordt teruggedrongen om plaats te maken voor een leven en denken dat door allerlei soort nieuwe - in feite Vlaak ook heel oude - theologieën en filosofieën wordt geïnfecteerd.

een gereformeerde universiteit

Een typisch voorbeeld van dit terugdringen van het authentiek gereformeerde is wat in de laatste jaren met de Vrij Universiteit is gebeurd.
Naar haar opzet was de V.U. een gereformeerde Universiteit.
Dat betekende naar de bedoeling van de oprichters tegelijk ook: een voluit katholieke, oecumenische universiteit. Want "gereformeerd" was voor hen niet een of andere religieuze, kerkelijke of theologische specialiteit, maar niets anders dan het authentiek Schriftuurlijke, Christelijke! Dat werd alleen als "gereformeerd" aangeduid om daarmee duidelijk tot uitdrukking te brengen dat door Gods genade, onder de leiding van de Heilige Geest, in de grote reformatietijd de kern, de diepste motieven van het Woord van God zó helder aan het licht waren getreden als nooit te voren. Zó helder als dat ook nádien nooit meer het geval was geweest. En dat de kerk daarom zich bij wat God in die reformatie aan haar had geschonken diende aan te sluiten, om van daaruit voort te gaan met de bede en de worsteling om een steeds dieper verstaan van het Woord van God en een steeds inniger binding daaraan in leven en denken te komen.
Een man ais Bavinck heeft dit, bijna tot vermoeiens toe, er bij zijn geestverwanten pogen in te hameren.
Het Gereformeerde, zo hield hij speciaal de kring rond de Vrije Universiteit voor, wil niets anders zijn en is ook niets anders "dan het Christelijke zelf, gelijk het uit de verbastering in de historie der zestiende eeuw weer zuiver is te voorschijn getreden." En daarom is het Gereformeerde naar zijn typische aard "even katholiek als het Christendom zelf." Meer dan in enige andere concessie is in de gereformeerde "de genade volstrekt souverein, overvloediger dan alle zonde, onafhankelijk van geslacht en leeftijd, van volk en land, onafhankelijk zelfs van de wil van de mens! Aan de liefde des Vaders, aan de genade des Zoons, aan de gemeenschap van de Heilige Geest is daarin geen andere grens gesteld. dan die welke in de altijd wijze en heilige raad getrokken is. Geen terrein des levens is van de herschepping uitgesloten. Aan geen schepsel behoeft gewanhoopt. Het Evangelie is voor alle creaturen bestemd." 1) In geen enkele confessie, zo verzekerde - en bewees! - Bavinck, " is het christelijke in zijn religieus, ethisch en theologisch karakter zo tot zijn recht gekomen; nergens is het zo diep en breed, zo ruim en vrij, zo waarlijk katholiek opgevat als in die van de Gereformeerde Kerken".2) Het spreekt van zelf dat de stichters van de Vrije Universiteit vanuit deze diepgewortelde overtuiging voor heel de theologische arbeid die daarin verricht zou worden de gereformeerde confessie tot grondslag kozen.
Dat deden ze omdat ze de gave van God in de grote Reformatie geschonken niet wilden verachten maar ten volle honoreren.
Dat deden ze opdat hun Universiteit in de hoogste mate waarin dat hier en nu mogelijk is oecumenisch en katholiek zou zijn.
Dat deden ze om voor zover mensen dat kunnen doen een ware progressiviteit mogelijk te maken.
Dat deden ze om het fatale dilemma van: conservatief Of progressief voluit te boven te komen.
Dat deden ze bovenal om de theol. faculteit gehéél en alleen te binden aan de Heilige Schrift.

• de grote verandering

Zoals bekend is werd de situatie van de Vrije Universiteit in de voorbije jaren radikaal veranderd.
Op allerlei manier.
Maar vooral ook daarin, en daarop wil ik speciaal wijzen, dat de gereformeerde confessie niet langer meer grondslag is van de theologische faculteit en dus ook niet van de daarin plaatsvindende theologische wetenschapsbeoefening.
De V.U. heeft nu voor alle arbeid die in haar geschiedt een grondslag gekozen die sterk herinnert aan die van de Wereldraad van Kerken en die men "algemeen christelijk" zou kunnen noemen.
Het is een grondslag die in de huidige religieuze, kerkelijke en theologische situatie bitter weinig zegt. Want de formulering ervan wordt door de vele nuances, stromingen, richtingen, groepen in de christenheid totaal verschillend gelezen en geïnterpreteerd. 3) De betekenis van deze grondslagverandering is enorm.
De V.U. is daardoor van een gereformeerde of calvinistische universiteit een "algemeen-christelijke" geworden. Ze heeft nu een grondslag waarmee de felste tegenstanders van haar oprichting zonder twijfel van harte mee zouden hebben ingestemd! 3) Deze grondslagwijziging is speciaal voor de theologische faculteit diep ingrijpend en fataal.
Die faculteit is nu geen faculteit meer ter beoefening van de gereformeerde theologie. Ze heeft opgehouden L'en gereformeerde faculteit te zijn.
Dat betekent natuurlijk niet dat er geen hoogleraren en andere functionarissen in kunnen werken die de theologie nog beoefenen in authentiek reformatorische, gereformeerde zin! Maar het betekent wèl dat er volgens de statuten geen gereformeerde theologische faculteit meer is. En dat daarin dus rechtens ook niet-(confessioneel) gereformeerde functionarissen in opgenomen kunnen worden en werkzaam zijn. De grondslag is zelfs van dien aard dat vermoedelijk wel alle theologische docenten die aan nederlandse universiteiten werkzaam zijn hem kunnen en willen onderschrijven!
Deze stand van zaken is helder aan de dag getreden door een aan tal scherpe vragen die door prof. Nauta in de op 6 febr. 1971 gehouden jaarvergadering van de Vereniging waarvan de V.U. uitgaat werden gesteld. Wat toen duidelijk aan het licht trad heeft deze in het Centraal Weekblad kort daarna zó beschreven: "Heel belangrijk is het, dat duidelijk (door Directeuren van de V.U. n.l.) werd erkend, met betrekking tot de faculteit der godgeleerdheid, dat men van de oorspronkelijke opzei is afgeweken.
Er is niet langer sprake van dat deze faculteit als geheel gebonden zou zijn aan de drie formulieren van enigheid. Alleen voorzover ter zake met een bepaalde kerk een overeenkomst wordt aangegaan, bestaat de mogelijkheid (!) dat althans gedeeltelijk - nl. voor 't onderwijs en niet voor het onderzoek - de band aan de belijdenisgeschriften verplichtend wordt gesteld. Gelijk men weet, is zulks momenteel het geval met de overeenkomst, die met de Geref. Kerken indertijd' werd aangegaan."
Toen het zo goed duidelijk was geworden dat de theologische professoren van de V.U. als zodanig niet meer bij hun arbeid aan de belijdenis waren gebonden, stelde prof. Nauta voorts de vraag. of de mogelijke tegenstellingen die door deze stand van zaken binnen de faculteit zouden kunnen optreden geen aanleiding moesten geven tot ernstig nadenken en of met het oog daarop geen voorzieningen getroffen moesten worden!

De onmogelijke constructie

Die vraag was ten volle ter zake.
Men denke zich de situatie maar eens in.
Een theologisch hoogleraar aan de V.U. is als zodanig niet gebonden aan de confessie. Hij is in zijn theologische arbeid wat de binding aan de geref. belijdenis betreft volkomen "vrij". Hij kan uiteraard dus ook rechtens resultaten van zijn theologisch onderzoek die afwijken van de belijdenis of daar zelfs rechtdraads tegen ingaan publiceren! Hij is als professor aan de V.U. alléén gebonden aan de, in feite weinig of niets zeggende, nieuwe grondslag!
Maar - in het onderwijs dat zo'n hoogleraar moet geven is hij krachtens een eventuele overeenkomst met de Geref. Kerken wèl gebonden aan de gereformeerde belijdenis!
Kort en duidelijk geformuleerd komt de stand van zaken dus hierop neer: De gehele theologische faculteit van de V.U. is niet gebonden aan de gereformeerde belijdenis. Alleen voor zover met bepaalde kerken (b.v. gereformeerde) een overeenkomst wordt aangegaan bestaat de mogelijkheid dat voor de theologische faculteit. althans gedeeltelijk (namelijk alleen wat het theologisch onderwijs, maar niet voor het theologisch onderzoek en de concrete resultaten daarvan in tijdschriften, boeken, enz. betreft) de band aan de belijdenis verplichtend wordt gesteld!
Ik meen te mogen en te moeten zeggen dat de hier omschreven constructie logisch ondenkbaar en praktisch onuitvoerbaar is.
De taak die aan een niet-gereformeerde theologische hoogleraar in de zo door een overeenkomst met gereformeerde kerken gebonden theologische faculteit wordt opgelegd is eenvoudig 'n onmogelijke!') Maar hoe dit ook verder moge zijn: in ieder geval staat vast dat als b.v. kerken, die een overeenkomst als de zojuist aangeduide met de V.U. hebben aangegaan, de theologie van een hoogleraar zouden veroordelen of hem zouden schorsen, diens positie in de V.U.
volledig onaangetast zou blijven!
Prof. Kuitert antwoordde in het bekende interview met Bomans op diens vraag of hij vanwege zijn van de gereformeerde confessie afwijkends opvattingen ook "afzetbaar" was als prof. van de V.U. zeer terecht: "Laat ik dan het misverstand uit de wereld helpen, dat de Vrije Universiteit waar ik doceer, een gereformeerde aangelegenheid zou zijn. Die theologische faculteit is dat ook niet. Men heeft wel een contract met de gereformeerde kerken voor de afname van de "klanten", want iedere faculteit, ook de theologische moet natuurlijk een afzetgebied hebben. Ook de rijksuniversiteiten hebben hun overeenkomst met de verschillende kerken, die weer voor hen een afzetgebied vormen, maar daar blijft het bij.
Ik moet mijn werk doen, en dat is het enige waarop ik word bekeken bij de Vrije Universiteit."
Een andere consequentie van de omzetting der theologische faculteit aan de V.U. is dat het verdedigen van dissertaties waarin van de belijdenis van de Geref. Kerk wordt afgeweken of die daarin wordt bestreden. volkomen legitiem is. Binnen het kader van de Vrije Universiteit namelijk. Zo was het b.v. met de dissertatie van dr Wiersinga over de Verzoening.
Hoe de kerkelijke instanties daartegenover staan en daarop reageren is een andere kwestie.
Maar volgens de normen die voor de V.U. gelden is zo iets volkomen wettig en dus geoorloofd.
Een volgende consequentie van deze nieuwe stand van zaken is dat de Geref. Kerken in haar synodes jaren lang kunnen en moeten worstelen om invloeden van in het kader van de V.U. volkomen wettig gepropageerde anticonfessionele theologische beschouwingen te bestrijden ten einde de kerken voor de funeste invloed daarvan te beschermen!
De laatste jaren zijn van een dergelijk gebeuren getuige geweest.
Zo is de nieuwe situatie van de theol. faculteit aan de V.U.
Uiteraard is deze nog pas in het beginstadium van haar ontwikkeling.
Maar het heeft er alle schijn van dat het principiële verschil tussen haar en de andere theologen theol.
faculteiten in ons land spoedig zal zijn uitgewist. Ze zal dan niet meer zijn dan een "variatie" van een en dezelfde "soort".


1) Hij zei dit in een rede die hij voor de Vereniging voor Gereformeerd Hooger Onderwijs in 1895 te Zwolle hield. Bede en Rede, Kampen 189D, 40.
2) Geref. Dogmatiek P, Kampen 1895, IV.
3) Die grondslag luidt: "het Evangelie van Jezus Christus, dat naar de openbaring in de H. Schrift de mens in zijn gehele leven roept tot de dienst en verheerlijking van de ene God, Vader, Zoon en Heilige Geest en daarin tot dienst aan de mensen". Elke term van deze formule is polyinterpretabel en wordt ook in feite verschillend geïnterpreteerd.
3) Ik denk die zeggend aan "orthodoxe" theologen als Bronsveld. Van Toorenenbergen, Van Oosterzee enz.
4) Kuyper wilde op grond van zijn kerk-idee en gemene-gratie-conceptie de band tussen de theol. fac. van de V.U. en de kerken radicaal verbreken.
Hij zei op de jaarvergadering van de V.U. op 5 juli 1912 o.a.
dit: "Onze Vrije Universiteit dreigde reeds meer dan eens van kerkzijde in de klem te komen, en ik zal mij wel wachten te loochenen, dat ze niet reeds met de kleine teen van haar linkervoet in die klem vastzit.
Dit hangt er met name aan, of ze haar Theologische faculteit niet te zeer tot een hulpschool voor de opleiding verlaagt. Zeer zeker, die faculteit moet ook opleiden, doch haar eerste roeping is en blijft toch om de Theolcgia Sancta wetenschappelijk ook dan te vertegenwoordigen, al had ze geen enkel theologisch student.
Een theologische faculteit is zo heel iets anders dan een opleidingsschool in oorsprong, doel en uitingswijs; en nooit mag ze vergeten, dat haar principiële roeping niet in de kerk, maar op het erf der wetenschap ligt". Die "kleine teen aan de linkervoet" was en is de invloed die de deputaten van de synode der Geref. Kerken op de benoeming der theol. professoren uitoefenen. In de nieuwe situatie waarin de V.U.
thans gekomen is, is die inderdaad onzinnig. Die deputaten kunnen wel eisen dat een te benoemen prof. aan de confessie gebonden moet zijn, maar als hij er ná zijn benoeming van gaat afwijken kunnen ze niets meer met hem beginnen. Zijn positie als hoogleraar aan de V.U. is dán onaantastbaar!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief