Een consumerende kerk?
1973-06-01
Doch ik zeg u de waarheid: het is beter voor u dat ik heenga. Want indien ik niet heenga, kan de Trooster tot u niet komen, maar indien ik heenga zal ik hem tot u zenden.- Jaargang 17
- nummer 22
En als hij komt, zal hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel.
Joh. 16: 7-8.
We leven in een consumptieve maatschappij. Een maatschappij die gericht is op verbruik. Op in bezit
krijgen en gebruiken en weggooien. Een maatschappij van mensen die steeds meer willen en steeds meer nodig hebben en niet te verzadigen zijn. Mensen die slechts productief willen zijn voorzover dat voor hun consumptie nodig is. Want consumeren, dát is pas leven.
Leven we ook in een consumptieve kerk? Zijn we ook consumptieve gelovigen? Mensen, voor wie geloven slechts betekent dat ze ergens ván leven, en niet: dat ze ergens vóór leven.
En komt het misschien daardoor dat we met de hemelvaart van Jezus Christus niet zo best raad weten? Dat we in elk geval over zijn hemelvaart niet verrukt zijn, zoals de discipelen die, nadat Jezus van hen is weggegaan, naar Jeruzalem terugkeren, rovende en dankende God. Als we eerlijk zijn, zeggen we: hoe haalden ze het in hun hoofd?
Nu is die vrolijkheid ook de discipelen niet vanzelf aangewaaid.
Ze hadden moeite genoeg met de gedachte dat Jezus van hen zou weggenomen worden. Als Jezus zijn afscheid ter sprake brengt, als ze het door krijgen dat er een eind komt aan die wonderlijke tijd die ze met hun Meester hebben gehad, zitten ze in zak en as.
Want dat weegt toch wel verschrikkelijk zwaar: dat ze dat alles zullen missen, - zijn onderwijs, zijn gezaghebbende woord over het rijk van God, zijn wonderlijke macht waardoor hij zieken genas, duivelen uitdreef, stormen deed ophouden. Dat alles raken ze kwijt.
Zo vervuld zijn ze van wat ze straks zullen missen, dat ze niet eens op de gedachte komen: waar zou hij eigenlijk heen gaan? Waar koerst hij op af? Als hij van ons weggaat, wat denkt hij daarmee dan te bereiken?
Wat Jezus bereiken wil? Hij wil de wereld bereiken.
Het is me er om begonnen, zegt hij, dat de Trooster komt. En dat de Trooster komt tot de wereld.
Want hij zal de wereld laten zien wat schuld is, en wat recht is, en wat oordeel is.
De Trooster zal de wereld laten zien, wat er mis is met haar, waar ze het spoor bijster is geraakt, wat haar schuld is. Haar schuld is: dat zein Jezus niet gelooft.
Dat ze zich op alle mogelijke manieren probeert te redden, terwijl ze de enige Redder voorbij loopt: Jezus Christus. Want h ij heeft werkelijk het recht aan zijn kant.
Ook al lijkt het er veel meer op dat hij volmaakt ongelijk heeft, dat wat hij zegt dwaasheid is, dat wat hij doet zinloos is. Want dat l ij k t wel zo. Maar hij gaat naar de Vader. Hij hoort bij God. Hij staat aan de kant van God. En God staat aan zijn kant. En daarom is hij het ook die de vorst van deze wereld veroordeeld heeft.
Werkelijk: hij heeft de wereld overwonnen. Hij heeft alles wat in de wereld kwaad doet voor schut gezet. Hij heeft hem, die het hier voor het zeggen had, die er zo’n vreselijke bende van gemaakt heeft, er onder gekregen.
Nu is het afgelopen met zijn macht. Want Jezus heeft de touwtjes in handen genomen, Dat alles moet de wereld weten.
Want dat is haar enige kans. En het is haar laatste kans. D i t is haar laatste kans: dat ze wél in Jezus gelooft. Dat ze niet - omdat Jezus hier niet meer is - sneert: wat zou Jezus nu? Wat kan hij nu? Maar dat ze, juist omdat Jezus hier niet meer is, omdat hij naar de Vader is, zegt: Hij kan alles. Hij maakt alle dingen nieuw. Dit is de laatste kans van de wereld, dat ze ervan overtuigd wordt: geen enkele macht heeft hier nog een kans, de macht van de slimste niet. de macht van het kapitaal niet en de macht van de arbeid met. Want Jezus heeft aan alle machten een eind gemaakt.
Hij heeft erover getriumfeerd.
Dat moet de wereld weten. En daarom moet Jezus weg van hier.
En daarom moet de Geest van God hier komen wonen en werken.
En daarom moet de Trooster door Jezus naar de discipelen gestuurd worden, Er is voor hen werk aan de winkel. Er wacht een wereld vol werk op hen.
Natuurlijk, er wacht een wereld vol werk op de Tróóster, H ij moet de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Maar juist omdat het de Trooster is, die aan het werk moet, - daarom wordt de Trooster door Jezus gestuurd naar de discipelen. Z ij moeten aan het werk. Z ij moeten productief zijn.
Er is over de hemelvaart van Christus geen goed woord te zeggen, wanneer het niet duidelijk is dat Christus' hemelvaart er is terwille van de komst van de Heilige Geest.
En: we kunnen van de hemelvaart geen goed woord zeggen, wanneer we het niet door hebben, of wanneer we er niet aan willen, dat Jezus in zijn hemelvaart mikt op ons werk, op onze productiviteit.
Niet op een consumerende, maar op een producerende kerk.
Als er één ding is dat voor ons vanzelfsprekend moest zijn, dan is het dit: de kerk van Christus is slechts kerk van hem, als zij een productieve kerk is, een kerk die werkt. Dat is de zin van haar bestaan. Dat is de grote reden waarom Jezus is weggegaan en nog steeds niet weerkomt: de kerk moet kunnen werken; de kerk moet haar dienst aan de wereld kunnen verrichten.
Dat heeft Jezus er bij zijn discipelen steeds weer op de een of andere manier ingehamerd. Denken jullie er goed om: jullie zijn het licht van de wereld. En dat licht moeten jullie laten schijnen voor de mensen. Daarom heeft Jezus gebeden in doe nacht voor het verraad: zoals u mij de wereld ingestuurd hebt, zó stuur ik hen de wereld in, opdat de wereld zal geloven dat u mij gestuurd hebt.
En daarvan hebben de discipelen zich steeds weer laten doordringen.
Dáárover hebben ze zich verheugd: gemeente van Jezus zijn, - dat wil zeggen: kerk vóór de wereld zijn.
Dat wij met die blijdschap van de discipelen in onze maag zitten, is niet zo vreemd. Want wij zijn gewend te vragen: wat heb ik aan de hemelvaart van Christus.
En dat is wel een legitieme vraag.
Als ze maar niet gesteld wordt door mensen die uitsluitend zijn ingesteld op consumeren. Door een kerk die niets anders horen wil dan wat Christus voor h a a r betekent. Een kerk die doet, alsof z ij het eindstation is van Gods bemoeienis met de wereld. Een kerk die het zo. verschrikkelijk druk heeft met zichzelf, dat ze aan die andere vraag: wat is Christus voor de wereld? wat zijn wij voor de wereld? - niet toekomt.
Zijn wij aan zo'n kerk gewend?
En vinden wij zo'n kerk daarom een normale kerk? En zien we het niet meer, dat juist een kerk die niets anders weet te doen dan consumeren een dode kerk is?
Als Christus ons de wereld in stuurt, als Hij ons productief wil maken, als hij onze vraag - wat hebben w ij aan Christus' hemelvaart? - beantwoordt met zijn tegen-vraag: wat heeft de wéreld aan mijn hemelvaart?, - dan zeggen wij natuurlijk: alles goed en wel, maar zijn w ij dan niet belangrijk meer? Is dat werkelijk een verboden vraag: wat heb ik aan Christus' hemelvaart?
Dan komt dat wonderlijke woord van Jezus: het is beter voor u dat Ik heenga. Want: door heen te gaan en de Trooster te zenden ga ik de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel.
Met andere woorden: het is jullie leven, als je productief bent voor de wereld. Dat is niet slechts het behoud van de wereld. Maar dat is j u ll i e redding. Dáárin alleen en daarin juist zullen jullie tot bloei komen, dat je je leven geeft voor anderen. Zoals ik verheerlijkt ben door mezelf te géven.
Daarom is het niet zo wonderlijk, dat juist bij Christus' verheerlijking blijkt hoezeer dat ook voor zijn gemeente geldt: wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest terwille van het evangelie, die zal het behouden.
Zijn wij een consumptieve kerk?
Een kerk die er op uit is, haar leven te behouden? En die daarom haar leven niet geven wil voor anderen? Een kerk, die het werk niet zoekt. En die niet om zich heen ziet in de wereld en die zich niet voortdurend, onophoudelijk tot God wendt met de vraag: wat is er te d o e n, Heer?
Juist als hij van ons weggaat, zegt Christus: zo is het beter voor u. Maar dat zijn hemelvaart werkelijk beter is voor ons, dat zullen we alleen maar begrijpen, wanneer we niet langer proberen tuit te komen onder dat woord uit de gelijkenis van de. heer des huizes die een poosje weg ging: zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst b e z i g zal vinden.