Onder ons

1973-05-25
  • Jaargang 17
  • nummer 21
Toen ik in Utrecht uit de trein stapte, besefte ik, niet te weten waar de Mariaplaats mocht liggen. Stom - dat had ik even moeten navragen, Iedereen weet dat natuurlijk, alleen ik niet. Dies liep ik met de stroom mee, richting centrum. Wetend dat de meerderheid altijd verkeerd loopt en dat alleen de enkeling de wereld vooruithelpt. Dare to be a Daniel, durf alleen te staan. En dan maar uitkijken naar een betrouwbaar lijkende vraagbaak.

Ja hoor, op de brug trof ik een collega: een openbaar muzikant. Een merkwaardig man, met anderhalve poot en een mondharmonica.
Speelde met al zijn macht: een been om op te staan, een been om de kost te verdienen, een hand om de harmonica te bewegen en een hand om de geldkist vast te houden; een mond om muziek te maken en ogen die je collegiaal aankeken.

Ik bleef staan, offerde mijn geldstukje (kolossaal, wat zulke mensen op zaterdag kunnen verdienen) en wachtte eerbiedig tot zijn aubade uit was. Hij sloot zijn muziekstuk met een jubelende cadens af, gaf nog een slottirade en nóg een bezegeling en keek me afwachtend aam.

- Of u me even wilt zeggen waar ik de Mamaplaats vind, vroeg ik, het gebouw van Kunsten en Wetenschappen, weet u wel?
- Jazeker, antwoordde hij minzaam, u loopt gewoon recht door ...
- Langs de Neude?
- Langs het postkantoor en dan de smalle straat door, steeds recht door tot u niet verder kunt.
- Dat is ver, probeerde ik nog een grapje.
- Tot u niet verder kunt, herhaalde hij; dan bent u er.

Helemaal gerust was ik niet. Ik zag mezelf bij levende lijve en ontijdig op het Jenskerkhof terecht komen. Gesteld dat er nog plaats voor me was. Toch liep ik door en luisterde met een half oor naar de nieuwe serenade, die achter me op de brug opbloeide. Postkantoor voorbij, smalle straat door. Zie je wel, even later stond ik besluiteloos op het Janskerkhof. Toen zong ene Heine aan mijn oor: Auf einen Totenacker hat mich mein Weg gebracht ... Maar dat kon de bedoeling niet zijn van mijn collega. Gelukkig: twee ijverige dienaren van de heilige Hermandad waren in de weer om nummers van verkeerd geparkeerde auto's op te nemen en bonnen uit te reiken, (Kolossaal, wat kunnen die kerels op zaterdag veel verdienen.)

Ik wachtte beleefd tot een van de twee zijn bom volgeschreven en onder een ruitenwisser bevestigd had. Toen verzocht ik hem, mij even een kleine inlichting te geven.

- De Mariaplaats, vroeg ik, Gebouw van Kunsten en Wetenschappen, weet u wel?
- Op zaterdag? vroeg hij verwonderd. Wat moet u met kunsten en wetenschappen op zaterdag?
- Zo maar, antwoordde ik onzeker, een vergadering of zo ...
- Een vergadering? Op zaterdag? Weet u dat wel zeker meneer? Wat voor vergadering eigenlijk? vroeg Hermandad.
- Van een krant, een blad bedoel ik, jaarlijks overgangsexamen weet u wel, of ik bedoel persvereniging, of eigenlijk confrontatie met broeders en zo, weet u wel?

Ik merkte dat Hermandad, die wat minder lengte van moeder Natuur had meegekregen dan ik, zijn hakken voorzichtig van het plaveisel losmaakte en probeerde op mijn ooghoogte te komen. Nu ging hij me wat meer imponeren, besefte ik.

- Bent u hier eigenlijk wel goed terecht? vroeg hij met gezag.
In Utrecht bedoelt u?
Jazeker, in Utrecht meneer!
Ik ben hier geboren, begon ik nog: Toen zweeg ik, want het ongeloof stond een duim dik op 's mans strenge aangezicht.
Geboren zei u? Weet u dat wel zeker?
Dat is me altijd zo verteld, probeerde ik.
En is u ook altijd zo verteld, dat u examen moet doen op zaterdag?
Och nee natuurlijk, hoe komt u bij dat examen, het gaat om Maria weet u wel, om de Mariaplaats en een jaarlijkse ontmoeting met leden en lezers en zo.
- Lezers waarvan? vroeg hij met uitbundig wantrouwen.
- Van artikelen, van opstellen en zo, snapt u wel?
- Nee, zei hij uitgesproken nors, dat snap ik niet. Mariaplaats zei u?
En Gebouw van Kunsten en Wetenschappen? U gaat hier rechts uit de flank naar de Domkerk.
- Maar ik moet niet in de Domkerk zijn, protesteerde ik, - U gaat richting Domkerk, besliste hij. En voor de kerk gaat u rechts af. Dan gaat u drie maal om de Domtoren en neemt rechts de Servetstraat.
- Pardon, vroeg ik, Michael Servet?
- Wat zou dat nu, brieste Hermandad; wat scheelt er aan Miohael Servet?
- Die was tegen de leer van de Drie-eenheid en een bestrijder van Calvijn, mompelde ik. Ik moet juist bij een calvinistisch gezelschap zijn.
- Voor mijn part neemt u de Barend Servetstraat. Hermandad was aan het eind van zijn geduld. Met parkeerbonnen was tenminste meer te verdienen dan met mij. U loopt de hele Servet af, zei hij nog, en loopt dan tegen een groot wit gebouw op. Daar kunt u niet verder.

Ik ben gehoorzaam richting Dom gewandeld, rechts af gegaan, drie maal om de Domtoren gelopen en met enige huivering de Servet doorgegaan.
Welke Servet? De tegenspeler van Calvijn of de tegenspeler van de EO? Ik wist het niet en twijfel vervulde meer en meer mijn hart. Daarom merkte ik niet het grote witte gebouw aan het eind van de straat op.
Met een klap kwam ik er tegen tot stilstand. Bèng! Inderdaad, ik kon niet verder.
Twee broeders raapten mij op en verleenden eerste hulp.
- Je stukkies lust ik niet, gromde de ene, die een blauw oog wegstreek.
- Maar zó was het nu ook weer niet bedoeld, suste de ander, die mijn jasje afklopte.
Toen ging ik naar binnen, groette de broeders en greep moed, We waren weer onder ons. Eén nam me even apart: "je mag om mij ook wel wat korter schrijven", ventrouwde hij me toe.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief